Archive for the 'MBO blogs' Category



Verdwijnen MBO-banen vraagt breed offensief i.p.v. één oplossing

Dit wordt een somber bericht, maar ook een oproep tot actie. Een vraag om op te tellen i.p.v. te kiezen.
Gisteren zag ook ik de reportage in Nieuwsuur: 500.000 MBO-banen verdwijnen in de toekomst.
NIeuwsuur
Mijn eerste reactie: dit was al bekend, maar wie komt er met een oplossing? Verder denkend verander ik die vraag in:
– Is er wel een oplossing?
– Is er wel één oplossing?
Laat ik daar eens bij stilstaan …

Is er wel een oplossing?
Gesprekken over dit probleem gaan maar al te vaak over verkeerde keuzes van jongeren, van scholen of van bedrijven. Te vaak wordt voor een populaire studie gekozen. Er wordt te weinig gekeken naar het perspectief op werk. Bedrijven zijn te veel met de korte termijn bezig. Scholen willen alleen maar zoveel mogelijk studenten inschrijven.
Maar zit daar het probleem wel? En daarmee ook … moeten we daar de oplossing zoeken?
Is het niet zo dat het verdwijnen van banen leidt tot een situatie waarin er meer mensen naar een baan zoeken dan er banen beschikbaar zijn? Denk niet aan een bepaalde sector, maar “gewoon” aan het totaal! Als dat zo is, hebben we niets aan betere keuzes of een betere afstemming tussen school en bedrijf. Dan zijn er “gewoon” meer mensen dan banen.
Dat betekent dus dat de oplossing gezocht zou moeten worden in:
– minder mensen (lastig voor elkaar te krijgen en nog lastiger te regelen)
– mensen die minder werken (slecht voor de economische groei als minder werken ook leidt tot minder productiviteit)
– meer banen (maar die moeten dan wel geschikt zijn voor de mensen die nu buiten de boot dreigen te vallen)

Is er wel één oplossing?
De meest gehoorde oplossingen tot nu toe vat ik als volgt samen:
1. In de techniek zijn banen genoeg, dus zorg voor het juiste keuzegedrag. Dwing jongeren desnoods om voor bepaalde sectoren te kiezen. Sluit opleidingen die onvoldoende perspectief op werk bieden.
2. Zorg dat jongeren hun opleiding op een hoger niveau afsluiten. Daarmee sluit hun diploma meer aan op de vraag naar hoger gekwalificeerd personeel vanuit de bedrijven.

Bij beide oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
1. De vraag naar mensen in de techniek varieert sterk per regio. Onlangs verscheen een rapport bij SER Noord Nederland waarin geconstateerd wordt dat er de komende tijd eerder sprake zal zijn van een overschot aan MBO-ers dan een tekort. Advies SER-NN
2. Opleiden op een hoger niveau is een goede zaak, maar we moeten niet de illusie hebben dat het haalbaar is om dat voor iedereen te laten slagen. Om het populair te zeggen: we kunnen niet iedereen slimmer laten worden…

Zo kun je nog even doorgaan. Er zijn meer oplossingen denkbaar. En bij al die oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
3. Biedt het terughalen van industrie die eerder geoutsorced werd voldoende volume om het verlies aan banen te compenseren?
4. Zijn de desbetreffende banen op het niveau van de banen waar we nu zo massaal aan verliezen? Of komen er in ruil voor het verlies op MBO 2/3 banen op MBO+ of HBO niveau terug?
5. Zijn er banen te realiseren door binnen huidige werkprocessen door middel van job carving functies te creëren op MBO 2/3 niveau? Valt dat binnen de mogelijkheden van een bedrijf? Ten koste waarvan gaat dat? Hoeveel banen zijn op die manier te realiseren?

Wellicht valt er meer te bedenken …
6. Wat kan het investeren op maakindustrie en ambachtelijke beroepen aan (nieuwe) banen opleveren?
7. Hoe kunnen we de effecten van verdringing van hoog naar laag beperken of voorkomen?
8. Hoe kunnen opleidingen zorgen dat mensen flexibeler inzetbaar zijn in een steeds sneller veranderende beroepenwereld?

Ik sluit af met een paar voorzichtige conclusies:
– Het probleem is complex en dé oplossing is niet voorhanden.
– De discussie moet zich niet richten op de vraag welke oplossing de beste is, maar hoe we zoveel mogelijk eventuele oplossingen in praktijk kunnen brengen onder het motto “alle kleine beetjes helpen”.
– De verschillen, zelfs binnen een klein land als Nederland, zijn groot. Dat vraagt om veel ruimte voor de regio om daar passende maatregelen te nemen.
– Die maatregelen gaan alleen helpen als partijen, zoals onderwijs, overheid en ondernemers, niet naar elkaar kijken maar met elkaar de handen ineen slaan. We zullen het samen moeten doen!

Onderwijsteams – geen panacé of wondermiddel, wel een belangrijk instrument

Ik weet niet hoe het in andere sectoren zit, maar in het mbo is ondubbelzinnig gekozen voor het onderwijsteam als kern van de organisatie. Dat is zelfs vastgelegd in de CAO en nader uitgewerkt in een professioneel statuut dat onder andere een aantal bevoegdheden van het onderwijsteam regelt.
Een goede zaak dat de kern van het werk neergelegd bij de professionals. Maar tegelijk een stevige opdracht voor diezelfde professional. Het geven van bevoegdheden gaat immers altijd gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid en het afleggen van verantwoording. Voor de individuele docent betekent dat:
– Ik mag iets.
– Ik moet zorgen dat ik het dan ook goed kan.
– Ik moet laten zien dat het dan ook goed gebeurt
Daarmee wordt het werk van de docent steeds meer vergelijkbaar met dat van professionals in andere beroepen. Maar er zit nog een addertje onder het gras. In deze drie zinnen zitten twee woorden die om inhoud vragen:
– “iets”: wat is het dan wat de docent/het team mag? Met andere woorden, welke bevoegdheden komen daar nu precies te liggen?
– “goed”: wanneer is het goed? Met andere woorden, welke normen hanteren we om de kwaliteit van het werk in beeld te brengen? En niet te vergeten … wie bepaalt die normen?
Ondanks deze vragen en onzekerheden beschouw ik mezelf als een verklaard voorstander van onderwijsteams die het voortouw nemen bij onderwijsontwikkeling en –uitvoering. Dat vraagt een omslag in de organisatie die ik weergeef met de transitie “van regisseren naar faciliteren”. Daarbij weet ik dat, zoals alles wat je kort probeert te zeggen, ook dit weer vervormd zal worden als mensen proberen hun gelijk te halen.

Vanuit deze invalshoek zal ik ook denken als ik ten behoeve van een artikel over onderwijsteams in het mbo binnenkort geïnterviewd wordt. Daarvoor heb ik hieronder op basis van enkele vragen nog wat gedachten proberen te ordenen.

Wat zijn de ervaringen uit de praktijk?
De onderwijsteams een centrale positie geven in de organisatie brengt een aantal voordelen met zich mee:
– Docenten worden (weer) (meer) eigenaar van het primaire proces en minder uitvoerder van andermans ideeën.
– Docenten gaan meer samenwerken, waardoor de nadruk minder op het geïsoleerde vak ligt, maar meer op de relatie van dat vak met het beroep waarvoor opgeleid wordt.
– Samenwerking kan vrij snel leiden tot minder dubbelingen en betere afstemming van lesinhouden. Daardoor wordt het bestaande aanbod efficiënter en ontstaat ruimte voor nieuwe inhouden die het programma uitdagender (kunnen) maken.
Wat het lastig maakt is dat teams, hoe zorgvuldig je ze ook samenstelt, onderling sterk verschillen. In je beleid kun je niet net doen alsof die verschillen er niet zijn, of (gemakshalve) maar kiezen voor “het gemiddelde”. Die uitdaging is te vergelijken met de uitdaging voor docenten om rekening te houden met de verschillen tussen studenten. Die verschillen vragen om een andere vorm van begeleiding/leiderschap, maar stellen ook grenzen aan ambities op het gebied van haalbaarheid en wenselijkheid.

Worden de resultaten van scholen beter nu onderwijsteams verantwoordelijk zijn voor het onderwijsproces?
– Daadwerkelijke verbetering van resultaten is geen kwestie van een snelle verandering van de organisatie. Dat vraagt om een cultuurverandering die tijd kost.
– Tegelijk zie je wel dat teams een belangrijke rol (kunnen) spelen, bijvoorbeeld bij het verminderen van voortijdig schoolverlaten. Juist in een team kan snel gesignaleerd worden dat iemand dreigt af te haken. Daar kunnen dan ook afspraken gemaakt worden over een (gezamenlijke) aanpak om dat afhaken te voorkomen.
– Daarnaast zijn met teams beter afspraken te maken over onderwijsontwikkeling. Die moet immers juist de grenzen van vakken overstijgen, als je wilt dat ontwikkelingen inspelen op datgene wat zich in de omgeving van de school voordoet.

Hoe zorgen schoolbestuurders ervoor dat onderwijsteams voldoende professionele ruimte hebben om invulling te geven aan het Professioneel Statuut?
Als schoolbestuurder mag van je verwacht worden dat je alles in het werk stelt om studenten het best mogelijke onderwijs te bieden. Zoals hierboven gesteld, denk ik dat werken in teams daarbij een belangrijke rol kan spelen. Om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken is het van belang dat zorggedragen wordt voor een aantal zaken:
– Duidelijke afspraken m.b.t. “wie gaat waarover” (CvB – leidinggevende(n) – OR – teams)
– Continuïteit qua teamsamenstelling
– Diversiteit qua teamsamenstelling, op veel vlakken (leeftijden, achtergronden, ervaring, teamrollen/affiniteit/deskundigheid)
– Continuïteit qua en kwaliteit van leidinggevende(n)
Dit klinkt volgens mij heel logisch en tegelijk zien we in de praktijk dat het soms moeilijk is om deze vanzelfsprekendheden voor elkaar te krijgen. Het blijft mensenwerk en de omgeving van scholen kan vrij turbulent zijn. Dat betekent dat je nog zo zorgvuldig kunt plannen, samenstellen, etcetera, maar steeds weer doen zich dingen voor, hetzij in persoonlijke sfeer, hetzij in de omgeving van de school, die nopen tot aanpassing. Los van de genoemde zorg voor duidelijkheid is het dus nodig om flexibel te blijven in de organisatie, maar ook in de houding van mensen die steeds weer om moeten kunnen blijven gaan met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen.
Dat lukt alleen als we vertrouwen in elkaar houden en vanuit dat vertrouwen met elkaar een open en professioneel gesprek aan (blijven) gaan.

Ruim baan voor het ambacht, maar verwacht geen wonderen

Onlangs las ik de reactie van het kabinet op het SER-advies “Handmade in Holland, vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie”. Een belangrijk advies (en dus ook een belangrijke reactie) want het gaat over de visie op onze economie van nu en straks. Die visie spitst zich hier toe op de positie van het ambacht in die economie.
Wie de reactie leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het ambacht de reddingsboei is die onze kwakkelende economie voor de verdrinkingsdood moet behoeden. Die indruk ontstaat met name door het taalgebruik aan het begin van de reactie:
“… dat de ambachtseconomie een onmisbaar onderdeel is van de Nederlandse (kennis)economie en samenleving. De ambachten leveren een substantiële bijdrage aan de economische ontwikkeling van ons land en vormen een bron van creativiteit en innovatie.”
“De ambachtelijke sector zorgt voor werkgelegenheid, creativiteit en innovatie.”
Wat hier staat ga ik niet ter discussie stellen. Waar ik wel aandacht voor vraag is het relatieve belang van deze sector. Een paar vragen daarover:
– hoe groot is het percentage werkenden in de ambachtseconomie?
– hoeveel banen staan op de tocht in andere economische sectoren?
– hoeveel van die verdwijnende banen kunnen vervangen worden door banen in de (wellicht groeiende) ambachtseconomie?
– hoeveel mensen hebben die talenten die noodzakelijk zijn om in de ambachtseconomie succesvol te opereren?
Het denken over ambachten lijkt soms gedreven te worden door een vorm van paniek over het uitblijven van antwoorden op prangende vragen rondom de economische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt en de relatie met het (beroeps)onderwijs.
En in paniek wordt vaak (of altijd) veel (of alles) door elkaar gehaald. Dat zien we terug in de terminologie in de kabinetsreactie. In deze wereld hangt veel natuurlijk met elkaar samen, maar die samenhang wordt een warboel als je alles door elkaar haalt.
Zo wordt de aandacht voor het ambacht gecombineerd met mogelijke tekorten op de arbeidsmarkt in de sector techniek. Dat laatste wordt inmiddels ook al weer ter discussie gesteld en lijkt in elk geval een stuk diverser te liggen dan we dachten. Maar de vraag is vooral of datgene wat in de techniek aan vakmanschap gezocht wordt overeenkomt met wat we onder ambachten verstaan.
En wat er wel of niet onder die term valt blijft in de reactie onbesproken. Ik kom wel expliciet tegen wat het NIET is. Daarmee worden de traditionele beelden van (oude) ambachten verwezen naar de geschiedenisboeken.
Maar ik lees nergens wat het WEL is, die moderne ambachtelijkheid.
Een tweede verwarrende zaak is het mengen van de begrippen ambachtelijkheid en vakmanschap. Nou vraagt een ambacht natuurlijk om vakmanschap. Maar we zouden het begrip vakmanschap veel breder moeten definiëren. Eerder schreef ik daarover naar aanleiding van een rapport van het SCP. (Zie: https://frankvanh.wordpress.com/2014/02/06/vakmanschap-het-probleem-of-de-oplossing/ )
Verder valt me op dat de ambachtseconomie soms gelijkgesteld wordt met de technieksector. Meer aandacht voor ambachtelijke vaardigheden in het onderwijs is hetzelfde als ruimte voor praktische vaardigheden en, erger nog, wordt verward met ruimte voor een praktische leerstijl.
Ook wordt de huidige aandacht voor excellentie in het onderwijs mijns inziens iets te makkelijk op één hoop gegooid met de gepredikte waardering voor het ambacht. Excellentie en ruimte voor talentontwikkeling zijn uitdagingen die we als scholen zeker aan moeten gaan. Maar dan wel in de volle breedte en op alle niveaus, niet alleen voor een, volgend mij relatief klein, deel van de arbeidsmarkt dat zich laat definiëren als ambachtseconomie.
Tenslotte … de redding voor de Nederlandse economie moeten we, volgens vele opinieleiders, zoeken in de maakindustrie. Ook dat begrip overlapt deels de ambachtelijke sector. Maar als het niet meer dan dat is, zal het die beloofde redding zeker niet brengen. Daar is meer voor nodig, en dat betekent dat we niet moeten kiezen of delen, maar optellen: we moeten het hebben van alle (kleine) beetjes die kunnen helpen. De ambachtelijke sector is er daar zeker ook één van, maar zeker niet de enige.

De arbeidsmarkt … misschien meer markt dan je denkt

Een collega vroeg me om even mee te denken ter voorbereiding op een presentatie. Hier het resultaat … veel vragen … wie heeft antwoorden?

Als ik je goed begrijp komt de vraag neer op het volgende:
– Werk een casus uit rondom de volgende vraagstelling: “vind de arbeidsmarkt en vertaal leerdoelen”
– Daarbij gaat het om een verkenning van factoren die groei en innovatie tegengaan
– Het moet uitmonden in drie werkvragen, gericht op (ik citeer:) “tegen welke problemen loopt u aan binnen het onderwijs en waarom houden deze problemen innovatie of groei tegen?”

Een eerste brainstorm roept onderstaande vragen en gedachten bij me op:
– Wie moet de arbeidsmarkt vinden (school, gemeente/overheid, student)
– Welke leerdoelen? Wiens leerdoelen? Waartoe leert de student?
– Kun je spreken van DE arbeidsmarkt? is duidelijk wat DE arbeidsmarkt wil?
– Een markt is een plaats waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Is de arbeidsmarkt te vergelijken met een zaterdagmarkt, waar veel verschillende soorten vraag en aanbod elkaar proberen te vinden? Of is het een automarkt, met een vooraf redelijk bekend aanbod en dus ook een meer omschreven doelgroep?
– Op een markt zijn vraag en aanbod actief op zoek naar elkaar. Denk maar aan de marktkoopman die zijn waar luidkeels aanprijst voor de zoekende klant. Op de markt koopt een klant, juist door dat aanprijzen, wel eens iets waarvoor hij niet de deur uitging. Het is dus niet alleen zaak dat onderwijs/student de arbeidsmarkt vindt, maar ook andersom “vindt het talent dat je zoekt” is een opdracht voor ondernemers.
– In de vraagstelling is sprake van groei en/of innovatie. Zijn dat twee begrippen die we door elkaar gebruiken? Wie moet er eigenlijk groeien? Groei van het bedrijf, van onze studenten, van de medewerkers van het bedrijf? Is een einde aan de groei, van wie of wat dan ook, denkbaar?

Waar lopen wij als beroepsopleiding tegenaan:
– Zeer uiteenlopende vragen vanuit ondernemers, gesimplificeerd in de tegenstelling tussen breed en smal opleiden, waarover ondernemers het niet eens zijn
– We weten allemaal dat de beroepen over vijf jaar anders zijn dan nu. We weten niet hoe ze er dan WEL uitzien. Dat maakt specifiek opleiden nagenoeg onmogelijk. Onderzoek wijst uit: voor korte termijn biedt specifiek opleiden meeste kans op werk, maar voor duurzame inzetbaarheid (en dus voor werk op lange termijn) zijn bredere opleidingen meer geschikt.
– Ondernemers die nu een acute vraag hebben naar werknemers (in opleiding) bedienen, betekent de vraag van vandaag beantwoorden. Maar bereiden we onze studenten dan voor op de vraag van morgen?
– In alle sectoren zien we banen uit het middensegment verdwijnen t.g.v. automatisering en outsourcing. Wat het middensegment is, qua opleidingsniveau, verschilt per sector. In grote lijnen gaat het om niveau 2 en 3. Naast de opdracht om toe te leiden naar de arbeidsmarkt, hebben wij de opdracht om de groep studenten uit dat middensegment op te leiden en toe te leiden naar een perspectiefrijke toekomst. Kunnen we die nog bieden aan degenenen die met dit niveau “aan hun plafond” zitten? Moeten zij straks onder hun niveau gaan werken omdat werk op hun niveau niet beschikbaar is en omdat ze niet op een hoger niveau kunnen komen? Wat betekent dat voor hun motivatie op langere termijn? En betekent dat dat zij anderen verdringen voor wie dat niveau wel passend is bij hun capaciteiten?
– Betekent groei/innovatie in bedrijven ook dat zij veranderen om op deze maatschappelijke ontwikkelingen een antwoord te geven? Zijn bedrijven bereid om processen anders in te richten ten behoeve van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod?

Tja, zoals gezegd, vragen genoeg …

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Als je de lat lager legt, gaat de prestatie niet omhoog

Onder de titel “Meer kansen voor kwetsbare jongeren” presenteerde de Onderwijsraad vandaag een advies dat moet leiden tot een betere voorbereiding van kwetsbare jongeren op arbeidsmarkt en samenleving. Het advies valt uiteen in twee delen. In het kort luidt dat als volgt:

  1. Ontwikkel een extra diploma onder niveau 2 dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt.
  2. Realiseer meer flexibiliteit in de programmering van niveau 2 opleidingen

Dat zijn in elk geval korte en heldere adviezen. Die vragen om een korte en heldere reactie:

Wat mij betreft “hoe meer flexibiliteit hoe liever, graag ook op andere niveaus”, maar met het introduceren van een extra diploma spannen we het paard achter de wagen (of gooien we het kind weg met het badwater).

Ik probeer mijn reactie kort te onderbouwen en te nuanceren, want er zitten bij beide aanbevelingen echt goede zaken in het advies.

De kwetsbaarheid van jongeren lijkt in het advies beperkt te worden tot kwetsbaarheid ten gevolge van beperkte cognitieve capaciteiten. Tegelijk signaleert de raad terecht dat er vele oorzaken zijn die kunnen leiden tot voortijdig schoolverlaten:

  • fysieke of psychische gezondheidsklachten
  • verslaving
  • zelfoverschatting
  • beperkte zelfregulerende vaardigheden
  • problemen met gezag
  • te weinig ondersteuning en stimulatie van het thuisfront
  • werk vinden
  • school bevalt niet

Als ik al deze oorzaken bekijk, die ik ook allemaal herken, dan begrijp ik de eenvoud van het advies niet meer goed. Als iemand door een of enkele van deze oorzaken geen startkwalificatie kan halen … moet het dan maar op een lager niveau afgerond worden? Moeten we dan niet juist methodieken ontwikkelen om deze zaken aan te pakken en alsnog aan een startkwalificatie te komen?

Die nieuwe methodieken moeten dan natuurlijk gerelateerd worden aan de relevante oorzaken. Daarmee komen we op terreinen die niet meer exclusief van of voor de school zijn. Het aanpakken van deze problematiek met het oog op het halen van een diploma vereist intensieve samenwerking tussen school en begeleidingsinstellingen.

In Friesland krijgt die aanpak vorm onder de titel “School als werkplaats”. Google de term eens of klik op deze link om er iets meer over te lezen: http://www.mbodiensten.nl/mbodiensten/download/presentaties/toespraak-conferentie-gebundelde-kracht-in-een-kansrijk-mbo.pdf

Naast het feit dat de aanbeveling van de onderwijsraad mijns inziens niet aansluit bij de genoemde, zeer uiteenlopende oorzaken, worstel ik met een ander dilemma. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat de eisen die gesteld worden aan werknemers steeds hoger en complexer worden. Welk perspectief bieden we jonge mensen dan, door hen op een lager niveau te diplomeren? Een diploma is nooit garantie tot succes, maar je mag toch hopen dat het wel een perspectief op succes presenteert. Vaak wordt dat al betwijfeld als we kijken naar MBO-diploma’s op niveau 2. Wat is de relevantie dan van een eventuele diplomering op een nog lager niveau? Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de volgende uitspraak in het advies: “Jongeren die de startkwalificatie niet behalen lopen een grotere kans dan anderen om de aansluiting met de veranderende samenleving te missen”. Die aansluiting realiseer je niet door het verlagen van de normen voor een kwalificatie, maar door het verhogen van de competenties, redzaamheid en weerbaarheid van de betrokken jongeren.

Geen recht op stage, maar op praktijk

20131211-212845.jpg

Vanmiddag nam ik deel aan een bijeenkomst rondom het fenomeen “stagerecht”. Aanleiding was het initiatief van de Tweede Kamerfractie van de PvdA naar aanleiding van negatieve berichten omtrent stages in het MBO. Studenten zouden een recht op stage moeten hebben als zij een MBO-opleiding volgen. Het initiatief riep veel en uiteenlopende reacties op. Mooi dat daarom dit gesprek georganiseerd werd. Op die manier krijgt de dialoog tussen politiek en werkveld een echte kans. Ik geef hier kort mijn bijdrage aan de bijeenkomst weer. Deels een herhaling van eerdere opvattingen uit mijn blogs, deels ook weer een verdere verfijning (hoop ik).
Op de eerste plaats moeten we ons daarbij realiseren dat we met het MBO een goede onderwijssector hebben in Nederland. Recent onderzoek van de OECD, waarin internationale vergelijkingen gemaakt worden, bevestigt dit.
Maar er is wel iets aan de hand. Naast acute problemen maakt de huidige economische crisis ook een aantal weeffouten in het systeem zichtbaar. Deze komen naar voren in een tijd van laagconjunctuur. Maar we mogen niet vergeten dat ze bestaan als die conjunctuur weer aantrekt. Zo zien we op het ogenblik:
– dat BBL-plaatsen wegvallen omdat werkgevers geen/nauwelijks/minder banen meer aanbieden
– dat het op sommige plaatsen steeds moeilijker wordt om BPV-plaatsen te vinden voor MBO-studenten (met name in bepaalde sectoren, voor bepaalde niveaus, in bepaalde regio’s)
– dat in deze spannende tijden gedeelde verantwoordelijkheden dreigen te vervallen tot verdeelde verantwoordelijkheden, waarbij oorspronkelijke partners (scholen, bedrijven, overheid) naar elkaar gaan zitten kijken met de verwachting dat de ander oplossingen realiseert.
Deze problemen wijzen op structurele weeffouten en systeemafhankelijkheid van de economische conjunctuur. Voor de lange termijn vraagt dit om een herontwerp van (delen van) het systeem. Tegelijk moeten we op korte termijn praktische oplossingen vinden voor de prolemen die we nu ondervinden. Doen we dat laatste niet dan is de huidige generatie de dupe. Doen we dat eerste niet, dan zullen latere generaties dat zijn.
Oplossingen vinden we niet door het uitdelen van rechten. Het recht van de een vraagt een plicht van de ander. Maar zo eenvoudig is het niet. Een gebrek aan stageplaatsen wordt veroorzaakt door diverse aspecten. Belangrijke daarbij zijn het keuzegedrag van studenten en het aanbod van bedrijven. Wie kan deze zaken sturen? Wie kan de verantwoordelijkheid (lees: plicht) op zich nemen om te zorgen dat dit goedkomt? Dat valt niet zo eenvoudig bij één partij neer te leggen.
Ik pleit voor een andere benadering. Die gaat niet uit van het begrip stage, maar van het begrip praktijk.
Praktijk is een essentieel onderdeel van een MBO-opleiding. Juist deze groepen leren vanuit praktijkervaring. Juist deze groepen moeten kennis opdoen die hen helpt in die praktijk en waarbij de verbinding tussen theorie en praktijk goed te maken valt.
Stage is een mogelijke vormgeving van die praktijk, maar er zijn er meer. De, in mijn ogen kunstmatige, verdeling van een onderwijsprogramma in Begeleide Onderwijstijd en BPV (stage) veroorzaakt onnodige bureaucratie en spanningen. De cruciale vraag is of een onderwijsprogramma activiteiten biedt die leiden tot goed gekwalificeerde studenten die met open armen ontvangen worden op arbeidsmarkt of vervolgopleiding.
Daarvoor zijn veel meer praktijkervaringen dan de traditionele BPV geschikt. Zeker voor het ontwikkelen van brede, algemene competenties, waar steeds meer vraag naar lijkt te komen, kan die praktijk ook prima gevonden worden in vrijwilligerswerk of in een maatjessysteem met ZZP-ers. Daarmee creëer je praktijkplekken die niet vallen onder de huidige, gecertificeerde BPV-plekken, bijvoorbeeld omdat ze niet bij een erkend leerbedrijf horen. Maar staat of valt daarmee het systeem? Of gaat het om wat ik eerder zei:
– wordt er geleerd?
– wordt er goed begeleid?
– worden de goede dingen geleerd?
Laten betrokkenen uit onderwijs en bedrijven, wellicht gefaciliteerd door de overheid, met elkaar in de regio creatieve antwoorden bedenken over deze kwesties. En geef ruimte aan dat wat bedacht wordt. Zowel studenten als bedrijven zullen ervan profiteren.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën