Archive for the 'Losse onderwerpen' Category



Het kan dus toch anders!

De uitzending van Nieuwsuur over het Zweedse Handelsbanken houdt me stevig bezig. Nooit eerder bekeek ik een item twee keer via uitzendinggemist, waarvan de tweede keer met aantekenblokje erbij. Voor de volledigheid hier een link naar deze uitzending: http://nieuwsuur.nl/video/248713-portret-van-een-bijzondere-bank.html
Op verschillende manieren zien we dat we momenteel in allerlei sectoren een crisis kennen. Daar is die grote internationale, economische en financiële crisis, die zich toespitst op de situatie in en rond Griekenland. Tegelijk zien we in Arabische landen een opstand van, met name jonge, mensen die volwaardig deel willen nemen aan de moderne wereld. Maar ook binnen ons eigen land zien we natuurlijk dat het nog steeds niet goed gaat. De banken en andere financiële instellingen lijken hun gedrag van enkele jaren geleden weer even snel op te pakken als ze het lieten vallen toen het even niet meer kon. Binnen de publieke sector kunnen we de ogen niet blijven sluiten voor het feit dat belastinggeld niet direct gebruikt wordt voor datgene waar het voor bedoeld is, maar (tot ergernis van velen) voor zelfverrijking aan de top, terwijl de werkvloer soms lijdt onder steedskleinere budgetten . Het kan, een bank zonder bonus

De genoemde uitzending maakt duidelijk dat het mogelijk is om afscheid te nemen van vanzelfsprekendheden. Bankiers kunnen prima functioneren zonder bonussen. Banken kunnen prima renderen zonder de verkoop van producten die vooral bedoeld zijn om klanten op kosten te jagen. Banken kunnen overleven als ze vooral denken aan wat goed is voor de klant inplaats van aan wat geld oplevert voor de bank.

Maar de bankenwereld is mijn wereld niet, ook al bekijk ik hem met interesse. De reportage bracht mij vooral op de vraag wat we in de publieke sector kunnen leren van Handelsbanken uit Zweden. Naast de uitzending van Nieuwsuur vond ik een wat ouder artikel in VKbanen: “Het kan, een bank zonder bonus”http://www.vkbanen.nl/banen/artikel/Het-kan-een-bank-zonder-bonus/100064.html
Op basis van deze twee bronnen haal ik een aantal elementen naar voren die we zouden kunnen vertalen naar de publieke sector.
  1. Er is geen sprake van bonussen en/of van overbodige producten. Op die manier kan het belang van de klant centraal blijven staan. Het gaat om de vraag wat goed is voor de klant, niet om de vraag wat je aan een klant kunt verdienen.
  2. Werken volgens het “kerktorenprincipe” betekent dat je vanaf de kerktoren alle klanten moet kunnen zien. “Als je je klant niet kent, kun je ook geen zaken voor hem doen”.
  3. Keep it simple! Beoordeling gebeurt aan de hand van drie overzichtelijke criteria. Bji de handelsbanken is dat:
    1. Zijn de klanten tevreden?
    2. Zijn de inkomsten hoger dan de kosten?
    3. Is de boel administratief op orde?
  4. Er is sprake van verregaande decentralisatie, waarbij de macht bij de filialen ligt.
  5. Er is sprake van transparantie en “menselijkheid:
    1. Filialen hebben inzicht in elkaars kosten
    2. De prestaties worden gepubliceerd, niet om af te rekenen, maar om elkaar tot steun te zijn.”
    3. De directeur die niet verbeterd wordt eerst geholpen en dan eventueel in een andere functie geplaatst. Ontslaan doen ze niet aan!
    4. Je hoeft niet de beste te zijn, als je maar progressie boekt.
Het moet toch te doen zijn om ook een school (ziekenhuis, verzorgingshuis, woningcorporatie, ….) op basis van deze elementen te organiseren. Ik ga er eens stevig over nadenken en hoop op suggesties en natuurlijk op kanttekeningen!

Hoe groots en meeslepend wil je zijn?

Gisteren las ik dat de Heerenveense Ondernemers Vereniging tegen nieuwbouw van Thialf bij het Abe Lenstra Stadion is. In plaats daarvan kiezen de ondernemers voor renovatie van het huidige ijspaleis.

Via Twitter stelde ik de vraag welke argumenten daarvoor te geven waren, vanuit het perspectief van de ondernemersvereniging. Jammer genoeg kreeg ik ze niet te horen.

Wel reageerde een ander met de volgende twee argumenten:

  1. de exploitatie van nieuwbouw zou niet rond te krijgen zijn
  2. bewoners zijn tegen de (duurdere) nieuwbouwvariant
  3. niet alles hoeft gecentraliseerd te worden

Terecht stelde deze tweep de vraag naar mijn standpunt. Maar die vraag stellen is makkelijker dan hem beantwoorden. Ik ben een buitenstaander. Ik vind dat je vooral naar de rationele argumenten moet kijken en je niet moet blindstaren op emoties en beleving, zoals volgens mij nu veel te vaak gebeurt.

Maar helemaal zijn deze zaken natuurlijk ook niet uit elkaar te halen. Het begint er immers allemaal mee wat je, in dit geval met de gemeente Heerenveen, neer wilt zetten. Welke uitstraling wil je hebben? Wat moeten mensen beleven als ze de naam Heerenveen horen?

Daarin zit een discrepantie. Heerenveen is een dorp. 40.000 inwoners, verdeeld over een aantal dorpen, met een grote kern van 28.000 inwoners. Op dit punt vergelijkbaar met Houten, mijn vorige woonplaats.

Maar als je mensen van verder weg vraagt, maak ik me sterk dat ze Heerenveen en Houten niet als vergelijkbare dorpen zullen noemen. Het aantal inwoners van Heerenveen zal eerder geschat worde in de buurt van de 100.000 dan onder de 50.000. Bij Houten is misschien wel het omgekeerde het geval.

Deels heeft dat te maken met d eligging. Houten ligt onder de rook van Utrecht en dan ben je al snel niet meer dan een voorstad/slaapdorp/forensendorp. Heerenveen ligt in Friesland. Friesland wordt gekend aaan haar kernen, meer dan aan haar gemeenten. Meestal hebben die gemeenten een naam die buitenstaanders niet kennen, laat staan waarvan ze weten wat het inhoudt. En Heerenveen is dan toch een relatief grote kern binnen de Friese context.

Daar komt bij dat iedereen Heerenveen kent. Dat kan alleen maar liggen aan twee grootheden binnen de gemeente: SC Heerenveen en Thialf. Dat zijn zaken die mensen al snel koppelen aan een grote stad en niet aan een dorp.

En dan kom je dus uit  bij die eerder genoemde discrepantie. Heerenveen is een dorp met stadse uitstraling en ambities. De combinatie van die uitstraling met de goede ligging maakt Heerenveen ook nog eens een geschikte vestigingsplaats voor ondernemingen.

Als we een besluit over Thialf moeten nemen, is deze achtergrond van belang. Wat kan dit beeld, een combi van dorpse en stedelijke karaktertrekken, verder tot bloei brengen?

Op de wijk af

Morgen ga ik naar het buurthuis in de Wielenpolle, een wijk in Leeuwarden. Al eerder schreef ik een blof onder de titel “De wijk als leerbedrijf”. Na een paar gesprekken met mensen van de gemeente, afdeling welzijn, ga ik er nu dus echt “opaf”. Ik heb er zin in en het houdt me bezig.

Die term “eropaf” kom ik plotseling nogal vaak tegen:

  • De gemeente Leeuwarden werkt met de zogenaamde “frontlijnaanpak”. De brochure waarin ze deze presenteren heeft als titel “Eropaf“.
  • Enkele weken geleden stond een interview in de Volkskrant met de cultuursocioloog Jos van der Lans. Hij schreef een boek: “Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk”.
  • Naar aanleiding van dat interview/boek schreef Pieter Hilhorst vandaag een column in de Volkskrant onder de titel “Eropaf

Voor mij is de kern van deze benadering een combinatie van:

  • actief de mensen opzoeken, contact leggen en ondersteuning bieden, waarbij je behoorlijk “dichtbij probeert te komen”
  • de ondersteuning zodanig vormgeven dat alles erop gericht is om mensen in staat te stellen zonder ondersteuning zo volwaardig mogelijk te participeren in omgeving, buurt, stad.

Wat is volgens mij de positie van een ROC hierbij?

  1. In de desbetreffende wijk(en) wonen cursisten die bij ons hun opleiding volgen. Gaat het beter met de wijk dan kunnen zij daar ook van profiteren en beter deelnemen aan het onderwijs dat wij aanbieden.
  2. Als grote organisatie in een stad heb je volgens mij een maatschappelijke verplichting om een bijdrage te leveren aan het welzijn van (de mensen in) die stad.
  3. Het werken in zo’n wijk biedt een scala aan mogelijkheden om de opleiding van onze cursisten levensechter (en dus zinvoller, spannender, leuker, motiverender) te maken.

We gaan ervoor. Ik meld me weer.

Helpen digitale media bij kennisontwikkeling?

Vandaag ontving ik een vriendelijk bericht, waarin onder andere verwezen werd naar mijn “webactivity”, zoals de schrijver het noemt. Hij sprak er waardering over uit (altijd mooi) en betwijfelde of het echt zou helpen (“bedankt voor de moeite, maar het is verspilde energie”).

” Ik twijfel aan het nut van uitgebreide uitwisseling van ideeën via het web”, was de stelling die me triggert. waarom doe ik het eigenlijk allemaal? Twitter? Linkedin? Weblog? MSN?

Nou weet ik sowieso niet of het nodig is dat het allemaal nut heeft. Moet je jezelf die vraag wel bij alle activiteiten stellen?

Tegelijk merk ik dat mijn bezigheden op internet een onderdeel zijn van mijn eigen gedachtenvorming. Dat gebeurt op verschillende manieren:

  • MSN is gewoon een manier van converseren. Toch mooi dat je op die manier minder tijd en plaats afhankelijk bent.
  • Twitter is voor mij een soort dagboek, waarin ik activiteiten en gedachten vastleg.
  • Tegelijk is het een forum waarop je (wat korter dan via MSN)op eklaars gedachten en ideeën kunt reageren.
  • Het weblog is op de eerste plaats een instrument waarop ik probeer wat langer stil te staan bij datgene wat me bezighoudt. Daarvoor hoeft het niet eens gelezen te worden.
  • Maar ik hoop wel op lezers en vooral op reageerders. Dat zijn er nooit veel. Ik zie ook wel dat er miljoenen blogs zijn en dat je dus niet zomaar bij die van mij terecht komt. Maar nieuwsgierig naar reacties ben ik wel.
  • Linkedin is meer een netwerk waar ik hoop mensen te “ontmoeten” die iets met elkaar delen. Vanuit dat delen kom je met elkaar in contact en tot “iets”: afspraken, uitwisseling van ideeën, kennismaking met elkaar, etc.

Ik denk dat er via al deze media ideeën geboren (kunnen) worden. Of dat gebeurt is even voorspelbaar als de vraag of het gebeurt als mensen elkaar in de kroeg tegenkomen en met elkaar in gesprek raken.

Ik zie niet in waarom de kansen van digitale conversatie per definitie minder zijn. Dat neemt niet weg dat digitaal verkeer wat mij betreft ook de behoefte doet ontstaan aan life-contact. Mooi toch?

Uitstel en afstel als reactie op crisis

Een paar lokale berichten van deze week:

  • een aantal plekken in het centrum wordt niet opgeknapt, waardoor de kern uit het plan om het centrum van Heerenveen levendig en leefbaar te maken wegvalt
  • woningen voor zorgbehoevenden bij een zopas gerealiseerd multi-functioneel centrum worden niet gebouwd omdat de betrokken woningbouwvereniging zich terugtrekt
  • de keuze voor verbouw of nieuwbouw van Thialf is een jaar uitgesteld

Het is logisch dat je niet alles kunt als er een crisis bestaat. Gemeenten moeten het met minder doen en dat betekent ook dat ze minder moeten doen.

Maar maken we hier wel goede keuzes? Zijn we niet te voorzichtig? Om door de crisis te komen is meer nodig dan beheersing. Volgens mij heb je ook lef nodig. Lef om te kiezen voor doorontwikkelen. Lef om gebruik te maken van het feit dat zaken nu goedkoper en sneller te realiseren zijn dan in de situatie van een overspannen opdrachtenmarkt waarin we de afgelopen jaren gezeten hebben.

Het is mijn expertise niet, maar het lijkt me allemaal onlogisch en onverstandig. In ieder geval wordt het er allemaal niet mooier op in ons dorp (en dat blijft het dus).

Herstelalfabet

In beschouwingen over de economische crisis worden diverse scenario’s vaak aangeduid met een letter uit het alfabet. Een korte uitleg:
– V-vormig: het herstel gaat even snel als het inzakken
– W-vormig: na enig herstel een nieuwe terugval en daarna pas krachtig herstel
– U-vormig: een meerjarige kwakkelperiode en daarna pas herstel
– L-vormig: een langjarige recessie
Misschien bestaan er nog meer, maar hier kan ik wel even mee vooruit.
De vraag waar ik hier bij stil wil staan is of we hiermee ook de situatie van onze school kunnen duiden. We hebben een aantal jaren achter de rug waarin het, als we naar een aantal koude cijfers kijken, niet voor de wind ging. Het aantal cursisten nam af en daarmee de opbrengsten. Tegelijk stonden we in de belangstelling vanwege kritiek op onderwijskwaliteit en rendement.
Inmiddels lijkt het herstel ingezet. Cursistenaantallen groeien, met name vanwege een stijgend rendement en een vermindering van het voortijdig schoolverlaten. Dat leidt vervolgens tot een groei van de opbrengsten, maar hopelijk ook tot een verdere verbetering van ons imago bij externe stakeholders.
Belangrijk is dat je kiest voor een beleid dat past bij de wijze waarop het herstel zich ontwikkelt. Dat is moeilijk te voorspellen. Dat vraagt dus om een voortdurend in beeld hebben van relevante ontwikkelingen zodat je daarop in kunt blijven spelen.Verbetering van de activiteiten in het kader van planning en control en frequente, heldere managementrapportages moeten ons daar de komende tijd toe in staat stellen. Alleen dan kunnen we inspelen op mee- en tegenvallers.
Voor het herstel zoals zich dat nu lijkt af te tekenen kan ik moeilijk een letter vinden. Het zit tussen de V en de L in, waarbij ik een korte terugval niet uit wil sluiten. En dat alles na een forse terugval in de jaren 2006-2008.
We zullen hoe dan ook tijd nodig hebben om er uit te komen. Die tijd moeten we onszelf en elkaar gunnen. We moeten ervoor zorgen dat onze omgeving ons die tijd gunt. En we moeten ons niet in slaap laten sussen: verslappen betekent terugvallen en daarvoor ontbreekt het aan reserves.
En in die tijd moeten we balanceren tussen ruimte voor verdere kwaliteitsverbetering en strengheid voor verbetering van onze financiële positie.

Elite: afstand houden of verbinding maken?

Natuurlijk klopt de titel niet. Het is nooit een kwestie van of-of. Maar het is wel een kwestie die in mijn hoofd achterblijft na lezing van een interview met Paul Frissen in de Volkskrant van 7 november.

Enkele citaten van deze hoogleraar Bestuurskunde:

“Er is helemaal geen kloof (tussen politieke elite en burger). De politiek zit tot in de haarvaten van de samenleving.”

“De politieke elite kan geen afspiegeling zijn van het volk, omdat elk individu anders is en ‘de’ volkswil niet bestaat, …”

Het artikel spreekt me aan. Frissen geeft woorden aan gevoelens en vage ideeën die in mijn hoofd zitten. Ik koppel het aan een paar zaken:

  • Het laten kiezen van alle bestuurders is een slechte zaak, omdat het leidt tot puur kwantitatief denken: welke combinatie van minderheden kan een meerderheid vormen? Zonder inhoudelijk debat, zonder dat belangen van alle minderheden bewaakt worden en meegenomen worden in besluitvorming.
  •  Beleidsontwikkeling kan niet puur “bottom up” plaatsvinden. Besturen betekent niet alleen luisteren en doen wat je gehoord hebt. Besturen betekent ook impopulaire maatregelen nemen als daarmee de verzamelde belangen van alle betrokkenen in beeld gehouden worden en als daarmee de duurzaamheid van de organisatie het beste gediend is.

Frissen koppelt zijn pleidooi aan een opsomming van kwaliteiten die in bestuurders herkenbaar moeten zijn. Nog een citaat:  “bescheidenheid, terughoudendheid, zelfbeheersing, zelfbeperking, voortreffelijkheid, deugdzaamheid, tolerantie, elegantie, hoffelijkheid, verdraagzaamheid, prudentia”. Tja, dat is nogal wat. En toch zou ik er nog één aan toe willen voegen: lef en moed om kritiek te ontvangen.

Daarover in dezelfde krant een artikel over vervanging van management bij bedrijven als Shell op het moment dat er nieuwe topbestuurders komen. Een echte top-bestuurder zorgt volgens mij dat er twee soorten mensen om hem heen zitten:

  • mensen die de geschiedenis van de organisatie niet alleen kennen, maar ook belichamen
  • mensen die vanuit hun eigen deskundigheid bazen tegenspreken

Ik betwijfel of dit selectiecriteria waren bij Shell….

Bevoegd en/of bekwaam

Volkskrant van zaterdag: ingezonden brief van docent klassieke talen. Korte inhoud: “Ik heb tevreden collega’s, leidinggevenden, leerlingen en ouders; ik doe mijn werk met plezier; ik ben zelden ziek. Maar ik heb geen formele bevoegdheid. Dat kwam er niet van, alhoewel ik diverse cursussen en trainingen wél gevolgd heb. En nu word ik digitaal aan de schandpaal genageld omdat scholen moeten publiceren welke docenten onbevoegd lesgeven.”

De brief raakte mij. Onze regeldrift raakt deze man. Een enthousiaste leraar die zich onrechtvaardig behandeld voelt. Mijns inziens terecht. Haagse regeldrift en de belangenbehartiging van vakbonden leiden ertoe dat we onszelf wijsmaken dat een diploma hét bewijs van bekwaamheid is. Terwijl we toch allemaal roepen dat je het vak pas echt onder de knie krijgt in de praktijk. Daar ben ik het hartgrondig mee eens.

Sterker nog, ik heb me regelmatig afgevraagd wat ik eigenlijk aan de lerarenopleiding gehad heb in de praktijk. De vakken die ik daar kreeg stonden mijlenver af van de praktijk waar ik in terechtkwam. Enige boekenwijsheid heb ik meegekregen, maar daar waar vakken een verbinding probeerden te leggen met mijn toekomst voor de klas zijn ze volgens mij fors tekortgeschoten.

Niet het diploma was het bewijs dat ik het kon. Dat was Ahmed, een jongen die bij het verlaten van de school tegen me zei dat ik hem door een moeilijke tijd geholpen had door hem te begeleiden en les te geven.

Lege stoelen

Onder deze titel schreef ik zojuist een korte blog op ons intranet. Aanleiding was de bijeenkomst van afgelopen middag onder de titel “CvB in gesprek met medewerkers”. We organiseerden die voor de derde keer. En de titel geeft weer wat we zagen. Kortom: geen opkomst.

Op intranet vraag ik naar reacties. Ik zoek oorzaken. Wat missen we? Is het iets praktisch? Is het een bepaald sentiment dat we niet herkennen? Ik weet het niet en wil het weten.

En hoe zit het als ik het thema verbreed? Bestuurders die in contact willen komen met “de werkvloer”, zitten mensen daar op te wachten? Spelen we in op een daadwerkelijk bestaande behoefte? Soms denk ik dat mesnen gewoon zoveel mogelijk ongestoord hun werk willen doen. Dat ze van ons verwachten dat we ze daartoe in staat stellen. En zo’n bijeenkomst is dan eigenlijk gewoon een storend element. Eigenlijk zouden wij ons beter met ons echte werk bezig kunnen houden. Hebben we niks beters te doen?

Maar weet je … ik baal van bestuurders die alleen maar besturen op afstand. Ik vind de organisatie ingaan een kernelement van ons werk. Ik ben nieuwsgierig naar de mensen, naar alle mensen. En ik wil niet alleen door directeuren geïnformeerd worden over wat er gebeurt binnen de school.  Daar haal ik energie uit en ik denk dat het gewoon een min of meer vanzelfsprekend onderdeel van het werk is. Niet iets extra’s. Niet iets bijzonders. Gewoon iets dat erbij hoort en ook nog leuk is.

Is dat nou zo bijzonder? Zie ik iets ove rhet hoofd?

Een mooie ontmoeting die tot nadenken stemt

Het zijn hectische dagen. Veel tijd gaat zitten in zaken als organisatie, financiën, huisvesting. Da’s de kern van mijn werk, maar we zijn erg druk met het bestirjden, voorkomen en verkleinen van problemen. Veel ad hoc werk ook.

Wat moet dat moet, dus van mij geen klachten daarover. Maar afgelopen week was er in ieder geval één gesprek dat over hele andere dingen ging. En dat gesprek gaf echt een goed gevoel.

Wat was er dan aan de hand? Ik sprak een vrouw die haar tijd verdeelt tussen Nederland en Kenia. In beide landen werkt ze in haar eigen bedrijven. In Kenia koppelt ze dat aan initiatieven om de leefomstandigheden in de desbetreffende regio te verbeteren. Woningen bouwen, onderwijs- en zorgvoorzieningen, energie- en waterlevering, verzorging en welzijn, ICT, toerisme en hotel … kortom alles kwam langs.

En eigenlijk had ze een eenvoudig punt: ik heb jullie stageplaatsen te bieden voor al die terreinen. En dat vroeg ze dus op een manier die zorgde voor een lading enthousiasme. Vanochtend bleek het te lukken om dat enthousiasme op een aantal mensen over  te brengen. Voelde lekker toen dat lukte. Betkent ook weer kansen op een inspirerend project in het buitenland. Nieuwe kansen op leren voor onze eigen docenten en cursisten, maar ook van ebtekenis zijn voor mensen in Kenia.

Het doet me denken voer de vraag wat enthousiasme veroorzaakt. Als ik kijk naar dit voorbeeld:

  • contact met betrokken en enthousiast persoon
  • kansen zien om betekenis te hebben voor anderen
  • kansen zien om iets te ontwerpen wat de school tot een aantrekkelijke plaats om te zijn maakt
  • een combinatie van zakelijkheid en idealisme
  • kansen zien op nieuwe ontmoetingen buiten het gangbare circuit

Dat zet mij dus in beweging. Hoe is dat voor anderen????


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën