Archive for the 'onderwijspolitiek' Category

Kwaliteitsverbetering: slimmer, eerlijker en misschien zelfs beter…

Een aantal hogescholen wordt binnenkort gekort op de bekostiging omdat hun resultaten niet voldoen aan de gemaakte resultaatafspraken. Dat betekent dat zij met minder geld moeten gaan werken aan kwaliteitsverbetering. Een uitdaging, lijkt me. En wellicht het begin van een neerwaartse spiraal. Wat gebeurt er immers als zij die gewenste verbetering niet weten te realiseren? Nog minder geld?Met bovenstaande redenering probeer ik duidelijk te maken dat resultaatafspraken als middel voor kwaliteitsverbetering wel eens het tegengestelde effect kunnen veroorzaken.

Nou ben ik sowieso niet voor variabele beloning, zoals deze zowel in het hoger onderwijs als in het mbo een steeds groter deel van de bekostiging vormt. Maar ik ben wel blij dat er in het mbo voor een andere aanpak is gekozen, waarbij het niet (perse) om harde kwantitatieve resultaten hoeft te gaan, maar ook de mogelijkheid bestaat om kwalitatieve doelstellingen op te nemen in het kwaliteitsplan. 

Maar ook dat heeft zo zijn keerzijde. Enkele jaren geleden moest het hele mbo aan de slag met een kwaliteitsplan. Daar kwam al snel een extra onderdeel bij in de vorm van een plan voor excellentie. En intussen werd al gekeken of scholen het voortijdig schoolverlaten wel genoeg omlaag brachten (dat lukt aardig, maar de vraag is wat er gebeurt als de ondergrens van het haalbare gehaald wordt). Aan al deze zaken kan financiële beloning of straf gekoppeld worden. Dat geldt ook voor de laatste loot aan deze stam: het BPV-plan.

Dus inmiddels hebben alle scholen deze plannen opgesteld, ingediend en beoordeeld gekregen. En moeten zich over al deze plannen verantwoorden via tussenevaluaties, monitorgesprekken, etcetera. Dat leidt volgens mij tot ongewenste parallelle beleidscycli en daarmee tot ongewenste bureaucratie. Het ministerie geeft per onderdeel vaak aan wanneer op welke manier gepland, gemonitord en verantwoord moet worden. Volgens mij moet dat beter kunnen.

Ik ben immers absoluut niet tegen kwaliteitsverbetering en al evenmin tegen verantwoording. Scholen worden publiek bekostigd en moeten zich dus ook publiek (kunnen) verantwoorden over de manier waarop zij dat geld inzetten en de resultaten die zij daarmee bereiken.

Maar we moeten met elkaar niet willen dat er in april een opdracht naar een school gaat om binnen zes weken een BPV-plan te maken dat kan rekenen op draagvlak binnen de scholen. En daar is dan ook nog extra geld aan gekoppeld dat gedurende het lopende kalenderjaar toegekend, ontvangen en besteed moet worden. Daarmee maak je scholen gek en heb je verwachtingen die niet verantwoord te realiseren zijn.

Zou het niet veel beter zijn als het ministerie met deze sturing aansluit bij de bestaande gang van zaken? Zou kwaliteitsverbetering geen onderwerp moeten worden van het jaarverslag? En dan niet alleen in het terugkijken, maar juist ook in het vooruitkijken. Ofwel, laat scholen presenteren waar zij komende jaren aan willen werken op het gebied van kwaliteitsverbetering. Niet in een apart plan, maar als onderdeel van het jaarverslag (dat dan dus niet alleen verslag, maar ook plan wordt). 

Op die manier kunnen de beleidscycli van ministerie en scholen meer synchroon gaan lopen. Dat zou er als volgt uit kunnen zien:

  • In mei/juni geeft het ministerie aan of er bijzondere onderwerpen/verwachtingen zijn waar scholen zich op moeten richten. 
  • Daarbij wordt ook duidelijk gemaakt wat dat betekent voor de bekostiging in de komende periode. 
  • Scholen kunnen vervolgens na de vakantie beginnen met het maken van een plan voor het komend jaar (of het eventueel aanpassen van een bestaand meerjarenplan)
  • Die plannen kunnen dan gekoppeld worden aan de inzet van middelen, zoals dat zichtbaar wordt in de begroting
  • Dit alles resulteert in een jaarverslag/-plan waarin dat bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. Het jaarverslag zoals we dat kennen, inclusief financiële verantwoording
  2. De inhoudelijke plannen voor het (dan al lopende) jaar, inclusief bijbehorende inzet van middelen
  3. De continuïteitsparagraaf, zoals we die nu kennen, waarin ook ingegaan wordt op kansen en bedreigingen ten aanzien van de beoogde kwaliteitsverbetering. 

Al met al niet veel minder werk, maar wel passend in het leefritme van de school en daardoor minder stress veroorzakend en waarschijnlijk effectiever en efficiënter. 

Nieuwe kijk op levenslang leren

We MOETEN met z’n allen ons leven lang leren!
Tot zover het oude nieuws, want dat roepen we al jaren.
Maar … NU moet het ECHT!
Ja, ja … nog steeds oud nieuws…..

Het MOET wel, maar we DOEN het niet!
Ook zo’n bekend liedje, maar hier ligt het wat genuanceerder. Met name hoger opgeleiden lijken dit redelijk voor elkaar te hebben. Zij hebben de ambitie en potentie om zichzelf met enige regelmaat bij- op- of om te scholen. Maar juist de onderkant van de arbeidsmarkt en bepaalde kwetsbare groepen maken (te) weinig gebruik van de geboden mogelijkheden.

Over deze zaken las ik (weer) in een recente brochure van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: “Toerusten en verbinden” (OCW, juli 2016). Nou was ik al wat langer aan het denken over dit fenomeen. Daarbij werd ik vooral gestimuleerd door gesprekken met werkgevers die soms ook met de handen in het haar zitten. “Hoe krijg ik mijn mensen aan het leren? Er verandert van alles en ik moet ze daarin meekrijgen anders kan ik ze niet aan het werk houden. Maar na jaren hetzelfde doen, krijg ik ze niet meer in beweging…”
Tegelijk met deze geluiden, kwam ik tot de constatering dat wij met ons ROC eigenlijk veel te weinig voor elkaar krijgen op deze markt. En als je daar een opmerking maakt, wordt het verklaard met een verwijzing naar de CAO die onze kostprijs veel te hoog zou maken. Maar dat is natuurlijk alleen maar een reden om niet op prijs te gaan concurreren met andere aanbieders. En verder een goede aanleiding om na te denken over de vraag waarom men ondanks die hoge prijs tóch voor ons zou (kunnen/willen) kiezen…..

Nou was het dezelfde brochure van OCW die me het laatste zetje gaf om over dit onderwerp (na lange tijd) weer eens enkele gedachten in een blog te plaatsen. Daarin wordt nog maar eens gewezen op het feit dat onze omgeving zo snel verandert. En die veranderingen leiden tot het verdwijnen, verschijnen en veranderen van banen. “…de technisch medewerker van straks zal andere verantwoordelijkheden hebben dan die van vandaag”, zo las ik.
Maar de belangrijkste zin was misschien wel “Permanent leren gebeurt voor een belangrijk deel op en tijdens het werk”. In die zin zit wellicht het grootste probleem verscholen dat er de afgelopen jaren voor zorgde dat een leven lang leren zo moeilijk van de grond komt. In ons “traditioneel” denken over leren maken we onderscheid tussen leren en doen, tussen leren en werken. Leren is daarbij een (hinderlijke, maar noodzakelijke) onderbreking van het werk.

Dat lijkt wel wat op de scheiding die we in het MBO maken tussen onderwijstijd (BOT) en stage (BPV). Die gaat uit van een onderwijsmodel waarin we leren op school (tijdens BOT) en het geleerde daarna toepassen in de praktijk (BPV). Om er in die praktijk achter te komen dat de werkelijkheid er anders uitziet dan we op school voorgeschoteld krijgen… Daarom zochten wij naar een manier waarop die praktijk niet volgt op de theorie, maar waarin het leren juist ín die praktijk plaatsvindt. Dat leidde tot de “praktijkroute”. Mocht je nieuwsgierig zijn dan vind je hier een aantrekkelijke presentatie van dat idee: Animatie praktijkroute

Dit denken zou toch ook moeten helpen bij een andere benadering van “een leven lang leren” ofwel, zoals ik het liever ga noemen, “permanente ontwikkeling”. We zien nu ook in de praktijkroutes dat medewerkers van bedrijven belangstelling hebben voor wat onze studenten leren en voor de begeleiding die daarbij geboden wordt. De toegevoegde waarde van een ROC kan wel eens meer zitten in de kwaliteit waarmee leerprocessen begeleid worden. Docenten die individuele medewerkers, maar ook teams begeleiden bij het steeds weer beter worden en het integreren van nieuwe ontwikkelingen in de reële praktijk. Dan is een leven lang leren gewoon hetzelfde als een leven lang werken en meteen ook een voorwaarde om een leven lang aan het werk te blijven…….

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

Bedrijfsscholen… de oplossing of het symptoom?

“Bedrijven met eigen school krijgen straks rechtstreeks geld van de overheid”

Aldus de kop in een artikel in het Financieel Dagblad van woensdag 11 november. Wie doorleest, ontdekt dat de krant bronnen heeft die melden dat et ministerie van OC&W plannen heeft om een proef te beginnen met het rechtstreeks financieren van bedrijven die MBO-opleidingen verzorgen. Het is nog maar een plan en een proef kan zelden kwaad, maar toch heb ik ernstige twijfels….

Nou ontstaat zo’n plan nooit voor niks. Blijkbaar is er een reden om aan de huidige praktijk te twijfelen. Maar zijn de bedrijfsscholen nou het symptoom dat ons aan het denken moet zetten? Of zijn ze direct al de oplossing?

Voor welk probleem is dit een oplossing?
“… dat ondernemers soms veel beter en sneller in staat zijn jongeren gericht op te leiden voor de arbeidsmarkt dan mbo’s”, aldus VVD-Kamerlid Anne-Wil Lucas.
Is dat zo? Waar blijkt dat uit?
En als mbo’s dat niet goed doen, terwijl het een van hun primaire opdrachten is, dan moeten we volgens mij nadenken over de manier waarop we dat kunnen verbeteren. Hebben mbo’s onvoldoende oog voor ontwikkelingen in de omgeving? Wat betekent eigenlijk “gericht” opleiden? Is dat een smalle opleiding om te voldoen aan de vragen van vandaag en morgen? Maar hoe zit het dan met de mogelijkheden van jongeren om ook een antwoord te zijn op de vragen van overmorgen en volgende week? Die kunnen immers wel eens heel anders zijn.
Is het in die bedrijfsscholen echt allemaal zoveel beter? Of hebben zij hun pr en lobby beter voor elkaar?

Waardoor wordt die trage reactie overigens veroorzaakt?
Denk eens aan de rechtspositie van docenten in de onderwijsinstellingen tegenover de ruimte die bedrijfsscholen hebben. Die laatsten kunnen per jaar hun behoefte in kaart brengen en de benodigde mensen, via de mbo’s, inhuren. De structurele verplichtingen, inclusief eventueel wachtgeld, ligt dan bij de onderwijsinstellingen. Hoe gaat dat als er straks sprake is van rechtstreekse bekostiging?

Bij dit voorstel wordt een beroep gedaan op een vorm van gelijke behandeling? Maar hoe gelijk wordt het dan?
Ik wees al op het vraagstuk van rechtspositie. Daar komt nog wel wat bij:
– hoe zit het met de (financiēle) verantwoording? Moeten bedrijven straks aan dezelfde voorwaarden voldoen? Hoe gaan zij dan een scheiding aanbrengen tussen besteding van publieke en private middelen? Valt dat daadwerkelijk te controleren? Of kijken we alleen naar de output: het aantal gediplomeerde leerlingen?
– hoe zit het met de vergelijking tussen mbo en hbo? In het artikel lees ik alleen over deze ontwikkeling op mbo-opleidingen. Gaat het ook voor hbo gelden?
– wordt straks ook het particuliere vo-onderwijs in ons land door het rijk bekostigd? Die zeggen immers ook dat ze veel beter aansluiten bij vragen van leerlingen. ouders, omgeving.

Tenslotte nog een meer principiële overweging. Het denken achter dit proefproject lijkt gebaseerd op de overtuiging dat marktwerking en concurrentie helpen bij het leveren van kwaliteit. Op basis van die overtuiging wordt nu al enkele jaren de publieke sector uitgekleed. En waar zien we nu daadwerkelijk betere kwaliteit? In de zorg? Bij de inburgeringscursussen?
Onderwijs hoort een plaats te hebben in het publieke bestel als algemeen toegankelijke, bekostigde voorziening. Uiteraard dient daarbij oog te zijn voor kwaliteit, flexibiliteit, doelmatigheid, etcetera. We hoeven het scholen niet makkelijker te maken dan het is.
Tegelijk kun je je afvragen of dit voor al het onderwijs voor iedereen en altijd moet gelden. Voor bepaalde doelgroepen, bepaalde situaties, bepaalde doeleinden kan het het overwegen waard zijn om meer vraagsturing te organiseren. Daarbij zou je potentiële studenten de beschikking kunnen geven over een opleidingsbudget dat bij publieke, maar ook bij particuliere aanbidders besteed kan worden. Ik denk dat dat een goed instrument kan zijn om eigen verantwoordelijkheid voor employability te stimuleren. Maar dan heb ik het in het algemeen over wat oudere mensen, die in het algemeen werk(ervaring) hebben en verdere stappen willen zetten in hun loopbaan. Dat is een andere doelgroep, die om andere maatregelen vraagt dan de 17-jarige vmbo-er die niet alleen een beroep wil leren, maar ook nog ruimte vraagt (en moet krijgen) om zich te ontwikkelen tot deelnemer aan onze samenleving. Dat is een opdracht die we als samenleving, en dus publiek, aan moeten gaan.

Hoe kleiner, hoe fijner? Ofwel: de zoektocht naar meer (kans op) kwaliteit

In Den Haag denken mensen vaak na over de oplossing van problemen in ons land. Zo ook bij het ministerie van Onderwijs. Daar kijken ze hoe het ervoor staat met ons onderwijs en op welke manier via wetgeving problemen opgelost, of tenminste verkleind, kunnen worden.
Zo zat ik vanmiddag in een gesprek over de (vermeende?) noodzaak om het MBO “kleinschalig en herkenbaar” te organiseren. Daarmee zouden studenten (en docenten) zich meer thuis gaan voelen op MBO-scholen en dat zou dan weer leiden tot beter onderwijs met minder uitval.

De basis voor het gesprek is door het ministerie gelegd in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juni 2014 “Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo”.

Een citaat uit deze brief:
“Uit onderzoek, ook in andere onderwijssectoren, blijkt dat het studiesucces van een student toeneemt wanneer hij/zij zich thuis voelt op een school en deel uitmaakt van een (kleine) groep.”
Zie daar een belangrijk uitgangspunt waar het ministerie haar denken op baseert. Ik herken er wel iets in, dus laten we maar aannemen dat deze bewering hout snijdt, alhoewel die prestaties toch ook wel beïnvloed zullen worden door de kwaliteit van het onderwijs, de docenten, de leeromgeving.

Waar ik moeite mee heb is de eenvoudige relatie die gelegd wordt tussen de omvang van een school en de mate waarin studenten zich thuis voelen. Iedereen is het er wel over eens dat het van belang is voor dat “thuis voelen: dat studenten de anderen kennen en door anderen gekend worden.
Maar bestaat er een direct verband tussen het gevoel van gekend worden en de omvang van de school. Moet iedereen de student dan kennen? Moeten alle studenten elkaar kennen?
Kennen en gekend worden is van belang, maar naar mijn mening geldt dat voor de kring die direct om de student heen bestaat: medestudenten en het verantwoordelijke team van docenten. Deze kring kan niet oneindig groot zijn. Op onze school streven we naar ongeveer 250 studenten en een daarbij passend team van 10-12 mensen.
De verbinding met de omvang van de school wordt bepaald door het aantal van deze kringen. Het maximum dat daaraan verbonden is durf ik niet te stellen. Wel denk ik dat dat maximum meer bepaald wordt door de organiseerbaarheid van de school dan door de (ervaren) kwaliteit.

Een (of “de”) oplossing waar OCW over nadenkt om die kleinschaligheid en herkenbaarheid te organiseren is de “gemeenschap van MBO-colleges”: “Tijdens de MBO Tour zag ik dat er op veel plaatsen geprobeerd wordt om het onderwijs kleinschalig te organiseren binnen een roc. (…) Ik vind deze ontwikkeling een goede zaak en zal daarom een nieuw bestuurlijk model introduceren: de gemeenschap van mbo-colleges, waarbinnen het onderwijs wordt georganiseerd in aparte colleges. De colleges kunnen zijn gericht op een bepaalde branche of sector.”

Een paar opmerkingen over deze oplossingsrichting, die ik overigens op geen enkele manier zou willen verbieden. Hoe meer keuze, hoe meer kansen….

  • Worden hier de begrippen kleinschalig en klein wel goed onderscheiden? Terecht spreekt de minister haar bewondering uit voor ontwikkelingen binnen ros’s die moeten leiden tot kleinschaliger georganiseerd onderwijs. Maar waarom zouden deze mbo-colleges dat bevorderen? Zijn dat niet “gewoon” kleinere scholen? En wat is dan “klein”. Als je 20.000 studenten verdeeld over vijf of zes colleges heb je nog steeds scholen van enkele duizenden studenten. Bepaald geen garantie voor een thuisgevoel, zo lijkt me.,
  • Waarom wordt gekozen voor een verzameling van opleidingen “gericht op een bepaalde branche”. Dat lijkt goed voor de herkenbaarheid, maar in de wereld om ons heen zien we grenzen tussen branches steeds meer vervagen. Het vergroten van de afstand tussen sectoren in onze scholen is dan een tegengestelde beweging, waarvan het maar de vraag is of deze de herkenbaarheid vergroot, bekeken vanuit het perspectief 2015 en niet 1995. Moeten we in onze scholen niet meer ruimte maken voor netwerken van onderwijsteams die multisectoraal samenwerken met de omgeving (die dat vaak al lang doet)?

Het wordt weer tijd voor een overeenkomst tussen de mogelijke plannen van OCW en mijn gedachten … Voor beter onderwijs is onderwijskundig leiderschap cruciaal. Het ministerie belegt dat leiderschap bij de “collegedirecteur”. Deze is tevens het boegbeeld van het college en aanspreekpunt voor bedrijven, overheid en ouders. Hierover is in de genoemde kamerbrief het volgende te vinden: “Met dit bestuurlijk model beoog ik ook het onderwijskundig leiderschap binnen het nieuw te vormen mbo-college een stimulans te geven. Dat doe ik door de introductie van de collegedirecteur.“
Het is van groot belang dat het management zich richt op de kwaliteit van het onderwijs, een ondersteunende organisatie en een intensieve dialoog met het bedrijfsleven. In veel ROC’s is dat belegd bij directeuren, al dan niet in combinatie met opleidingsmanagers (of welke naam dan ook). Maar waarom moet de functie van collegedirecteur zoveel nadruk krijgen? Voor welke deur die nu nog gesloten blijft heeft deze nieuwe functionaris de sleutel in handen. Hoe verhoudt deze rol zich tot de ontwikkeling van teams die, conform het professionele statuut, steeds meer verantwoordelijkheid krijgen en nemen voor de inrichting van het onderwijs en de kwaliteit waarmee dat uitgevoerd wordt? Zou dat niet moeten leiden tot:

  • onderwijskundig leiderschap dat dichtbij, of zelfs ín, het team vorm krijgt
  • een organisatie die zich toespitst op de ondersteuning van teams en het gesprek voert met teams over de randvoorwaarden om onderwijskwaliteit te leveren
  • rechtstreekse input in de teams vanuit bedrijven en samenwerking met bedrijven bij de realisatie van modern beroepsonderwijs

Laten we leidinggevenden, met welke titel dan ook, de focus laten leggen op het realiseren van deze ambities. Dan komt het met dat thuisgevoel ook wel goed (of tenminste beter).

“Hoe eerder, hoe beter”, nieuwe kijk op nieuwe problemen

Er gebeuren ongewone dingen in ons land als gevolg van de forse stroom vluchtelingen die binnenkomt. En ongewone gebeurtenissen vragen om ongewone antwoorden. Die zullen we ook als onderwijs moeten formuleren….

Wat is er aan de hand? Het aantal vluchtelingen dat maandelijks binnenkomt was nog nooit zo hoog. De verwachting is dat dit nog een tijd door zal gaan. Ook lijkt het erop dat het overgrote deel van de betrokken mensen een tijdelijke of permanente status zal krijgen en hier dus op zijn minst een aantal jaren zal blijven. En eigenlijk verwacht iedereen dat een fors deel zich voorgoed in Nederland zal vestigen.
Dit leidt tot heftige discussies tussen voor- en tegenstanders, maar ook tot forse uitdagingen op het gebied van huisvesting, opleiding, werktoeleiding en inburgering.

De titel van deze tekst geeft aan onder welk motto dat alles volgens mij moet gebeuren: “hoe eerder, hoe beter”.
Mijn uitgangspunt is dat mensen die hier als vluchteling terechtkomen zo snel mogelijk de kans moeten krijgen op een zinvol leven.
Onderwijs is daar een belangrijk onderdeel van. Het gaat dan niet alleen om het leren van een taal, maar ook om het leren leven in een nieuw land en om toeleiding naar werk.

Inmiddels zien we hoe de onvoorspelbare, massale bewegingen dwingen tot onconventionele oplossingen op het gebied van opvang en huisvesting. Mijn stelling is dat we daar ook naar moeten kijken als het gaat om onderwijs en toeleiding naar werk.
Waarom is het nu anders dan anders?

  • de aantallen zijn extreem hoog waardoor er op alle terreinen capaciteitsvraagstukken ontstaan
  • er worden nieuwe vormen van (nood)opvang gerealiseerd waardoor ook nieuwe, onvoorspelbare bewegingen van de betrokken mensen ontstaan
  • de samenstelling van de groep kan wel eens anders zijn dan we gewend zijn, zoals het schijnbaar grote aandeel van hogeropgeleiden

Het zoeken van die onconventionele oplossingen moet wat mij betreft antwoord geven op de volgende uitdagingen:

  • Het snel en (deels onverwacht) komen, maar wellicht ook vertrekken van vluchtelingen naar andere delen van het land
  • De noodzaak om snel tot een zinvol leven te komen, inclusief kansen op werk
  • Het feit dat een groot deel van de binnenkomende vluchtelingen forse trauma’s kan/zal hebben en dus ook op dat gebied begeleiding nodig heeft

Om aan die uitdagingen het hoofd te bieden zijn geen pasklare oplossingen voorhanden. En we hebben de tijd niet om heel lang na te denken over en onderzoek te doen naar die oplossingen. Ik wil pleiten voor het zoeken van een oplossing via “vallen en opstaan”. En dat vraagt om ruimte … regresvrije ruimte om precies te zijn, experimenteerruimte, als dat beter klinkt…

Die ruimte gaat dan over:

  • de mogelijkheid om delen van opleidingen te volgen, die later een onderdeel van een volwaardige opleiding kunnen zijn
  • de mogelijkheid om via de praktijk te leren, zonder dat er direct een volwaardige BBL-constructie bestaat
  • de mogelijkheid om pas na enige tijd onderwijs te concluderen welke opleiding passend is en in welke sector/op welk niveau dat het beste gevolgd kan worden
  • intensieve samenwerking tussen onderwijs, hulpverlening, werkgevers en arbeidstoeleiding
  • geen outputbekostiging aangezien het behalen van een diploma afhankelijk is van (te) veel externe factoren
  • geen t-2 bekostiging aangezien van onderwijsinstellingen niet gevraagd kan worden om voor deze grote groepen voorfinanciering van het onderwijs te bekostigen

Het zou mooi zijn als een of enkele regio’s uitgenodigd werden om op basis van bovenstaande gedachten plannen te ontwikkelen die op korte termijn tot uitvoering van adequaat onderwijs en begeleiding kunnen leiden

Kritische houding is welkom, maar wel onderbouwd

In een bijdrage aan Socialisme & Democratie, nummer 4 van 2015, reageert Sjoerd Karsten op de bijdrage die Jan van Zijl leverde aan het voorafgaande nummer (inderdaad, nummer 3 van 2015).

Van Zijl ging in zijn bijdrage in op de huidige positie van het MBO. Hij pleitte onder andere voor een onderscheid tussen de huidige niveaus 1 en 2 en de niveaus 3 en 4. De laatste twee zouden het “echte” MBO zijn. De niveaus 1 en 2 bieden slechts ten dele beroepsonderwijs en het niveau valt, nog steeds volgens van Zijl, niet als “middelbaar” te kwalificeren.

Een tweede voorstel betreft het samenvoegen van VMBO-t en HAVO. Feitelijk een beperkte vorm van een middenschool, waarmee voor een forse groep jongeren de definitieve keuze voor een leerroute uitgesteld wordt. Zij kunnen op latere leeftijd kiezen voor de route havo à hbo, of instroom in het mbo.

Natuurlijk kun je kanttekeningen maken bij de keuzes van van Zijl. Zo vraag ik me nog steeds af of het uitstel van keuzes voor een beperkte groep een zinvol compromis is. Waarom geen krachtig pleidooi voor uitstel voor allen?

Ook de vraag naar het belang van het scherpere onderscheid tussen de verschillende niveaus, gekoppeld aan nieuwe benaming, mag zeker gesteld worden. Daar hoort overigens ook bij dat pleidooien voor andere benamingen al langer en door meerdere opinieleiders gehouden worden.

Met veel belangstelling begon ik dan ook aan het artikel dat Sjoerd Karsten schreef in reactie op het stuk van Jan van Zijl. Wij kennen elkaar, wij delen met elkaar dat we het MBO van groot belang vinden en we delen met elkaar een oog voor de jongeren voor wie een succesvolle schoolloopbaan geen vanzelfsprekendheid is.

De titel zorgt in elk geval voor de nodige spanning: “Sectororganisaties vegen vooral hun eigen straatje schoon”. Het betoog van Karsten betreft niet alleen de MBO-raad. Ook de Vereniging Hogescholen en de VO-raad krijgen een veeg uit de pan.

In mijn reactie kijk ik vooral naar het artikel vanuit het MBO-perspectief. Dat is immers de sector waar ik werk. Het is ook de sector waar de PvdA zich met name sterk voor moet maken. De kernwaarden van de partij, verheffing, binding, goed werk en bestaanszekerheid komen in het werken en leren binnen deze sector sterk naar voren.

Karsten adresseert een aantal zaken die wat mij betreft terecht geagendeerd worden. Het zou de PvdA sieren als zij deze punten ook in de eigen discussie en profilering nader in zou kleuren. Ik citeer (ongeveer):

  • “dat vooral jongeren uit kansrijke milieus profiteren van meer individuele keuzeruimte”
  • het zou misschien geen gek idee zijn om “een landelijke ombudsman in het leven te roepen. Die zou zorg kunnen dragen voor het belang van kansarme leerlingen en de deugdelijkheid van hun onderwijs.”
  • “… het is wel de hoogste tijd om een discussie te voeren over de besturing van het onderwijs.”

Stuk voor stuk relevante opmerkingen die verdere verkenning verdienen. Tegelijk hoop ik dat de eerste bewering niet leidt tot het verminderen van individuele keuzeruimte. Laten we vooral kijken op welke manier we ook de minder kansrijke jongeren zo ver kunnen krijgen dat zij kunnen profiteren van die ruimte.

En laten we de discussie over de besturing van het onderwijs voeren zonder een veroordeling van het huidige besturingsmodel en de bestuurders die daarin actief zijn als uitgangspunt te nemen.

Daarmee kom ik op mijn kritiek op het stuk. Karsten doet een aantal beweringen, volgens mij zonder deugdelijke onderbouwing, waarmee hij bestuurders en de sectororganisatie wat al te makkelijk in het beklaagdenbankje zet. Ook hier weer enkele citaten:

  • “professionele besturen letten veel meer op hun marktaandeel onder hoger opgeleide ouders”
  • “Het idee om iets te betekenen voor alle leerlingen dreigt (…) steeds meer in de verdrukking te raken. (…) … dat zij het liefst de ‘beste’ leerlingen willen binnenhalen en de verantwoordelijkheid voor de ‘zwakke’ leerlingen weg schuiven.”
  • “Zo probeert men met ‘matching’ en bindende studieadviezen de traditionele instroom nog eens door een selectiemolen te halen.”
  • “…dat het onderwijsbestuur vervalt in particularisme (eigen belang eerst).”

Waar komt het vandaan? Hoe kan het dat iemand met de wetenschappelijke achtergrond van Karsten deze beweringen zo makkelijk maakt, zonder stevige onderbouwing?

En waarom werkt hij niet verder aan datgene wat hij (en van Zijl) en ik met elkaar zullen delen:

  • toegankelijkheid voor allen tot deugdelijk beroepsonderwijs
  • investeren in de kwaliteit van degenen die jongeren in dat beroepsonderwijs opleiden
  • wegwerken van de barrières die tussen de verschillende schooltypen en –sectoren bestaan, zodat door- en opstroom aan alle kanten gefaciliteerd worden

Laten we dat gesprek met elkaar aangaan, op basis van gedeelde ambities en niet op basis van (voor)oordelen.

Zomerslaap

graag verwijs ik tijdens de vakantie naar een blog over de vakantie Zomerslaap.

Het staat er goed!

 

Ook naar het goede kritisch blijven kijken …

Het bestaan van twee verschillende leerwegen in het MBO wordt door velen als een groot goed beschouwd. Dat de ene student kan kiezen voor voltijds onderwijs en de ander voor een baan van vier dagen in combinatie met een wekelijkse schooldag, lijkt goed aan te sluiten bij het feit dat jongeren, opleidingen, sectoren, beroepen, et cetera verschillen van elkaar. Dat rechtvaardigt verschillende vormen van leren. Dat die verschillende vormen van leren leiden tot hetzelfde diploma benadrukt het feit dat ze als gelijkwaardig beschouwd kunnen en moeten worden.

Tot zover weinig reden om een blog te schrijven … Maar die is er wel. Onder invloed van de economische crisis hebben we gezien dat de verhoudingen tussen deze twee leerwegen fors veranderd zijn. De deelname aan BBL-opleidingen (combinatie van werken en leren) is fors teruggelopen omdat jongeren niet in staat zijn om het daarvoor benodigde arbeidscontract te pakken te krijgen. Dat leidde (uiteraard) tot een toename van de deelname aan voltijds BOL-opleidingen. “Mooi toch, die communicerende vaten”, hoor ik u denken. Op het eerste gezicht wel, maar dan maken we ons er te gemakkelijk vanaf.

Zo kun je je afvragen in hoeverre twee modellen voldoende zijn om antwoord te geven op de grote diversiteit in de doelgroep. Het lijkt of er “slechts” sprake is van een groep “denkers” in de BOL en een groep “doeners” in de BBL.

Hieraan gekoppeld wordt van BOL-opleidingen geëist dat ze voldoende onderwijstijd bieden in een schoolse setting. Dat past wellicht bij de grondslag voor bekostiging, maar is het ook in belang van die jongere die zich optimaal wil voorbereiden op een beroep?

In de afgelopen jaren zagen we met regelmaat dat jongeren in een BBL-opleiding problemen kregen omdat hun arbeidscontract om diverse redenen werd beëindigd voordat zij een diploma konden halen. Kunnen we van werkgevers in de huidige tijd vol snelle veranderingen verwachten dat zij verplichtingen aangaan voor een periode van twee tot drie jaar? Zo ver vooruitkijken is in de meeste bedrijven (helaas?) een onmogelijke opgave (geworden?).

Als alternatief wordt momenteel nagedacht over een zogenaamde gecombineerde leerweg. Daarbij doe je eerst een periode BOL en daarna sluit je de opleiding af in een BBL-constructie.

Eigenlijk vraag je daarmee om de voorspelbaarheid van de toekomst nog verder te vergroten. Een werkgever zegt nu al toe om over een of twee jaar een jongere in dienst te nemen gedurende een bepaalde periode. Is dat haalbaar?

En is het wenselijk? Betekent dit niet dat de leerweg van een jongeren te veel afhangt van de economische conjunctuur in plaats van haar/zijn leerstijl en ambities? Valt dat wel te plannen? Of gaat het er juist om dat een jongeren de kans krijgt om gedurende de opleiding niet alleen het beoogde beroep, maar ook zichzelf te leren kennen. En dan keuzes te maken die daarop gebaseerd zijn?

Dat vraagt veel meer flexibiliteit als we praten over de inrichting van dat leertraject. Dat vraagt inspelen op de ontwikkelingen van de jongere in kwestie én ontwikkelingen in de omgeving, met name de arbeidsmarkt.

Nogmaals, is de huidige scheiding tussen BOL en BBL in dit licht wel wenselijk? Is de BBL niet teveel een werkweg geworden in plaats van een leerweg? Past de keuze voor werk op je zestiende verjaardag wel bij de ambitie en noodzaak om te komen tot een hoger geschoolde beroepsbevolking?

Ik zou hier willen pleiten voor een andere aanpak. Een aanpak die werkelijk zorgt voor de diversiteit in leerwegen die past bij de diversiteit in de doelgroep en in de omgeving. Dat betekent dat theorie en praktijk beiden voldoende ruimte krijgen in de leerweg. De verhouding tussen beiden kan variëren, afhankelijk van de lerende en haar/zijn leerstijl. Maar ook afhankelijk van wat de omgeving vraagt, van wat de mogelijkheden zijn in de sector om praktijkervaring op te doen.

Deze aanpak betekent ook dat er flexibiliteit ontstaat om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen. Dat een leertraject niet stokt vanwege het faillissement van een werkgever. Dat scholen in overleg kunnen met werkgevers in de regio over een adequate invulling van het programma. Dat beiden, scholen én werkgevers, een actieve bijdrage kunnen leveren aan ontwikkeling en uitvoering van dat programma.

De meeste studenten in het MBO zijn afkomstig van een VMBO. Die afkorting betekent dat zij voorbereid zijn op verder onderwijs. Laat hen dat dan ook volgen en scheep hen niet af met een baan en een dagje les als noodzakelijk kwaad…. voor zolang het duurt.

Doelmatig beroepsonderwijs, makkelijk gezegd maar geen eenvoudige zaak

Morgen bespreekt de vaste Kamercommissie het wetsvoorstel “macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs”. Zie voor de onderliggende stukken http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2014A04749

Ik reageer hieronder (beetje fragmentarisch) op een aantal elementen van het voorstel:

Vooraf wil ik opmerken niet overtuigd te zijn van het feit dat we hier echt met een probleem te maken hebben. Is het feitelijk een probleem of is het de vertaling van een beleving die feitelijk stoelt op het oude beeld dat onderwijs en bedrijfsleven onvoldoende op elkaar aansluiten.

We moeten niet denken dat er sprake is (kan zijn) van een eenvoudige relatie tussen opleiding en werk. Ook het geven van voorlichting omtrent stage en werk is op zich prima, maar de situatie verandert sneller dan je denkt. Dus wat informatie voor aanvang van de studie zegt over het moment waarop iemand een diploma haalt, valt te bezien.
Daar komt nog bij dat werkgevers soms andere bronnen aanboren als het gaat om de zoektocht naar nieuwe werknemers (denk aan arbeidsmigranten uit oost-Europa, mensen die in andere sectoren werkloos raken, etc.) Daar is wellicht niets op tegen maar het beïnvloedt de kansen van afgestudeerden zonder dat dat te voorzien valt en zonder dat scholen daarvoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden.

Zowel de aansluiting met cq kansen op werk als het doelmatig inrichten van scholen zijn gebaat bij een forse vermindering van het aantal kwalificaties. De huidige operatie is daarin een stapje, maar niet meer dan dat. Waarom net, mede kijkend naar het buitenland, een echte vermindering. Naar 100-150 bijvoorbeeld?

Veel scholen hebben oplossingen voor de kleine deelnemersaantallen per opleiding. Er worden lessen gecombineerd en zo. Dat werkt prima en bij een al te getalsmatige benadering kan dat over het hoofd gezien worden.

Het aanpassen van de bekostiging in kader van doelmatigheid ligt genuanceerd. Zo lijkt het prima om de diplomabekostiging aan te passen, maar het is een illusie dat je door een betere intake tot veel betere plaatsing kunt komen. Waarom niet gewoon een eenvoudige doorstroomregeling, gebaseerd op het vmbo-diploma?
Een slechte zaak vind ik de cascade mbt verblijfsduur. Dat staat ook op gespannen voet met een leven lang leren. Je moet studenten niet te laag plaatsen. Je moet ook geen perverse prikkel inbouwen waardoor ze lager geplaatst worden dan nodig tbv hogere bekostiging van de studieduur. Maar je moet ook geen financiële drempel opwerpen voor scholen om degenen die het via een langere weg op een hoger niveau redden daarbij te hinderen.

Het invoeren van keuzedelen kan een goede stap zijn op weg naar een flexibel onderwijsaanbod. Van groot belang is dat regionale initiatieven daarbij alle kans krijgen en dat goedkeuring snel gebeurt op basis van een dusdanig beoordelingskader dat de uitslag voorspelbaar is voor de indieners.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën