Ontgroeven …. Een stevige boodschap met uitroeptekens én vraagtekens

Zo in de vakantie past het wel om eens stil te staan bij een boek. Afgelopen weken las ik een boek dat het stilstaan zeker waard is. Daarom hier een bespreking….

Met “Ontgroeven” schreef Kees Tillema een boek dat me de afgelopen weken behoorlijk bezig wist te houden. En ik denk dat Kees daarmee zijn belangrijkste doel misschien al bereikt heeft. Het boek boeit, verwart en verklaart, biedt herkenning en confrontatie. Hoe doet hij dat en vooral wat doet dat met mij?

Kees is een fan van het antifragiele denken van Nassim Taleb, wat er (zeer) kort gezegd op neerkomt dat organisaties zo ingericht zijn dat ze zo op tegenslagen (kunnen) reageren dat ze er steeds beter van worden. Je zou denken “wie wil dat niet?”, maar als je je verder verdiept in dit denken over organiseren, dan wordt al snel duidelijk dat dat makkelijker gezegd is dan gedaan. Het staat namelijk op gespannen voet met de sterke neiging om te centraliseren en controleren in organisaties. En die twee werkwoorden hebben dan weer alles te maken met de behoefte om resultaten te voorspellen en om voorspellingen uit te laten komen.

Terwijl we allemaal weten hoe onvoorspelbaar onze wereld (geworden) is. Mens en organisatie zijn van steeds meer factoren afhankelijk die volop in beweging zijn. We zien dat natuurlijk de afgelopen tijd volop in de manier waarop we om moeten gaan met de effecten van de COVID-19 pandemie. Maar dat is natuurlijk niet de enige (onverwachte) impact op onze manier van leven en werken.

“Ontgroeven” bestaat uit drie delen.

Deel 1 beschrijft twaalf “sleutels” waarmee je antifragiel organiseren kunt realiseren.

Omdat je natuurlijk altijd de vraag krijgt “hoe moet ik dat dan doen” biedt deel 2 uitwerkingen van zeven vraagstukken. Bij bekende vraagstukken geeft Kees voorbeelden om die eens heel anders aan te pakken met behulp van een of enkele van de genoemde sleutels.

En het boek sluit af met de beschrijving van vijf kenmerken waarover de mensen die antifragiel willen organiseren zouden moeten beschikken.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het boek, ook al wat het soms ongemakkelijk, met plezier heb gelezen. Dat heeft niet alleen met de inhoud maar zeker ook met de schrijfstijl van Kees te maken. Een vlotte pen blijkt ook nu weer een belangrijk wapen om de lezer te boeien. Dat maakt ook dat ik door bleef lezen, ook al vond ik soms iets van de ideeën die gepresenteerd worden. Kees houdt bij het kiezen van woorden ook van de confrontatie. Daarbij gaat hij ver, en soms iets te ver naar mijn idee.

Mijn reacties op de drie delen zijn dan ook verschillend:

Deel 1 geeft inderdaad een aantal interessante aanknopingspunten om naar organisaties en organisatieverandering te kijken. De beschrijving van de sleutels is inspirerend. Als ik ze hier samenvat lijken het al snel open deuren. Veel komt neer op: kleinschalig organiseren, besluitvorming zo laag mogelijk, het wordt pas echt als je risico neemt, biedt mensen keuzes en werk niet met protocollen maar met vuistregels.

Maar tijdens het lezen denk ik steeds twee dingen:

1. Dit is inderdaad wat we nodig hebben.

2. Hoe krijgen we het voor elkaar

De voorstellen van Kees gaan ver, anders zou het immers geen “ontgroeven” zijn. Maar vergaande voorstellen roepen ok hier, zoals altijd, vragen op omtrent de haalbaarheid. Gelukkig kondig zich dan deel 2 aan. Een deel waarin Kees met behulp van de twaalf sleutels een aantal vraagstukken te lijf gaat.

In deel 2 is de auteur jammer genoeg enigszins “losgeslagen” en lijkt het hem soms meer te doen om spectaculaire voorstellen dan om daadwerkelijke realisatie van de sleutels… Je kunt je door deze voorstellen natuurlijk laten inspireren. Ik kan me ook voorstellen dat het interessant is om ze met een aantal mensen te bespreken en er uit te halen wat bruikbaar is. Maar tegelijk hou ik het gevoel over dat hier een belofte niet waargemaakt wordt. Ik zal toch echt zelf na moeten denken over de manier waarop de sleutels in een bestaande organisatie toegepast kunnen worden. En dat moet ik doen in een organisatie die mede bepaald wordt door externe invloeden. We kunnen niet net doen of we “alleen op de wereld” zijn.

Misschien spreekt daarom deel 3 me wel weer meer aan. Daarin gaat het om vijf persoonskenmerken die zeker de moeite van het overdenken waard zijn. Hoe je het ook wendt of keert, het zijn immers mensen die uiteindelijk het ontgroeven moeten realiseren. En juist omdat we allemaal zo in allerlei groeven zitten, vraagt het veel van mensen om daaruit te ontsnappen.

De vijf persoonskenmerken die Kees benoemt, kunnen daar zeker aan bijdragen: compassie, onverschilligheid, verbeeldingskracht, eigenzinnigheid en rebelsheid. Misschien moeten we maar eens beginnen om die zaken wat meer te ontwikkelen én te waarderen!

Nu of nooit….

Inmiddels is het veertien maanden geleden dat we in Nederland te maken kregen met de COVID-19 pandemie. Veertien maanden waarin we met vallen en opstaan probeerden gezond te blijven of, als dat niet lukte, te genezen. Veertien maanden waarin de zorg onder hoogspanning moest werken aan, soms onmogelijke, zware en nieuwe opgaven. Veertien maanden waarin bedrijven stilvielen, maar ook nieuwe wegen ontdekten. En … veertien maanden waarin het onderwijs noodgedwongen overstapte op nieuwe manieren van leren en onderwijzen.

Volgens mij mag het onderwijs trots zijn op zichzelf als we terugkijken naar die afgelopen periode. Het was zwaar en veel gebeurde met vallen en opstaan. Tegelijk was het voor leerlingen en studenten niet altijd mogelijk om hun studie op de ‘normale’ manier en in het geplande tempo te volgen. Zeker inzet begin was het moeilijk om te voorspellen wat de maatregelen zouden zijn en hoe lang die zouden gelden.

Daar waar het onderwijs vaak gekenmerkt werd door voorspelbaarheid, was die zekerheid van de ene op de andere dag verdwenen. En het ministerie moest op basis daarvan duidelijk maken wat van scholen verwacht werd en onder welke condities dat moest gebeuren. Maar zowel verwachtingen als condities konden steeds weer anders worden.

Terugkijkend durf ik de stelling wel aan dat we er, gegeven de omstandigheden, het beste van gemaakt hebben. En misschien was het beste ook best wel goed… We weten nog niet precies hoe het proces verder gaat en ook niet wat de effecten van de afgelopen periode zijn op de ontwikkeling van studenten. Maar we kunnen wel constateren dat veel studenten, al dan niet met een beperkte vertraging, hun diploma haalden/halen. En dat diploma heeft absoluut niet aan waarde ingeboet. Door extra tijd, alternatieve opdrachten en de snelle ontwikkeling van online onderwijs konden processen redelijk doorlopen.

Als je nu kijkt naar wat er nodig geweest is om dat voor elkaar te krijgen, dan kom ik tot één overkoepelende conclusie: het kon allemaal zo goed mogelijk doorgang vinden doordat de professionals ruimte en autonomie kregen om volgens hun eigen inzichten keuzes te maken. Het was een jaar geleden een hele stap om dat vertrouwen op die manier de basis te laten zijn voor de afspraken tussen het ministerie, de inspectie en de scholen. Nu kunnen we constateren dat de sector getoond heeft dat vertrouwen meer dan waard te zijn.

En daarmee komen we op de titel van dit bericht. Het is “nu of nooit”! Als de dreiging van COVID-19 afneemt, zullen de nodige beperkingen steeds verder afnemen. Dat geeft alle ruimte om terug te gaan naar het oude systeem dat gebaseerd was op regelgeving en controle. Dan komt in het MBO het oude regime terug van een strenge scheiding tussen onderwijs en stage; dan moeten onderwijsprogramma’s weer ver van tevoren worden vastgelegd en uitgevoerd worden volgens plan. Kortom, dan worden flexibiliteit en samenwerking met een snel veranderende omgeving het kind van de rekening.

Maar er is een alternatief. Zoals gezegd heeft de sector bewezen het vertrouwen waard te zijn. Dat vertrouwen heeft geleid tot enorme inspanningen en creativiteit waardoor studenten door konden met hun opleiding. En het heeft geleid tot nieuwe vormen van onderwijs, waarbij niet alleen online en offline, maar ook mengvormen waarin onderwijs en stage, theorie en praktijk samenvielen.

De tijd is rijp om te blijven uitgaan van vertrouwen. Het is nu….

Het leven gaat voor het leren….

In de Volkskrant van vrijdag 12 februari roept een aantal prominenten op om meer aandacht te geven aan de gevolgen van het coronabeleid voor jongeren.

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-geef-jongeren-nu-toegang-tot-de-sneltesten~bca0c062/

Het zette me aan het denken en dat denken kreeg nog een impuls toen ik gevraagd werd om later op de dag een interview te geven rondom dit vraagstuk.

https://www.omropfryslan.nl/nieuws/1034501-zorg-ook-dat-er-aandacht-voor-jongeren-coronatijd

Wat valt op als je naar de huidige situatie kijkt.

  • Een groot deel van de jongeren is ongelukkig en geeft het leven een onvoldoende
  • Dat vraagt om een bredere benadering van de crisis en extra aandacht voor deze doelgroep
  • Oorzaken en oplossingen kunnen we deels IN het onderwijs en deels daarbuiten vinden.
  • Wat kunnen scholen doen?
    • De ruimte voor fysieke activiteiten optimaal benutten
    • Veel aandacht besteden aan het welbevinden van studenten
    • Doe dat zowel offline als online
    • Neem de problematiek serieus, maar durf ook te relativeren (hoe erg is een half jaar langer studeren?)

Op allerlei plekken vragen mensen om meer aandacht voor de situatie van jongeren tijdens deze crisis. Soms lijkt het alsof die aandacht tot nu toe niet bestond. Dat valt te nuanceren. Als ik terugkijk op het afgelopen jaar dan moeten we misschien concluderen dat het niet altijd de juiste aandacht was. Het gaat, ook nu nog, vaak om examinering, leerachterstanden, grotere kans op zittenblijven, etcetera. Maar zit daar het échte probleem?

Als ik met studenten spreek maken ze zich minder druk om het feit dat ze wellicht iets langer over hun studie zullen doen. Waar ze last van hebben is veel meer dat ze elkaar niet kunnen ontmoeten, dat ze volledig op zichzelf worden teruggeworpen en elkaar niet even een hart onder de riem kunnen steken. De leeftijdscategorie tussen 17 en 20 lijkt me dé groep die in een fase zit om nieuwe vrijheden te proeven, grenzen te ontdekken en , uiteindelijk, zichzelf te leren kennen. En daar gaat het allemaal stukken minder over.

Wat kunnen we daaraan doen? Kunnen we het, ook in het onderwijs, anders aanpakken waardoor de aandacht voor deze vragen meer naar voren komt? Laten we in elk geval zorgen dat jongeren weten dat er aan hen gedacht wordt. Dat scholen bij het maken van keuzes niet alleen kijken naar hun studievoortgang maar ook naar hun sociaal-emotionele situatie.

Daar komt dan ook de vraag bij kijken hoe we de ruimte daarvoor verder kunnen vergroten. Laten we, als er iets meer ruimte ontstaat, niet meteen kijken welke lessen we daarin plaats kunnen laten vinden. Laten we de ruimte eens gebruiken om met onze studenten “gewoon” het gesprek te voeren over hoe het met ze gaat. En laten we hen eens de kans geven om vooral ook elkáár weer te ontmoeten en elkáár te vragen hoe het met ze gaat en wat ze met en voor elkaar kunnen betekenen.

Het is misschien meer de uitdaging voor ons om te bevorderen dat jongeren, ook geestelijk, gezond de crisis uitkomen dan dat ze perse zo snel mogelijk opgeleid worden. En als we denken over de inzet van (snel)testen om meer mogelijk te maken… gebruik ze niet alleen om zoveel mogelijk “gewoon” onderwijs te kunnen geven, maar juist ook om ontmoeting tussen studenten te bevorderen

Tenslotte: tot nu toe gaat het over jongeren, alsof het één groep is. Maar is er verschil?

  • tussen onder en boven achttien?
  • tussen mbo en HO?
  • tussen studerend, werkend en werkloos?
  • Tussen … en …?

Laten we in elk geval zorgen dat jongeren weten dat er aan hen gedacht wordt en dat bij maatregelen expliciet gekeken wordt naar het effect op hun leven/geluk

Zorgen, maar ook vastberaden… we kunnen het, als we het samen doen

Afgelopen week liep ik met de beveiligers een rondje door een van onze schoolgebouwen. Behalve studenten die bij het zien van de twee beveiligers nog snel hun mondkapje voordeden, bleef de wandeling mij vooral bij omdat me tijdens dat rondje (weer) duidelijk werd hoe goed het is om studenten op school te ontvangen. Om mét studenten aan de slag te zijn. Dat straalden ook de docenten uit die ik tijdens de ronde sprak. Het genot om te kunnen onderwijzen, ook al is het op enige afstand, doet een onderwijshart sneller kloppen.

Het was fijn om op deze manier weer eens rond te lopen en hier en daar een praatje te maken. Dat kunnen we helaas te weinig doen op het ogenblik. En ik schrijf dat op een moment dat het steeds onzekerder lijkt te worden of we dat komende weken vol blijven houden.  De zorgen over wat ons nog te wachten staat nemen wat dat betreft toe. Het aantal besmettingen blijft, in elk geval als ik dit schrijf, nog steeds oplopen. De roep om een “korte, hevige lockdown” neemt toe. Als die ervan komt, ben ik bang dat wij er ook niet aan ontkomen om fysieke onderwijsactiviteiten weer stop te zetten. Zowel voor studenten als voor docenten geen fijn vooruitzicht. 

Ook landelijk praten we op allerlei plekken en met verschillende partijen over de huidige situatie en de (mogelijke) gevolgen voor het MBO. Als we ervan uit gaan dat de richtlijn van 1,5 meter afstand in elk geval de rest van het schooljaar wel zal blijven gelden, weten we dus ook dat in elk geval een flink deel van het onderwijs online zal blijven. En dat we buiten de lessen om grotendeels thuis zullen werken, lesgevend en vergaderend via een beeldscherm. 

Uiteindelijk leidden die gesprekken de afgelopen periode tot een kwartet van problemen die we maar beter onder ogen kunnen zien:

  • De lange duur van deze situatie maakt het (nagenoeg) onmogelijk om de kwaliteit te blijven leveren die we van onszelf verwachten en die de omgeving onder normale omstandigheden van ons mag verwachten. Dat maakt het waarborgen van de kwaliteit van een diploma er niet makkelijker op.
  • Alhoewel de situatie in verschillende branches en bij verschillende opleidingen erg uiteen kunnen lopen, zullen we de rest van het schooljaar anders om moeten gaan met de BPV. De kans is groot dat er in bepaalde branches tekorten zullen blijven.  Ook is het combineren van onderwijs met BPV in verband met besmettingsgevaar op sommige plekken nu niet toegestaan. Het is niet uitgesloten dat dat op meer plekken en vaker voor kan komen. 
  • Het is wel duidelijk dat deze tijd voor jongeren geen eenvoudige is. Eenzaamheid, sociaal-emotionele problematiek, verlies van motivatie…. Het zijn allemaal zaken die we tegenkomen bij onze studenten. Of, zoals een collega-bestuurder me laatst zei “De GGZ kan zijn borst natmaken als dit nog lang duurt”.
  • En dan, last but not least, vraagt deze periode meer van medewerkers dan we eigenlijk kunnen verwachten. We weten dat de werkdruk al langer (te?) hoog is. Maar dat neemt niet weg dat de situatie momenteel van ons vraagt om er nog een schepje bovenop te doen. En we weten dat velen dat ook doen. Maar een te hoge werkdruk, in combinatie met de complexiteit van thuis en online werken, valt niet vol te houden. Hoe gaan we daarmee om?

Geen optimistische reflectie, ook al begon het met de vrolijke terugblik op mijn rondje eerder deze week. Maar als je dat gemaakt hebt, weet je de volgende dag ook weer des te beter wat je mist. En realiseer ik me dat ik zeker de enige niet zal zijn. Laten we daarom niet vergeten om naar elkaar om te blijvend kijken. Meer dan ooit doet deze crisis een beroep op ons om het mét elkaar te doen, niet alleen op school, maar ook thuis, ook in de buurt en uiteindelijk als samenleving. Ik hoop dat we daar allemaal een steentje aan bij kunnen dragen. 

Het (middelbaar) beroepsonderwijs tijdens (en na) het Corona-tijdperk

In een paar maanden tijd is de wereld er compleet anders uit komen te zien. De verspreiding van het Coronavirus begon als een gezondheidscrisis, werd al snel een economische crisis en lijkt uit te draaien op een sociale crisis. De combinatie van deze ontwikkelingen heeft naar alle waarschijnlijkheid een langdurig effect op veel aspecten van onze samenleving. We moeten op stel en sprong een antwoord bedenken op acute problemen. Soms blijken die antwoorden niet alleen voor de huidige crisis, maar ook voor een verdere toekomst te leiden tot niet manieren van (samen)werken. 

De lucht was nog nooit zo schoon en ondanks de moeilijke omstandigheden waarin velen zich bevinden zien we op verschillende plaatsen de sociale cohesie fors toe te nemen. Hoe jammer zou het zijn als we deze positieve effecten niet vast kunnen houden.

Het MBO staat midden in de samenleving, in goede én in slechte tijden. Die ambitie maken we waar door het concreet invulling geven aan de opdracht tot een drievoudige kwalificatie van onze studenten op alle niveaus. Daarmee komen de wereld van werk, onderwijs en student bij elkaar. En de huidige toestand in de wereld heet invloed op alle drie die werelden. 

Laten we actief aan de slag gaan met de uitdagingen die dit alles met zich meebrengt. Niet alleen reactief, maar juist ook proactief nadenken over kansen en uitdagingen. Niet alleen gericht op de korte termijn, maar ook op de lange termijn waarin we streven naar duurzame oplossingen en verbeteringen. De aanleiding vormt de problematiek waarmee we ons door de huidige crisis geconfronteerd zien. Maar zo’n forse crisis brengt ook problemen aan de orde die sluimerend al in ons systeem zaten en waar we al dan niet steeds weer ad hoc naar oplossingen zochten. Daar komt bij dat een dergelijke crisis het zetje kan geven om buiten de grenzen van het huidige systeem naar oplossingen te zoeken. 

Balanceren is een (vitaal) vak

Balanceren is een (vitaal) vak….

Het is een tijd die we niet eerder meemaakten. Dat geldt voor ons allemaal en dus ook voor mij.  Van ’s morgen tot ‘s avonds laat aan de telefoon en/of voor een beeldscherm. Dagelijks contact met de minister, met de top van OCW en SZW, met de bestuursleden, met collega-voorzitters en natuurlijk met jullie, onze leden. Maar ook met de mensen van het bureau met wie ik samen tropendagen maak om met departementen te onderhandelen over de best mogelijke randvoorwaarden voor de scholen om onderwijsactiviteiten zoveel mogelijk te kunnen continueren, om snel relevante kennis en informatie met jullie te delen en mee te denken over de kansen en knelpunten. Business as usual? Het gaat nu eens niet over nóg beter mbo, maar over het met elkaar beheersen van een crisis die we ons een maand geleden nauwelijks konden voorstellen.

Eerlijk is eerlijk, de adrenaline stroomt soms door m’n lijf; ik geniet van de dynamiek om juist nu aan de slag te zijn voor ons mega belangrijke onderwijs. Maar ik worstel soms ook. Omdat ik me zo goed kan voorstellen hoe lastig het maken van keuzes soms is, in het belang van studenten, werknemers en het onderwijs zelf. Hoe ingewikkeld het is om je eigen keuzes te maken, maar tegelijk ook elkaar als collega’s binnen de sector, landelijk en binnen de regio’s vast te houden.

Ik ben blij te constateren dat ons dat behoorlijk lukt. En ik vraag jullie om mij vooral ‘lastig te blijven vallen’ als je ergens een opvatting over hebt, iets kwijt moet of onder de aandacht wil brengen. Ik probeer steeds zo snel mogelijk te reageren en te verbinden. Bovendien zijn we als bestuur met het bureau voor het zetten van goede stappen ook afhankelijk van jullie ervaringen, ideeën en suggesties.

Bij het maken van keuzes, voor jullie in en om de scholen en voor ons als belangenbehartiger, is het voortdurend zoeken naar een evenwicht. Het RIVM heeft vanaf het begin aangegeven dat, mits we ons aan de richtlijnen houden, het openhouden van schoolgebouwen en het uitvoeren van activiteiten in die gebouwen verantwoord is als we kijken naar de gezondheidsrisico’s.

Dat uitgangspunt past prima bij de ambitie die onze sector drijft: we willen (jonge) mensen de kans geven op een diploma waarmee zij kunnen bouwen aan een goed bestaan. Om dat uitgangspunt te realiseren hebben we in deze nieuwe en onbekende situatie tijd en ruimte nodig. Om met creativiteit en flexibiliteit te bedenken hoe we met onze medewerkers onze studenten op een in alle opzichten verantwoorde manier naar een diploma kunnen leiden.

En tegelijk is er de maatschappelijke druk om ook de mbo-scholen gedurende langere tijd te sluiten. En daarmee die ambitie tijdelijk in de koelkast te zetten. Dat maakt dat we moeten balanceren tussen het volgen van de afwegingen en richtlijnen van het RIVM en het maatschappelijke sentiment.

Juist in het mbo is de praktijk van groot belang. Het werken met en in de praktijk past bij onze studenten én bij onze docenten en instructeurs. We zien vitale sectoren waarin zij, juist nu, een extra en zo gewenste bijdrage leveren, soms met alle risico’s van dien. En daar mogen, nee moeten we trots op zijn!

 Aan de andere kant: die praktijk staat door de crisis ook zwaar onder druk. En helemaal zonder die praktijk is het ook lastig om onze genoemde ambitie te realiseren: diplomeren wie er aan toe is.

Laten we daarom de tijd nu gebruiken om te bedenken wát er noodzakelijk is, wát er mogelijk is, hóe dat te realiseren valt, als het kan online, maar als het moet ook in de praktijk. Volgens mij kunnen we die uitdaging aan. Volgens mij zijn we een sector die onze ambitie, voor zover mogelijk in deze crisis, niet laat varen, maar op een verantwoorde wijze zo goed mogelijk realiseert. Omdat we het belang van studenten centraal durven stellen: zij verdienen het allereerst dat we er alles aan doen om hen te helpen hún ambities waar te maken. Die begint met het in deze crisis op de meest verantwoord mogelijke manier halen van dat diploma waar ze zo keihard voor hebben gewerkt.

Daarbij hebben we natuurlijk niet alles in de hand. Met respect luister ik naar mensen die het reizen als te risicovol ervaren en/of uit angst of zorg andere keuzes maken.

Dat respect geldt onze studenten, hun ouders én onze medewerkers. En dat respect leidt tot ruimte voor verschillen in gedrag en daarmee tot verschillende effecten. Dat is geen teken van zwakte, maar een teken van ambitie, creativiteit en flexibiliteit, van oog hebben voor je omgeving en van uit menselijkheid en mededogen durven handelen. Het kan en mag allemaal in onze sector.

Ook dat is iets om trots op zijn!

Mede namens het bestuur,

Frank van Hout

waarnemend voorzitter MBO raad

Scholen maak je samen

Vandaag ging ik in debat met Dennis Wiersma over zijn plan om bedrijven te financieren bij de oprichting van scholen. Wat mij betreft horen scholen in het publieke bestel.

Hier de link naar de uitzending …

https://www.nporadio1.nl/dit-is-de-dag/onderwerpen/528955-vvd-geef-publiek-geld-aan-bedrijfsopleidingen

Leven Lang Ontwikkelen: het moet er nu maar eens echt van komen

Namens SBB mocht ik afgelopen donderdag een advies aanbieden aan de ministers van OCW en van Economische Zaken. Een commissie, onder leiding van Jacco Vonhof heeft gekeken hoe een Leven Lang Ontwikkelen, door samenwerking van MBO-scholen en bedrijven een krachtige impuls kan krijgen.

Het zoveelste advies, hoor ik mensen al zeggen. En dat klopt natuurlijk, we praten al jaren over een leven lang ontwikkelen, al verandert de term die we ervoor gebruiken zo af en toe wel. Toch denk ik dat er komende jaren echt iets gaat gebeuren. Waarom dat nu wel het geval zou zijn?

– Omdat de noodzaak van alle kanten benadrukt wordt: bedrijven, scholen, SER, SBB, commissie Borstlap (die echt over meer dan alleen flexwerk schreef), etcetera.

– Omdat bedrijven steeds meer inzien dat zich continu ontwikkelende medewerkers van groot belang zijn voor de bedrijvigheid, zeker als je in een tijd van vergrijzing belang hecht aan continuïteit en economische groei

– Omdat scholen zich in de regio steeds meer als een partner op (willen) stellen om antwoord te geven op de uitdagingen in de regio (al dan niet gestimuleerd door krimpende leerlingaantallen in het vmbo)

– Omdat wet- en regelgeving het realiseren van LLO langzaam maar zeker beter mogelijk maakt (denk bijvoorbeeld aan groeiende mogelijkheden van certificering in het mbo)

Uit onderzoek blijkt steeds weer dat het juist de mensen met een achtergrond in het MBO zijn die relatief minder investeren in LLO. En tegelijk hebben die mensen het het hardst nodig om duurzaam aan het werk te blijven. En tegelijk zijn juist die mensen nodig om te zorgen dat we als samenleving de uitdagingen aankunnen als het gaat om thema’s als energietransitie, klimaatverandering, digitalisering, etc.

Daarom ben ik blij dat ook onze school zich explicieter op dit terrein begeeft. Niet (alleen) omdat het een interessante “markt” is, maar vooral omdat we ons daarmee waarmaken als relevante partner in de regio.

En ik ben blij dat we dat niet zomaar doen. Ik ben blij dat binnenkort het practoraat LLO daadwerkelijk van start gaat. Zodat we ook goed onderzoek kunnen laten doen naar een manier van LLO die past bij ons denken over leren. Want ook voor dat practoraat, maar zeker voor de doelgroepen van LLO geldt “leren begint in de praktijk”. Dus gelden voor onze ontwikkelingen op het terrein van LLO de kernpunten van ons koersplan:

– We werken met een paars hart dat passie, leren en organiseren met elkaar verbindt.

– En ons motto is ook hierbij “waar leren werkt”

Vrijheid is meer….

Vorige jaar organiseerden studenten bij ons op school voor de eerste keer het festival Global Land. Daarbij wordt op een creatieve manier aandacht besteed aan de verschillende Sustainable Development Goals die we gebruiken om als school op alle niveaus te werken aan duurzaamheid. Ook dit jaar organiseren zij dit festival, waarbij dit jaar het thema “Vrijheid” centraal staat. Dat is natuurlijk geen toeval. Het hele land staat het hele jaar immers in het teken van 75 jaar vrijheid. 75 jaar geleden kwam er een einde aan vijf jaar oorlog ín ons land. Dat was meteen ook de laatste oorlog die daadwerkelijk op het grondgebied van West-Europa heeft plaatsgevonden.

Ook in het onderwijs wordt er veel aandacht aan dit gebeuren besteed. Zo zullen gedurende het hele jaar op scholen ook zogenaamde “gesprekken van de vrijheid” gevoerd worden. Min of meer bekende Nederlanders gaan daarbij met studenten in gesprek over betekenis van en ervaring met (on)vrijheid.

Bij ons op school vindt dat gesprek in Leeuwarden plaats op 14 februari. We heten dan Rob Jetten welkom om met studenten in gesprek te gaan. Ik hoop dat we er een boeiende bijeenkomst van weten te maken waar veel studenten aan deelnemen. Niet zozeer omdat het Rob Jetten is, maar omdat het volgens mij van belang is dat wij onze studenten op dit gebied wat meegeven.

Want waar sta je bij stil, als je stil staat bij 75 jaar vrijheid? Dat zal voor iedereen anders zijn. Daarover denkend, de afgelopen dagen, kwamen bij mij de volgende zaken naar voren:

– De 75 jaar vrijheid die nu gevierd worden, zijn vooral 75 jaar “geen oorlog”

– Hoe belangrijk dat ook is, vrijheid is volgens mij meer dan “geen oorlog”

– Is vrijheid ook niet iets wat we iedere dag al dan niet meemaken? Is het ook niet de vrijheid om te zijn wie je bent, wie je wilt zijn?

– Realiseren we ons op school wel dat we ook groepen studenten hebben voor wie het nog lang geen 75 jaar geleden is dat de oorlog afliep, een groep die vaak nog vrienden en familie heeft in gebieden waar vrijheid een wens is, maar zeker geen realiteit?

– Hoe mooi is het dat we in West-Europa in staat zijn om nu 75 jaar samen te leven zonder oorlog, maar onze wereld wordt steeds groter en in grote delen van die wereld is oorlog nog de dagelijkse realiteit.

Wij streven ernaar om onze studenten de kans te geven zich te ontwikkelen tot praktische wereldburgers. Voor mij is het nadenken over vrijheid in al zijn aspecten, dichtbij en veraf, een onderdeel van die ontwikkeling. Ik hoop dat we daar ruimte voor maken. Niet alleen op 14 februari, maar dagelijks in de manier waarop we met elkaar omgaan.

Burgerschap …. een kwestie van doen!

Afgelopen week nam ik deel aan een workshop onder de titel ‘Wat is goed burgerschap?” Daar waren verder studenten én docenten bij aanwezig. Het was mooi om te zien hoe deze workshop verzorgd werd door twee studenten. En dat deden ze heel goed, met een stevig tempo, goede vragen en heldere opdrachten werden we uitgedaagd om met elkaar het gesprek aan te gaan.

Het eindigde met de vraag: “wat neem je mee van deze workshop?” Mijn reactie was daarbij dat ik in elk geval mijn gedachten over de vraagstelling naar aanleiding van de workshop nog eens goed moest ordenen. En zoals vaker, gebruik ik daar dit blog voor.

Want de vraag is makkelijker gesteld dan beantwoord. En dat bleek ook wel tijdens de workshop. Het ging minder om de invulling van goed burgerschap, dan om de vormgeving van goed burgerschapsonderwijs. En dat is misschien maar goed ook. Daarmee voorkom je dat je een soort van morele oproep gaat doen die duidelijk maakt wat je van mensen vraagt als ze zich een goed burger willen tonen.

Maar …. ik heb al eerder gepleit voor hoge waardering van de opdracht die het MBO heeft als het gaat om de persoonlijke ontwikkeling van studenten. En binnen dat gebied van persoonlijke ontwikkeling neemt burgerschap een belangrijke plaats in. Daarmee bedoel ik niets meer of minder dan dat wij onze studenten de kans geven om keuzes te maken waarmee zij als volwaardig burger deel uit kunnen maken van de samenleving. En hopelijk gaat het daarbij om keuzes die ze bewust maken, nadat ze een afweging gemaakt hebben van voor- en nadelen en eventuele alternatieven.

Dat klinkt redelijk waardevrij en misschien zou het dat ook moeten zijn. Toch zit ik er niet geheel waardevrij in. Als school hebben wij ons uitgesproken voor de Sustainable Development Goals als een soort van richtingaanwijzer voor ons onderwijs én onze organisatie. Dat is geen waardevrije keuze. We maken die keuze omdat we zelf, als mens, maar ook met onze organisatie verantwoordelijkheid willen nemen voor onszelf, de mensen om ons heen en de wereld waarin wij leven. Dat is een verantwoordelijkheid die niet alleen voor vandaag geldt, maar ook van belang is voor de langere termijn. Wat is het effect van mijn keuzes op mezelf en mijn omgeving, vandaag, morgen en daarna? Dat is toch eigenlijk de centrale vraag….

In de workshop was het mooi om te merken dat het belang van burgerschapsvorming, als onderdeel van een opleiding, door iedereen erkend werd. Het gesprek ging er dan ook vooral om hoe we dat beter uitgevoerd krijgen. Want eerlijk is eerlijk, niet iedere student treft het op dit gebied. Nog te vaak wordt burgerschap gegeven “omdat het moet” en niet “omdat we het van belang vinden”.

Dit alles leidde tot enkele aanbevelingen/uitgangspunten waar ik graag mee afsluit:

  • Burgerschap komt pas goed tot zijn recht als het opleidingsteam het belang ervan onderschrijft
  • Daarbij helpt het als we het als school eens worden over enkele pijlers die in alle lessen burgerschap herkenbaar terugkomen, los van de beroepsopleiding die een student volgt
  • Tegelijk moet burgerschapsvorming zich niet beperken tot de aparte lessen. Het is van belang dat zaken die daarin aan bod komen ook terugkomen in de rest van de opleiding.
  • Dat betekent dus dat burgerschapsvorming iets is van álle docenten en niet alleen van de docenten burgerschap
  • Burgerschap ontwikkel je het beste als je studenten uitdaagt om echt in actie te komen op een gebied dat hen raakt
  • Dat vraagt om het bieden van keuzes en ruimte voor concrete activiteiten
  • Laten we die activiteiten ook zichtbaar maken voor elkaar. Op die manier kan inspiratie over en weer ontstaan en helpen we elkaar verder
  • En daarmee is burgerschap iets wat voortdurend in ontwikkeling zal blijven, net zoals de samenleving waarop we studenten graag voorbereiden

Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën