Kleine scholen: zegen of vloek

Tweede kamerleden van de PvdA stelden gisteren vragen aan de minister van onderwijs. Aanleiding vormden noodsignalen die vanuit het onderwijs klinken omtrent de gevolgen van de krimp in bepaalde gebieden van Nederland. Die krimp zou een bedreiging vormen voor het bestaan en de kwaliteit van scholen in die krimpgebieden.

Wat betekent het om een kleine school te worden? In elk geval is het duidelijk dat té klein evengoed problemen oplevert als té groot. Tegelijk maken mensen in de desbetreffende dorpen duidelijk dat zij zeer hechten aan de aanwezigheid van deze kleine dorpsscholen. Het wordt door velen gezien als een voorwaarde voor en/of teken van leefbaarheid in die dorpen. Verdwijnt de school dan verdwijnt de ziel uit het dorp,dan gaat de gemeenschap(szin) verloren.

Mét de vragenstellers die me tot dit blog brachten, ben ik van mening dat er twee zaken om aandacht vragen:

  • Kunnen deze zeer kleine scholen de kwaliteit van het onderwijs voldoende waarborgen?
  • Hoe kunnen we zorgen dat deze scholen over voldoende middelen (blijven) beschikken om kwaliteit te (blijven) leveren?

Daarover een paar gedachten.

Uiteindelijk moet een kind evenveel kans hebben op kwaliteitsonderwijs ongeacht de vraag op welke school het zit. Alhoewel ik niet 100% gecharmeerd ben van de gangbare meetmethoden in het onderzoek naar onderwijskwaliteit, kun je stellen dat alle scholen,ongeacht hun grootte, aan dezze normen dienen te voldoen. Dus goede CITO-scores, voldoende inspectiebeoordelingen, etcetera.

In elk geval zou het goed zijn om daarbij meer aandacht te besteden aan de toegevoegde waarde van een school. Dat betekent:

  • dat je rekening houdt met de situatie waarin kinderen de school binnenkomen
  • dat je rekening houdt met de context waarin kinderen hun schoolloopbaan doorlopen
  • dat je rekening houdt met de mogelijkheden die een school heeft om de ontwikkeling van kinderen positief te beïnvloeden (bijvoorbeeld het feit dat sommige scholen over meer extra faciliteiten beschikken, moet zorgen dat zij ook een grotere toegevoegde waarde realiseren)

Alhoewel je dus rekening moet houden met de context waarin het onderwijs verzorgd wordt, bijvoorbeeld die van een kleine school, kán het toch niet zo zijn dat we accepteren dat aan kinderen op die scholen minder kwaliteit geleverd wordt!

We zullen dus moeten zorgen dat deze scholen in staat geacht kunnen worden om goede kwaliteit te leveren. Wat we nu zien gebeuren is dat op kleine scholen een relatief groot deel van de beschikbare tijd besteed moet worden aan zaken die niet direct de kinderen ten goede komen. Kleine scholen beschikken niet over iemand op de administratie, over een conciërge, over een ICT-deskundige, en ga zo maar door. Toch moeten op die scholen allerlei taken uitgevoerd worden die bij deze functies passen. En dat gebeurt nu dus door de directeur, die dan dus niet de docenten kan ondersteunen bij het leveren van kwaliteit, of door docenten, die die tijd dus niet kunnen besteden aan de kinderen en het onderwijs.

Kleine scholen kunnen nu vaak blijven bestaan, omdat ze onderdeel vormen van een groter bestuur. Het worden dan nevenvestigingen, waardoor ze met minder leerlingen voor bekostiging in aanmerking blijven komen. Het probleem is dat ze dan een soort van “vaste voet” in de bekostiging mislopen. En juist die vaste voet kan besteed worden aan taken zoals ik eerder noemde. De oplossing lijkt simpel: maak uitspraken omtrent investeren in onderwijs waar! Geef ook de kleine scholen een budget voor ondersteunende taken. Daarmee geven we het onderwijzend personeel de tijd terug om daadwerkelijk aan kinderen en onderwijs te besteden. Bovendien geven we daarmee anderen de kans om in aanmerking te komen voor nu niet bestaande banen. Anderen, die wellicht nu ondanks alle moeite niet aan de bak komen in een functie die bij hen past. De vraag die dan blijft is in hoeverre kleine scholen koste wat kost in stand gehouden moeten worden. Daarvoor zou je enkele criteria moeten ontwikkelen. Een aanzet:

  • scholen die een groeiperspectief hebben op basis van de gebieds- en bevolkingsontwikkeling in hun omgeving
  • scholen die als enige in een straal van …. km staan
  • scholen die aantonen goede kwaliteit te kunnen bieden, ondanks hun (zeer) geringe omvang

1 Response to “Kleine scholen: zegen of vloek”


  1. 1 Michel Wouters 21 februari 2011 om 17:26

    Beste Frank,
    Ik ben het eens met jouw betoog.Ieder kind heeft recht op goed onderwijs. Indien de overheid bepaalt dat een school te klein is om i stand te houden dan is het gewenst kritisch te kijken naar de criteria die hertoe aanleiding geven. Alleen het aantal leerlingen tellen is volstrekt onvoldoende. Wellicht is het haalbaar om uit te gaan van een vaste voet voor ondersteunende diensten. Ook kan het zo zijn dat individuele scholen smane kijken naar het vormgeven van ondersteunende taken. Dit kan de hoogte van de door jou voorgestelde vaste voet positief beïnvloeden.
    Groeten,

    Michel


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s




Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën


%d bloggers liken dit: