Het (middelbaar) beroepsonderwijs tijdens (en na) het Corona-tijdperk

In een paar maanden tijd is de wereld er compleet anders uit komen te zien. De verspreiding van het Coronavirus begon als een gezondheidscrisis, werd al snel een economische crisis en lijkt uit te draaien op een sociale crisis. De combinatie van deze ontwikkelingen heeft naar alle waarschijnlijkheid een langdurig effect op veel aspecten van onze samenleving. We moeten op stel en sprong een antwoord bedenken op acute problemen. Soms blijken die antwoorden niet alleen voor de huidige crisis, maar ook voor een verdere toekomst te leiden tot niet manieren van (samen)werken. 

De lucht was nog nooit zo schoon en ondanks de moeilijke omstandigheden waarin velen zich bevinden zien we op verschillende plaatsen de sociale cohesie fors toe te nemen. Hoe jammer zou het zijn als we deze positieve effecten niet vast kunnen houden.

Het MBO staat midden in de samenleving, in goede én in slechte tijden. Die ambitie maken we waar door het concreet invulling geven aan de opdracht tot een drievoudige kwalificatie van onze studenten op alle niveaus. Daarmee komen de wereld van werk, onderwijs en student bij elkaar. En de huidige toestand in de wereld heet invloed op alle drie die werelden. 

Laten we actief aan de slag gaan met de uitdagingen die dit alles met zich meebrengt. Niet alleen reactief, maar juist ook proactief nadenken over kansen en uitdagingen. Niet alleen gericht op de korte termijn, maar ook op de lange termijn waarin we streven naar duurzame oplossingen en verbeteringen. De aanleiding vormt de problematiek waarmee we ons door de huidige crisis geconfronteerd zien. Maar zo’n forse crisis brengt ook problemen aan de orde die sluimerend al in ons systeem zaten en waar we al dan niet steeds weer ad hoc naar oplossingen zochten. Daar komt bij dat een dergelijke crisis het zetje kan geven om buiten de grenzen van het huidige systeem naar oplossingen te zoeken. 

Balanceren is een (vitaal) vak

Balanceren is een (vitaal) vak….

Het is een tijd die we niet eerder meemaakten. Dat geldt voor ons allemaal en dus ook voor mij.  Van ’s morgen tot ‘s avonds laat aan de telefoon en/of voor een beeldscherm. Dagelijks contact met de minister, met de top van OCW en SZW, met de bestuursleden, met collega-voorzitters en natuurlijk met jullie, onze leden. Maar ook met de mensen van het bureau met wie ik samen tropendagen maak om met departementen te onderhandelen over de best mogelijke randvoorwaarden voor de scholen om onderwijsactiviteiten zoveel mogelijk te kunnen continueren, om snel relevante kennis en informatie met jullie te delen en mee te denken over de kansen en knelpunten. Business as usual? Het gaat nu eens niet over nóg beter mbo, maar over het met elkaar beheersen van een crisis die we ons een maand geleden nauwelijks konden voorstellen.

Eerlijk is eerlijk, de adrenaline stroomt soms door m’n lijf; ik geniet van de dynamiek om juist nu aan de slag te zijn voor ons mega belangrijke onderwijs. Maar ik worstel soms ook. Omdat ik me zo goed kan voorstellen hoe lastig het maken van keuzes soms is, in het belang van studenten, werknemers en het onderwijs zelf. Hoe ingewikkeld het is om je eigen keuzes te maken, maar tegelijk ook elkaar als collega’s binnen de sector, landelijk en binnen de regio’s vast te houden.

Ik ben blij te constateren dat ons dat behoorlijk lukt. En ik vraag jullie om mij vooral ‘lastig te blijven vallen’ als je ergens een opvatting over hebt, iets kwijt moet of onder de aandacht wil brengen. Ik probeer steeds zo snel mogelijk te reageren en te verbinden. Bovendien zijn we als bestuur met het bureau voor het zetten van goede stappen ook afhankelijk van jullie ervaringen, ideeën en suggesties.

Bij het maken van keuzes, voor jullie in en om de scholen en voor ons als belangenbehartiger, is het voortdurend zoeken naar een evenwicht. Het RIVM heeft vanaf het begin aangegeven dat, mits we ons aan de richtlijnen houden, het openhouden van schoolgebouwen en het uitvoeren van activiteiten in die gebouwen verantwoord is als we kijken naar de gezondheidsrisico’s.

Dat uitgangspunt past prima bij de ambitie die onze sector drijft: we willen (jonge) mensen de kans geven op een diploma waarmee zij kunnen bouwen aan een goed bestaan. Om dat uitgangspunt te realiseren hebben we in deze nieuwe en onbekende situatie tijd en ruimte nodig. Om met creativiteit en flexibiliteit te bedenken hoe we met onze medewerkers onze studenten op een in alle opzichten verantwoorde manier naar een diploma kunnen leiden.

En tegelijk is er de maatschappelijke druk om ook de mbo-scholen gedurende langere tijd te sluiten. En daarmee die ambitie tijdelijk in de koelkast te zetten. Dat maakt dat we moeten balanceren tussen het volgen van de afwegingen en richtlijnen van het RIVM en het maatschappelijke sentiment.

Juist in het mbo is de praktijk van groot belang. Het werken met en in de praktijk past bij onze studenten én bij onze docenten en instructeurs. We zien vitale sectoren waarin zij, juist nu, een extra en zo gewenste bijdrage leveren, soms met alle risico’s van dien. En daar mogen, nee moeten we trots op zijn!

 Aan de andere kant: die praktijk staat door de crisis ook zwaar onder druk. En helemaal zonder die praktijk is het ook lastig om onze genoemde ambitie te realiseren: diplomeren wie er aan toe is.

Laten we daarom de tijd nu gebruiken om te bedenken wát er noodzakelijk is, wát er mogelijk is, hóe dat te realiseren valt, als het kan online, maar als het moet ook in de praktijk. Volgens mij kunnen we die uitdaging aan. Volgens mij zijn we een sector die onze ambitie, voor zover mogelijk in deze crisis, niet laat varen, maar op een verantwoorde wijze zo goed mogelijk realiseert. Omdat we het belang van studenten centraal durven stellen: zij verdienen het allereerst dat we er alles aan doen om hen te helpen hún ambities waar te maken. Die begint met het in deze crisis op de meest verantwoord mogelijke manier halen van dat diploma waar ze zo keihard voor hebben gewerkt.

Daarbij hebben we natuurlijk niet alles in de hand. Met respect luister ik naar mensen die het reizen als te risicovol ervaren en/of uit angst of zorg andere keuzes maken.

Dat respect geldt onze studenten, hun ouders én onze medewerkers. En dat respect leidt tot ruimte voor verschillen in gedrag en daarmee tot verschillende effecten. Dat is geen teken van zwakte, maar een teken van ambitie, creativiteit en flexibiliteit, van oog hebben voor je omgeving en van uit menselijkheid en mededogen durven handelen. Het kan en mag allemaal in onze sector.

Ook dat is iets om trots op zijn!

Mede namens het bestuur,

Frank van Hout

waarnemend voorzitter MBO raad

Scholen maak je samen

Vandaag ging ik in debat met Dennis Wiersma over zijn plan om bedrijven te financieren bij de oprichting van scholen. Wat mij betreft horen scholen in het publieke bestel.

Hier de link naar de uitzending …

https://www.nporadio1.nl/dit-is-de-dag/onderwerpen/528955-vvd-geef-publiek-geld-aan-bedrijfsopleidingen

Leven Lang Ontwikkelen: het moet er nu maar eens echt van komen

Namens SBB mocht ik afgelopen donderdag een advies aanbieden aan de ministers van OCW en van Economische Zaken. Een commissie, onder leiding van Jacco Vonhof heeft gekeken hoe een Leven Lang Ontwikkelen, door samenwerking van MBO-scholen en bedrijven een krachtige impuls kan krijgen.

Het zoveelste advies, hoor ik mensen al zeggen. En dat klopt natuurlijk, we praten al jaren over een leven lang ontwikkelen, al verandert de term die we ervoor gebruiken zo af en toe wel. Toch denk ik dat er komende jaren echt iets gaat gebeuren. Waarom dat nu wel het geval zou zijn?

– Omdat de noodzaak van alle kanten benadrukt wordt: bedrijven, scholen, SER, SBB, commissie Borstlap (die echt over meer dan alleen flexwerk schreef), etcetera.

– Omdat bedrijven steeds meer inzien dat zich continu ontwikkelende medewerkers van groot belang zijn voor de bedrijvigheid, zeker als je in een tijd van vergrijzing belang hecht aan continuïteit en economische groei

– Omdat scholen zich in de regio steeds meer als een partner op (willen) stellen om antwoord te geven op de uitdagingen in de regio (al dan niet gestimuleerd door krimpende leerlingaantallen in het vmbo)

– Omdat wet- en regelgeving het realiseren van LLO langzaam maar zeker beter mogelijk maakt (denk bijvoorbeeld aan groeiende mogelijkheden van certificering in het mbo)

Uit onderzoek blijkt steeds weer dat het juist de mensen met een achtergrond in het MBO zijn die relatief minder investeren in LLO. En tegelijk hebben die mensen het het hardst nodig om duurzaam aan het werk te blijven. En tegelijk zijn juist die mensen nodig om te zorgen dat we als samenleving de uitdagingen aankunnen als het gaat om thema’s als energietransitie, klimaatverandering, digitalisering, etc.

Daarom ben ik blij dat ook onze school zich explicieter op dit terrein begeeft. Niet (alleen) omdat het een interessante “markt” is, maar vooral omdat we ons daarmee waarmaken als relevante partner in de regio.

En ik ben blij dat we dat niet zomaar doen. Ik ben blij dat binnenkort het practoraat LLO daadwerkelijk van start gaat. Zodat we ook goed onderzoek kunnen laten doen naar een manier van LLO die past bij ons denken over leren. Want ook voor dat practoraat, maar zeker voor de doelgroepen van LLO geldt “leren begint in de praktijk”. Dus gelden voor onze ontwikkelingen op het terrein van LLO de kernpunten van ons koersplan:

– We werken met een paars hart dat passie, leren en organiseren met elkaar verbindt.

– En ons motto is ook hierbij “waar leren werkt”

Vrijheid is meer….

Vorige jaar organiseerden studenten bij ons op school voor de eerste keer het festival Global Land. Daarbij wordt op een creatieve manier aandacht besteed aan de verschillende Sustainable Development Goals die we gebruiken om als school op alle niveaus te werken aan duurzaamheid. Ook dit jaar organiseren zij dit festival, waarbij dit jaar het thema “Vrijheid” centraal staat. Dat is natuurlijk geen toeval. Het hele land staat het hele jaar immers in het teken van 75 jaar vrijheid. 75 jaar geleden kwam er een einde aan vijf jaar oorlog ín ons land. Dat was meteen ook de laatste oorlog die daadwerkelijk op het grondgebied van West-Europa heeft plaatsgevonden.

Ook in het onderwijs wordt er veel aandacht aan dit gebeuren besteed. Zo zullen gedurende het hele jaar op scholen ook zogenaamde “gesprekken van de vrijheid” gevoerd worden. Min of meer bekende Nederlanders gaan daarbij met studenten in gesprek over betekenis van en ervaring met (on)vrijheid.

Bij ons op school vindt dat gesprek in Leeuwarden plaats op 14 februari. We heten dan Rob Jetten welkom om met studenten in gesprek te gaan. Ik hoop dat we er een boeiende bijeenkomst van weten te maken waar veel studenten aan deelnemen. Niet zozeer omdat het Rob Jetten is, maar omdat het volgens mij van belang is dat wij onze studenten op dit gebied wat meegeven.

Want waar sta je bij stil, als je stil staat bij 75 jaar vrijheid? Dat zal voor iedereen anders zijn. Daarover denkend, de afgelopen dagen, kwamen bij mij de volgende zaken naar voren:

– De 75 jaar vrijheid die nu gevierd worden, zijn vooral 75 jaar “geen oorlog”

– Hoe belangrijk dat ook is, vrijheid is volgens mij meer dan “geen oorlog”

– Is vrijheid ook niet iets wat we iedere dag al dan niet meemaken? Is het ook niet de vrijheid om te zijn wie je bent, wie je wilt zijn?

– Realiseren we ons op school wel dat we ook groepen studenten hebben voor wie het nog lang geen 75 jaar geleden is dat de oorlog afliep, een groep die vaak nog vrienden en familie heeft in gebieden waar vrijheid een wens is, maar zeker geen realiteit?

– Hoe mooi is het dat we in West-Europa in staat zijn om nu 75 jaar samen te leven zonder oorlog, maar onze wereld wordt steeds groter en in grote delen van die wereld is oorlog nog de dagelijkse realiteit.

Wij streven ernaar om onze studenten de kans te geven zich te ontwikkelen tot praktische wereldburgers. Voor mij is het nadenken over vrijheid in al zijn aspecten, dichtbij en veraf, een onderdeel van die ontwikkeling. Ik hoop dat we daar ruimte voor maken. Niet alleen op 14 februari, maar dagelijks in de manier waarop we met elkaar omgaan.

Burgerschap …. een kwestie van doen!

Afgelopen week nam ik deel aan een workshop onder de titel ‘Wat is goed burgerschap?” Daar waren verder studenten én docenten bij aanwezig. Het was mooi om te zien hoe deze workshop verzorgd werd door twee studenten. En dat deden ze heel goed, met een stevig tempo, goede vragen en heldere opdrachten werden we uitgedaagd om met elkaar het gesprek aan te gaan.

Het eindigde met de vraag: “wat neem je mee van deze workshop?” Mijn reactie was daarbij dat ik in elk geval mijn gedachten over de vraagstelling naar aanleiding van de workshop nog eens goed moest ordenen. En zoals vaker, gebruik ik daar dit blog voor.

Want de vraag is makkelijker gesteld dan beantwoord. En dat bleek ook wel tijdens de workshop. Het ging minder om de invulling van goed burgerschap, dan om de vormgeving van goed burgerschapsonderwijs. En dat is misschien maar goed ook. Daarmee voorkom je dat je een soort van morele oproep gaat doen die duidelijk maakt wat je van mensen vraagt als ze zich een goed burger willen tonen.

Maar …. ik heb al eerder gepleit voor hoge waardering van de opdracht die het MBO heeft als het gaat om de persoonlijke ontwikkeling van studenten. En binnen dat gebied van persoonlijke ontwikkeling neemt burgerschap een belangrijke plaats in. Daarmee bedoel ik niets meer of minder dan dat wij onze studenten de kans geven om keuzes te maken waarmee zij als volwaardig burger deel uit kunnen maken van de samenleving. En hopelijk gaat het daarbij om keuzes die ze bewust maken, nadat ze een afweging gemaakt hebben van voor- en nadelen en eventuele alternatieven.

Dat klinkt redelijk waardevrij en misschien zou het dat ook moeten zijn. Toch zit ik er niet geheel waardevrij in. Als school hebben wij ons uitgesproken voor de Sustainable Development Goals als een soort van richtingaanwijzer voor ons onderwijs én onze organisatie. Dat is geen waardevrije keuze. We maken die keuze omdat we zelf, als mens, maar ook met onze organisatie verantwoordelijkheid willen nemen voor onszelf, de mensen om ons heen en de wereld waarin wij leven. Dat is een verantwoordelijkheid die niet alleen voor vandaag geldt, maar ook van belang is voor de langere termijn. Wat is het effect van mijn keuzes op mezelf en mijn omgeving, vandaag, morgen en daarna? Dat is toch eigenlijk de centrale vraag….

In de workshop was het mooi om te merken dat het belang van burgerschapsvorming, als onderdeel van een opleiding, door iedereen erkend werd. Het gesprek ging er dan ook vooral om hoe we dat beter uitgevoerd krijgen. Want eerlijk is eerlijk, niet iedere student treft het op dit gebied. Nog te vaak wordt burgerschap gegeven “omdat het moet” en niet “omdat we het van belang vinden”.

Dit alles leidde tot enkele aanbevelingen/uitgangspunten waar ik graag mee afsluit:

  • Burgerschap komt pas goed tot zijn recht als het opleidingsteam het belang ervan onderschrijft
  • Daarbij helpt het als we het als school eens worden over enkele pijlers die in alle lessen burgerschap herkenbaar terugkomen, los van de beroepsopleiding die een student volgt
  • Tegelijk moet burgerschapsvorming zich niet beperken tot de aparte lessen. Het is van belang dat zaken die daarin aan bod komen ook terugkomen in de rest van de opleiding.
  • Dat betekent dus dat burgerschapsvorming iets is van álle docenten en niet alleen van de docenten burgerschap
  • Burgerschap ontwikkel je het beste als je studenten uitdaagt om echt in actie te komen op een gebied dat hen raakt
  • Dat vraagt om het bieden van keuzes en ruimte voor concrete activiteiten
  • Laten we die activiteiten ook zichtbaar maken voor elkaar. Op die manier kan inspiratie over en weer ontstaan en helpen we elkaar verder
  • En daarmee is burgerschap iets wat voortdurend in ontwikkeling zal blijven, net zoals de samenleving waarop we studenten graag voorbereiden

Je mág excelleren

Morgen ga ik naar het gala waarmee de Dag van het MBO wordt afgesloten. Wat mij betreft een belangrijke bijeenkomst omdat het een moment is waarop we verschil durven te maken.

Tijdens dat gala worden immers het beste leerbedrijven, de beste leermeester, het beste onderwijsteams, de beste docent én student gekozen die komend jaar als ambassadeur onze sector nóg beter op de kaart zullen zetten.

De “béste”, dat zeggen we niet vaak. We vinden het immers moeilijk om tegen iemand te zeggen dat hij/zij de beste is. Dan zeggen we immers tegen een ander dat die niet de beste is. En dat vinden we vervelend. We zijn immers nogal gewend om vooral naar inspanningen te kijken en minder naar de resultaten.

En toch denk ik dat we in ons MBO meer van dat wedstrijddenken kunnen gebruiken. Met het wedstrijdelement komt immers de uitdaging om de beste te willen zijn. En vooral onze studenten geven al jaren aan dat ze wel wat uitdaging kunnen gebruiken. Daar komt bij dat degenen die die uitdaging aangaan zonder de eerste plaats te bereiken, tijdens de wedstrijd vaak een enorme groei laten zien.

En die groei stopt niet na de bekendmaking. Juist dat jaar van ambassadeurschap is een prachtige gelegenheid om jezelf in compleet nieuwe omstandigheden te leren kennen. Om daar nieuwe dingen te doen en te ontdekken wat je makkelijk en wat je best moeilijk afgaat.

En zou dat niet vaker moeten gebeuren? Ook in de dagelijkse gang van zaken in de klas? Mikken we daar niet te vaak op het gemiddelde? Durven we daar wel verschil te maken? Verwarren we gelijke kansen niet te vaak met gelijke behandeling? Waardoor die gelijke kansen dan juist niet van de grond komen?


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën