Dat zou mooi zijn…

Over twee weken presenteren we op het Friesland College ons nieuwe koersplan, een document waarmee we onszelf presenteren aan de buitenwereld. Terwijl je aan zo’n stuk werkt, praat je veel met anderen over je school en over je kijk op een school als de onze, een ROC dat zich presenteert als voorloper voor wat betreft modern beroepsonderwijs.

Maar naast al dat praten, denk je ook gewoon af en toe even na. Juist nu, midden in de kerstsfeer, merkte ik bij mezelf dat de vraag “wat voor school wil je zijn?” steeds weer terugkwam in mijn hoofd.

Al vaker sprak en dacht ik over de brede opdracht die we als ROC wat mij betreft waar moeten maken: het gaat om veel meer dan (al dan niet zo snel mogelijk) opleiden van jonge mensen voor een plek op de arbeidsmarkt. We zijn geen platte toeleveranciers voor de arbeidsmarkt, maar willen een relevante rol spelen voor iedereen die bezig is zichzelf te ontwikkelen.

Maar wat betekent dat dan voor je manier van werken? “Wat voor school wil je zijn?”, betekent ook “wat voor organisatie wil je zijn?”, “hoe wil je (samen)werken met elkaar en met je omgeving?”, “wat wil je betekenen voor elkaar?”, “op welke manier denk je dat je het beste de moeite waard kunt zijn voor al je stakeholders?”

“Wij zijn gewoon een goede school” was tijden het motto van een van de collega-ROC’s. En eerlijk is eerlijk, een tijd lang vond ik het wel wat hebben “gewoon een goede school”. Maar intussen denk ik dat het een motto is dat erg past bij de Nederlandse mentaliteit van “je kop niet boven het maaiveld uitsteken”. En daar heb ik steeds minder mee. Ik voel steeds meer voor “het verschil willen maken” als motto. Dat is toch wat je wilt als school: dat je ertoe doet.

Op de eerste plaats wil je dat verschil maken voor de studenten die zich bij je deur melden. Maar ik wil graag een stap verder gaan. Hoe kunnen we, als school mét onze medewerkers en studenten, verschil maken voor de wereld. Die wereld heeft dat volgens mij hard nodig, want als we ermee om blijven gaan zoals we dat nu doen dreigt het faliekant mis te gaan…

En toen stuitte ik op het volgende citaat:

“Om de wereld te veranderen, moet je groepen vormen die samen iets voor elkaar willen krijgen, is zijn overtuiging. Dat maakt het makkelijker, betaalbaarder, maar ook leuker. Want eenmaal in zo’n groep komen ook andere gespreksonderwerpen voorbij.” (Met dank aan Bouwe de Boer, energiecommissaris van de provincie Fryslan.

“Groepen die samen iets voor elkaar krijgen”… dat bleef in mijn hoofd hangen. En deed me denken aan een woordenpaar dat me ook al even bezighield: “Gesellschaft” en “Gemeinschaft”. Wikipedia geeft bij deze woorden de volgende omschrijving: “Daarbij is de Gemeinschaft een samenleving met sterke affectieve bindingen en saamhorigheid, terwijl in de modernere Gesellschaft er sterke economische bindingen zijn met onderlinge concurrentie.”

Is dat niet de richting die we in moeten slaan? Moeten we geen afscheid nemen van het denken in termen van economie, marktaandeel, profijtbeginsel, etcetera? Is dat geen wereldbeeld waarin het eigenbelang altijd voorop zal staan, of dat nu van het individu, van de organisatie of wat dan ook is?

Moeten we niet gaan kijken naar een manier van werken en leven waarin het primair gaat om een samenleving waarin saamhorigheid kenmerkend is voor de wegen die we inslaan? En geldt dat dan ook niet voor een school als de onze, waarvan we wel vakwerk zeggen dat het een weerspiegeling van de maatschappij is?

Past het woord “Gemeinschaft” niet heel mooi bij ons friese woord “Mienskip”, waarbij ik altijd zal pleiten voor toevoeging van het minstens zo belangrijke adjectief “iepen”? Ofwel, om terug te keren naar het Nederlands, willen we als school verschil maken, moeten we dan niet werken aan een open samenleving waarin saamhorigheid en verbondenheid met elkaar en de omgeving centrale kenmerken zijn?

Broedplaats

Veel veranderingen beginnen ergens om vervolgens langzaam maar zeker hun weg te vinden in de samenleving. Het realiseren van een veranderingen is daarbij vaak een kwestie van vallen en opstaan. We proberen iets te verbeteren en dat lukt dan … of niet. Op veel terreinen zien we broedplaatsen ontstaan waar ruimte is voor dat vallen en opstaan. Vaak betreft het een verzamelplaats waar mensen een ambitie en/of een werkveld met elkaar gemeen hebben.

Het zou mooi zijn als onze school zo’n broedplaats werd waar we samen ontdekken hoe het kan werken … zo’n SAMENleving waarin saamhorigheid en duurzame ontwikkeling het winnen van eigenbelang en economisch gewin.

Wie heeft het hier voor het zeggen?

Zoals (bijna) alle (onderwijs-)organisaties is het ook bij de school waar ik werk een terugkerend thema: hoe zorgen we voor optimale samenwerking tussen het primaire proces en “de ondersteuning”.

En zoals (bijna) altijd bestaat de neiging tot simpele oplossingen. Het digitale tijdperk, waarin alles terug te brengen valt tot de keuze tussen een 0 en een 1 gaat verder dan de wereld van automatisering. Ook in ons eigen hoofd gaat het steeds weer om keuzes tussen A en B, waarbij et een volstrekt het tegenovergestelde is van het ander. En daarmee worden A en B min of meer synoniem met “goed” en “fout”.

Kijkend naar het thema van dit blog, kom je dan op keuzes als:

  • Vraag versus aanbod
  • Staf versus lijn
  • Positie versus competenties
  • Rol versus functie
  • Top-down versus bottom up

In dergelijke gesprekken krijg je steeds weer discussies over principes, over “hoe het hoort te zijn”. En tijdens al dat praten verandert er niets, worden verschillen eerder groter dan kleiner, terwijl de een de ander uitleg hoe de wereld in elkaar zit.

Maar kan het ook anders? En zo ja, hoe dan? Daar zal geen standaardrecept voor zijn. Maar wij proberen het wel. In grote lijnen doen we dat door op verschillende niveaus vragen te formuleren die we proberen te beantwoorden. En bij al die vragen geldt: de antwoorden zijn belangrijk, want die geven vorm aan onze manier van werken. Maar meer nog …. naast (en soms ondanks) deze antwoorden geven we de voorkeur aan het gebruik van gezond verstand. Dat valt niet in afspraken en regels te vatten.

Op organisatieniveau:

  • Waartoe bestaat de organisatie
  • Wat heeft de organisatie nodig om dat voor elkaar te krijgen?
  • Wat betekent dat voor de mensen die het moeten doen?
  • Hoe kunnen we dat het beste organiseren?

Op medewerkersniveau:

  • Waar heb je last van?
  • Wie heb je nodig om dat aan te pakken? (En zorg daarbij voor voldoende diversiteit op het gebied van deskundigheden, werkstijl en teamgedrag)
  • Wat zijn de kaders waarbinnen een oplossing gezocht kan worden (inhoudelijk, wet- en regelgeving, financieel, facilitair, etc.)?
  • Bedenkt met elkaar een oplossing …. en pas die toe!

Voor velen is dit anders dan ze gewend zijn. De ruimte om een eigen oplossing te bedenken en dat dan ook te gaan doen, past bij een nieuwe organisatiecultuur waarin verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen meer en meer in de genen moet komen. Daarbij horen drie kenmerken waar ik dit blog mee afsluit:

  • Lef, want je kunt beter achteraf excuus maken dan vooraf toestemming vragen
  • Flexibiliteit, want met de snel veranderende omgeving zal ook onze manier van werken nooit af zijn,
  • Samenwerking, want me elkaar de verantwoordelijkheid vanaf het begin nemen, werkt beter dan iedereen die steeds weer probeert een stukje van de puzzel te leggen.

“Ik gun geen ander wat ik heb meegemaakt”

Een paar weken geleden was ik bij de prijsuitreiking van NLskills, vakwedstrijden voor mbo-ers op vele gebieden. Daar werd duidelijk hoe hoog het vakmanschap is dat binnen het mbo ontwikkeld wordt. En natuurlijk wie dat het beste voor elkaar hadden en dus kampioen van Nederland worden. Zij zullen ons land in het najaar vertegenwoordigen op Europees niveau,

Als je zo’n avond meemaakt, vraag je je echt af waarom het imago van het mbo in Nederland zoveel slechter is dan wat het buitenland over ons denkt. Kwaliteit, ambitie, passie … het spat er vanaf. En stiekem ben ik dan best trots op óns mbo.

Om hele andere redenen had ik vandaag weer zo’n moment van trots. Ik was bij de finales van de Jan Hommen Scholarship. Onder die titel gaat een wedstrijd schuil waarin mbo-studenten die een extra steuntje kunnen gebruiken, kans maken op een periode van financiële en persoonlijke ondersteuning.

Uit een totaal aantal van 55 inschrijvingen waren acht finalisten naar voren gekomen. Acht jongeren van alle mbo-niveaus en alle leerjaren. Zij presenteerden zichzelf vandaag aan een jury van vooral prominente nederlanders (naast de naamgever Jan Hommen, ook Edgar Davids, Barbara Barend en Akwesi Frimpong). Die laatste kun je kennen als Ghanese deelnemer aan de laatste winterspelen op het onderdeel skeleton. Hij verzorgde ook een intermezzo waarin hij zijn verhaal vertelde. Een verhaal vol tegenslagen en teleurstellingen, maar uitmondend in de triomf om als eerste Ghanees op de winterspelen te staan.

Maar eigenlijk was dat natuurlijk bijzaak. Het ging om de acht finalisten, hun verhaal, hun presentaties en vooral … hun eigen overwinningen. Acht jonge mensen wiens leven al de nodige tegenslag had gehad. Maar al die tegenslagen kunnen niet voorkomen dat zij grote dromen hebben en deze vol passie willen realiseren. In al die verhalen kwam naar voren dat het bootcamp waar zij afgelopen week aan deelgenomen hadden een flinke indruk had gemaakt.

Hoe verschillend de deelnemers ook waren, er zaten flinke overeenkomsten in hun leerde lessen en ambities:

  • ze hadden geleerd om zich (meer) open te stellen (en hoe belangrijk dat is)
  • ze hadden zichzelf beter leren kennen en konden daardoor preciezer omschrijven wat ze willen bereiken
  • voor velen was de jeugd meer een periode van overleven dan van leven (geweest)
  • ze hadden het belang van samenwerken en teambuilding ontdekt (en dat het dan oké is om hulp te vragen)
  • en allen hadden, ieder op een eigen manier, de ambitie om te voorkomen dat anderen hetzelfde overkomt wat hen overkomen is (zie ook de titel hierboven)

“Ik heb de gave om mijn rugzak te vullen met de stenen van anderen”

Hoe indrukwekkend is het om te zien hoe diep deze mensen gaan. Zij tonen zich zoals ze zijn, met alle emoties, twijfels en zenuwen. En juist daarmee maken ze indruk. Maar ook met het feit dat die emoties evensteek zijn als ze anderen zien presenteren met hún emoties.

Maar waar het vooral om gaat … dit is dus óók mbo, onderwijs waarin iedereen zijn best doet om de beste versie van zichzelf, maar ook van de ander te maken. En als je dan door kunt zetten, ondanks steeds weer tegenwind, dan gebeuren er steeds weer mooie dingen … op óns mbo!

Het mbo heeft het weer gedaan…

Twee weken geleden las ik in het Financieel Dagblad een opiniestuk van Barbara Baarsma onder de spannende titel “Instellingen en studenten in het mbo moeten arbeidsmarkt serieuzer nemen” (zie https://fd.nl/opinie/1215672/instellingen-en-studenten-in-het-mbo-moeten-arbeidsmarkt-serieuzer-nemen )

Blijkbaar doet het mbo het (weer) niet goed genoeg, dus maar eens kijken wat we van professor Baarsma kunnen leren…

Op de eerste plaats kent zij mbo-instellingen een belangrijke rol toe bij het omgaan met de snel veranderende arbeidsmarkt. Maar helaas “Nu doen zij dat onvoldoende. Het opleidingsaanbod van mbo-instellingen is niet responsief genoeg”.

Het gaat dus om het aanbod dat onvoldoende inspeelt op wat het bedrijfsleven vraagt. Deze stelling onderbouwt Baarsma met de constatering dat er “opvallend veel opleidingen (zijn) met de kwalificatie geringe of matige baankans”. Het gaat daarbij om de baankansen, zoals deze periodiek gepubliceerd worden door de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Dit zou beter worden, aldus Baarsma, via twee ingrepen:

  • Grootschaliger invoeren van numerus fixus bij beroepsopleidingen
  • Financiële prikkels in de bekostiging van opleidingen

Het is duidelijk dat Baarsma inzet op vergroting van de responsiviteit door in te grijpen in het aanbod aan opleidingen. Opleidingen met een lage baankans zouden minder studenten op gaan nemen dankzij een numerus fixus. Het aanbieden van die opleidingen wordt ook onaantrekkelijk als ze minder goed bekostigd worden dan opleidingen die die baankans wel bieden. Van bestuurders verwacht ze blijkbaar dat ze als een boekhouder gaan zitten rekenen welk opleidingsaanbod financieel het meest gunstig is om in de markt te zetten. Volgens mij is dat juist de mentaliteit die we bij het besturen van publieke instellingen minder willen zien…

Ook bij het via een numerus fixus dwingen van aspirant-studenten tot andere keuzes plaats ik grote vraagtekens. Ik zie de techniekopleidingen al volstromen met jongens en meiden die eigenlijk hun heil wilden zoeken in de zakelijke dienstverlening. Of (erger nog…) in iets met kunst en cultuur. De uitvalpercentages zullen beslist oplopen, docenten lopen tegen een muur van gebrek aan motivatie, studenten voelen zich niet thuis in de opleiding en op hun stageplek vraagt men zich af “wat er nou weer van dat mbo afkomt”.

Naar mijn idee moeten we het vergroten van de responsiviteit maar voor een zeer beperkt deel zoeken in de vraag welke opleidingen we wel of niet aanbieden. Responsiviteit moet een kenmerk van de opleidingen zelf worden. Daarin moet men meebewegen met wat de bedrijven vragen aan nieuwe kennis en vaardigheden. Als je dat doet kunnen we jongeren voldoende keuzes blijven bieden waarmee zij aan kunnen sluiten bij hun interesse en passie. Dan zijn zij ook in de gelegenheid om die interesse te vertalen in gedrag en leerhouding waarmee zij hun kansen op die snel veranderende arbeidsmarkt zo groot mogelijk maken.

Dat kan door als opleiding intensief samen te werken met bedrijven in de omgeving, door studenten daadwerkelijk te laten ervaren wat er op de werkvloer aan het veranderen is, en door docenten op diezelfde werkvloer aan het werk te zetten met hun studenten. Op die manier zijn de veranderingen een “gewoon” onderdeel van de dagelijkse werkelijkheid. Alleen zo leren bedrijven, docenten en studenten daarmee omgaan.

Naast deze kritiek op het aanbod aan opleidingen legt Baarsma de bal overigens en-passant ook bij docenten (verouderde kennis, onvoldoende geprikkeld tot omscholing) en studenten (informeren zich slecht over werkkansen en kiezen alleen wat leuk is).

Stellingen die volstrekt niet onderbouwd worden in het artikel. Waarom dit in het mbo allemaal beroerder zou zijn dan in andere onderwijssectoren wordt al helemaal niet besproken.

Voor de duidelijkheid: de responsiviteit van het beroepsonderwijs is een belangrijk thema als het gaat om de toekomst van die sector. Dat kan en moet beter, daar doe ik niets aan af. Helaas helpt de opinie van Barbara Baarsma ons daarbij niet verder. Denken over financiële prikkels leidt juist af van het zoeken naar echte verbeteringen: inhoudelijke modernisering van het onderwijs in verbinding met de praktijk van bedrijven en aansluitend bij de passie van studenten.

Het kán niet alleen anders, het móet ook anders

069c066

“Ons onderwijs leidt op volgens een stramien dat zinvol was in een heel andere tijd dan waarin we nu leven.” Wie mijn blog al eerder las, weet dat zo’n zin mij aan het lezen en denken zet.

Een kort blog daarover dit keer, en alweer vooral bedoeld om te verwijzen naar een artikel dat je echt niet mag missen. Afgelopen zaterdag schreef Valerie Frissen een betoog in het Financieel Dagblad. Daarin pleit zij voor forse veranderingen in het onderwijs, met name als het gaat om beoordelen en examineren. Daarbij kijken we namelijk slechts op één moment naar een beperkt ontwikkelingsgebied.
Ofwel, “(een diploma) is niet meer dan een gestolde momentopname van je ontwikkeling, waarbij je bovendien maar op een beperkt scala vaardigheden bent getoetst”. En dat sluit al lang niet meer aan bij de vragen die de moderne samenleving aan kinderen, studenten en werknemers (van de toekomst) stelt.

En verder:
– waardeert het onderwijs slechts formele kennis, terwijl informele kennis minstens zo belangrijk en waardevol is
– leidt de ‘diploma-fetisj’ tot het alsmaar nastreven van hoger opleiden als het ultieme doel van onderwijs
– heeft deze miskenning van ‘lager’ opgeleiden een steeds groter tekort aan vakmensen tot gevolg
– wordt het onderwijs gedomineerd door standaardcurricula, waarin iedereen na een jaar of vier geacht wordt een diploma te halen
– waarmee (moderne) mogelijkheden voor maatwerk dat aansluit bij niveau en enthousiasme van iedere leerling/student ongebruikt blijven

Kortom,…. lezen!

Valerie Frissen over onderwijs

Interview over professionalisering in het MBO….

MBO Raad VAST; In gesprek met Tamar van Gelder (Aob) en Frank van Hout (FC-MBO Raad)[2]

 

 

“toppertjes” in Göteborg gaan de uitdaging aan

Ik kreeg de kans om een paar dagen mee te maken van de zogenaamde Euroskills vakwedstrijden, waarin zo’n 500 MBO-studenten uit heel Europa met elkaar uitmaken wie als beste vakman of –vrouw uit de strijd komt.

Hieronder een impressie van en reflectie op dat fenomeen.

Grote hallen met extreem veel (ook behoorlijk jong) publiek. De wedstrijden blijken populair bij het voortgezet onderwijs als middel om te oriënteren op de wereld van opleiding en beroep.

En natuurlijk ook de hardcore fans, vaak bestaande uit docenten van de eigen school of familie van deelnemers.img_0106

Dan zoek je natuurlijk eerst de deelnemer op van je “eigen” school. Maurice is snel gevonden tussen de gigantische landbouwmachines. Maar in plaats van sleutelen staart hij vol concentratie naar het scherm van een iPad. En denk maar niet dat die aandacht af te leiden valt. Pure concentratie is hier het devies.img_0099

Gelukkig valt met zijn docent, Lieuwe Greidanus, wel een praatje te maken. Naast het genieten van de activiteiten van deze topstudent is ook de betrokkenheid en inzet van de begeleidende docent zeker het vermelden waard.

Die concentratie is overigens wel een kenmerk van bijna alle deelnemers. Ondanks alle rumoer om hen heen lijken ze niet van de wijs te brengen en zijn puur bezig met de opdrachten. Soms levert dat de stilstaande beelden op zoals ik bij Maurice beschreef. Maar bij andere wedstrijden is sprake van fikse fysieke inspanningen om de opdracht tot een goed einde te brengen.

Dat brengt me op enkele overwegingen rondom dit fenomeen van vakwedstrijden. Het lijkt soms allemaal wat “on-Nederlands”. We zijn een beetje gewend om vooral het feit dat je je best doet te waarderen. Het resultaat is daaraan ondergeschikt. Dan wordt het ook moeilijk om te spreken van “de beste” en zijn we al snel “allemaal winnaars”.  De olympische gedachte dat meedoen belangrijker is dan winnen viert in dat opzicht al snel hoogtij.

Maar tegelijk horen we maar al te vaak dat studenten in het MBO uitdaging missen. Toen ik Maurice een paar weken geleden sprak, maakte hij me al snel duidelijk dat het zijn ambitie is om een geweldige vakman te worden. Gewoon “de beste zijn”, als Sven Kramer dat mag zeggen, waarom Maurice dan niet? En al die andere jongens en meiden die hier in Göteborg strijden om podiumplekken. Dat zijn geen “toppertjes” dat zijn topsporters!

En ik hoop gewoon dat Maurice daarbij zondag een gouden plak op mag halen….

img_0153

 


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën