Archive for the 'onderwijspolitiek' Category



Zomerslaap

graag verwijs ik tijdens de vakantie naar een blog over de vakantie Zomerslaap.

Het staat er goed!

 

Ook naar het goede kritisch blijven kijken …

Het bestaan van twee verschillende leerwegen in het MBO wordt door velen als een groot goed beschouwd. Dat de ene student kan kiezen voor voltijds onderwijs en de ander voor een baan van vier dagen in combinatie met een wekelijkse schooldag, lijkt goed aan te sluiten bij het feit dat jongeren, opleidingen, sectoren, beroepen, et cetera verschillen van elkaar. Dat rechtvaardigt verschillende vormen van leren. Dat die verschillende vormen van leren leiden tot hetzelfde diploma benadrukt het feit dat ze als gelijkwaardig beschouwd kunnen en moeten worden.

Tot zover weinig reden om een blog te schrijven … Maar die is er wel. Onder invloed van de economische crisis hebben we gezien dat de verhoudingen tussen deze twee leerwegen fors veranderd zijn. De deelname aan BBL-opleidingen (combinatie van werken en leren) is fors teruggelopen omdat jongeren niet in staat zijn om het daarvoor benodigde arbeidscontract te pakken te krijgen. Dat leidde (uiteraard) tot een toename van de deelname aan voltijds BOL-opleidingen. “Mooi toch, die communicerende vaten”, hoor ik u denken. Op het eerste gezicht wel, maar dan maken we ons er te gemakkelijk vanaf.

Zo kun je je afvragen in hoeverre twee modellen voldoende zijn om antwoord te geven op de grote diversiteit in de doelgroep. Het lijkt of er “slechts” sprake is van een groep “denkers” in de BOL en een groep “doeners” in de BBL.

Hieraan gekoppeld wordt van BOL-opleidingen geëist dat ze voldoende onderwijstijd bieden in een schoolse setting. Dat past wellicht bij de grondslag voor bekostiging, maar is het ook in belang van die jongere die zich optimaal wil voorbereiden op een beroep?

In de afgelopen jaren zagen we met regelmaat dat jongeren in een BBL-opleiding problemen kregen omdat hun arbeidscontract om diverse redenen werd beëindigd voordat zij een diploma konden halen. Kunnen we van werkgevers in de huidige tijd vol snelle veranderingen verwachten dat zij verplichtingen aangaan voor een periode van twee tot drie jaar? Zo ver vooruitkijken is in de meeste bedrijven (helaas?) een onmogelijke opgave (geworden?).

Als alternatief wordt momenteel nagedacht over een zogenaamde gecombineerde leerweg. Daarbij doe je eerst een periode BOL en daarna sluit je de opleiding af in een BBL-constructie.

Eigenlijk vraag je daarmee om de voorspelbaarheid van de toekomst nog verder te vergroten. Een werkgever zegt nu al toe om over een of twee jaar een jongere in dienst te nemen gedurende een bepaalde periode. Is dat haalbaar?

En is het wenselijk? Betekent dit niet dat de leerweg van een jongeren te veel afhangt van de economische conjunctuur in plaats van haar/zijn leerstijl en ambities? Valt dat wel te plannen? Of gaat het er juist om dat een jongeren de kans krijgt om gedurende de opleiding niet alleen het beoogde beroep, maar ook zichzelf te leren kennen. En dan keuzes te maken die daarop gebaseerd zijn?

Dat vraagt veel meer flexibiliteit als we praten over de inrichting van dat leertraject. Dat vraagt inspelen op de ontwikkelingen van de jongere in kwestie én ontwikkelingen in de omgeving, met name de arbeidsmarkt.

Nogmaals, is de huidige scheiding tussen BOL en BBL in dit licht wel wenselijk? Is de BBL niet teveel een werkweg geworden in plaats van een leerweg? Past de keuze voor werk op je zestiende verjaardag wel bij de ambitie en noodzaak om te komen tot een hoger geschoolde beroepsbevolking?

Ik zou hier willen pleiten voor een andere aanpak. Een aanpak die werkelijk zorgt voor de diversiteit in leerwegen die past bij de diversiteit in de doelgroep en in de omgeving. Dat betekent dat theorie en praktijk beiden voldoende ruimte krijgen in de leerweg. De verhouding tussen beiden kan variëren, afhankelijk van de lerende en haar/zijn leerstijl. Maar ook afhankelijk van wat de omgeving vraagt, van wat de mogelijkheden zijn in de sector om praktijkervaring op te doen.

Deze aanpak betekent ook dat er flexibiliteit ontstaat om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen. Dat een leertraject niet stokt vanwege het faillissement van een werkgever. Dat scholen in overleg kunnen met werkgevers in de regio over een adequate invulling van het programma. Dat beiden, scholen én werkgevers, een actieve bijdrage kunnen leveren aan ontwikkeling en uitvoering van dat programma.

De meeste studenten in het MBO zijn afkomstig van een VMBO. Die afkorting betekent dat zij voorbereid zijn op verder onderwijs. Laat hen dat dan ook volgen en scheep hen niet af met een baan en een dagje les als noodzakelijk kwaad…. voor zolang het duurt.

Doelmatig beroepsonderwijs, makkelijk gezegd maar geen eenvoudige zaak

Morgen bespreekt de vaste Kamercommissie het wetsvoorstel “macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs”. Zie voor de onderliggende stukken http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2014A04749

Ik reageer hieronder (beetje fragmentarisch) op een aantal elementen van het voorstel:

Vooraf wil ik opmerken niet overtuigd te zijn van het feit dat we hier echt met een probleem te maken hebben. Is het feitelijk een probleem of is het de vertaling van een beleving die feitelijk stoelt op het oude beeld dat onderwijs en bedrijfsleven onvoldoende op elkaar aansluiten.

We moeten niet denken dat er sprake is (kan zijn) van een eenvoudige relatie tussen opleiding en werk. Ook het geven van voorlichting omtrent stage en werk is op zich prima, maar de situatie verandert sneller dan je denkt. Dus wat informatie voor aanvang van de studie zegt over het moment waarop iemand een diploma haalt, valt te bezien.
Daar komt nog bij dat werkgevers soms andere bronnen aanboren als het gaat om de zoektocht naar nieuwe werknemers (denk aan arbeidsmigranten uit oost-Europa, mensen die in andere sectoren werkloos raken, etc.) Daar is wellicht niets op tegen maar het beïnvloedt de kansen van afgestudeerden zonder dat dat te voorzien valt en zonder dat scholen daarvoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden.

Zowel de aansluiting met cq kansen op werk als het doelmatig inrichten van scholen zijn gebaat bij een forse vermindering van het aantal kwalificaties. De huidige operatie is daarin een stapje, maar niet meer dan dat. Waarom net, mede kijkend naar het buitenland, een echte vermindering. Naar 100-150 bijvoorbeeld?

Veel scholen hebben oplossingen voor de kleine deelnemersaantallen per opleiding. Er worden lessen gecombineerd en zo. Dat werkt prima en bij een al te getalsmatige benadering kan dat over het hoofd gezien worden.

Het aanpassen van de bekostiging in kader van doelmatigheid ligt genuanceerd. Zo lijkt het prima om de diplomabekostiging aan te passen, maar het is een illusie dat je door een betere intake tot veel betere plaatsing kunt komen. Waarom niet gewoon een eenvoudige doorstroomregeling, gebaseerd op het vmbo-diploma?
Een slechte zaak vind ik de cascade mbt verblijfsduur. Dat staat ook op gespannen voet met een leven lang leren. Je moet studenten niet te laag plaatsen. Je moet ook geen perverse prikkel inbouwen waardoor ze lager geplaatst worden dan nodig tbv hogere bekostiging van de studieduur. Maar je moet ook geen financiële drempel opwerpen voor scholen om degenen die het via een langere weg op een hoger niveau redden daarbij te hinderen.

Het invoeren van keuzedelen kan een goede stap zijn op weg naar een flexibel onderwijsaanbod. Van groot belang is dat regionale initiatieven daarbij alle kans krijgen en dat goedkeuring snel gebeurt op basis van een dusdanig beoordelingskader dat de uitslag voorspelbaar is voor de indieners.

Diploma’s, niet de sleutel maar het slot

In het laatste nummer van Socialisme & Democratie pleit Marijke Linthorst voor een forse investering in het beroepsonderwijs. Ze heeft het daarbij overigens met name over het vmbo. Die gewenste investering bestaat uit twee elementen:
• Moderne inrichting van en apparatuur in de gebouwen
• Extra ruimte voor ondersteuning van leerlingen, naast de cognitieve begeleiding die scholen al bieden
Het zijn pleidooien waar weinig tegen in te brengen is. Het vmbo is al te lang en te vaak de vergeten restpost in ons onderwijs. En daarmee bevestig je de beleving dat een gang naar het vmbo geen keuze maar een noodzaak is. “Je gaat niet naar het vmbo omdat je iets goed kunt, maar omdat je ‘niet goed genoeg’ bent voor havo of vwo”, aldus Linthorst. Herkenbaar voor iedereen die bij het onderwijs betrokken is.
Waarom dan deze reactie? Het is onwaarschijnlijk dat dat slechts gaat om het ondersteunen van het pleidooi dat hier gehouden wordt. Dat klopt. Hoe goed bedoeld ook, het artikel van Linthorst slaat qua analyse op een aantal punten de plank mis. En dat leidt tot oplossingen die mijns inziens onvoldoende ingaan op de fundamentele problematiek waar ons onderwijs mee worstelt. Dus daar probeer ik hier een steentje aan bij te dragen.

Waar gaat het mis bij Marijke? Op enkele punten doet zij uitspraken die leiden tot een verkeerd beeld van de huidige situatie. Daarmee voorkomen zij echte oplossingen.
1. In het artikel worden theoretisch onderwijs en een hoger niveau op een hoop gegooid. Zo wordt er makkelijk gesproken over “zo hoog mogelijk theoretisch onderwijs”. De tweedeling tussen theoretisch en praktisch onderwijs staat daarmee gelijk aan een indeling in twee niveaus.
2. Het mbo krijgt het adjectief “theoretisch”. Dat wordt nergens onderbouwd en mag volgens mij niet waar zijn.
3. Over de middenschool wordt gezegd dat “alle leerlingen tot hun vijftiende hetzelfde onderwijs zouden krijgen”. Dat is volgens mij nooit de bedoeling geweest.
4. Op meerdere plaatsen wordt gewezen op overschatting van leerlingen als het gaat om hun zelfstandigheid. Zij zouden “regisseur moeten zijn van (zijn) eigen leerproces”. En even later: “er wordt van leerlingen een veel grotere zelfstandigheid verwacht dan zij feitelijk aankunnen”. Alhoewel dit in de praktijk allebei het geval kan zijn, is dit niet wat we met ontwikkelingen in het onderwijs (moeten) beogen. Het gaat er om dat leerlingen zich wel in deze richting ontwikkelen, maar dat doen we niet door ze zonder meer in het diepe te gooien. De rol van leerkrachten is daarbij cruciaal en meer dan “deze moet geen kennis meer overdragen, maar zich opstellen als coach, …”.

Wat is er dan wél aan de hand?
Hierboven blijkt al wel dat er veel fundamentelere problemen spelen dan de materiële voorzieningen in het vmbo en de omvang van de ondersteuning. Ons onderwijs is van een behoorlijk niveau, maar niet in staat om antwoorden te formuleren die passen bij de huidige omgeving. Daarvoor zijn een paar oorzaken aan te wijzen:
• Het selectieve karakter van ons onderwijs, gestuurd door de overgangsmomenten tussen schoolsectoren waarop steeds weer stevige keuzes gemaakt moeten worden.
• Het systeem van toetsen en diplomeren wat steeds leidt tot keuzes voor datgene waar iemand het minst goed in is. De onderkant van iemands potentieel is bepalend voor de keuzemogelijkheden. De bovenkant en het groeipotentieel zijn niet van doorslaggevend belang.
• Verschillende leerstijlen worden zeer verschillend gewaardeerd en te makkelijk vertaald in verschillende niveaus van leren. Een praktische leerstijl krijgt daarbij al snel het etiket van een lager niveau dan een meer theoretische leerstijl. Hieraan gekoppeld is de overwaardering van theoretische, cognitieve vaardigheden terwijl we weten dat praktische en niet-cognitieve vaardigheden minstens zo belangrijk zijn voor een succesvolle (levens)loopbaan.

En wat moeten we dan doen?
Er moet en kan natuurlijk een hoop gebeuren om zaken te veranderen en verbeteren. De vraag is of we een ingreep kunnen bedenken die een échte verandering teweeg kan brengen, een omslag in ons hele systeem van leren en opleiden.
In mijn zoektocht naar zo’n ingreep kwam ik op het volgende:
LATEN WE DE DIPLOMA’S AFSCHAFFEN

Diploma’s zijn de symbolen van de gescheiden scholen in het vo. Zij verbeelden het onderscheid tussen sectoren van mbo, hbo en wo. Maar bovenal: zij zorgen dat we altijd bezig zijn met waar we niet zo goed in zijn. Het is immers belangrijker om van een 4 een 5 te maken dan van een 7 een 8 te maken.
Als we afscheid nemen van diploma’s kan iedereen zich op alle terreinen ontwikkelen tot het hoogst haalbare niveau. En kan daar ook op gewaardeerd worden! Die waardering kan blijken uit een portfolio, al dan niet (deels) gevuld met (erkende) certificaten per onderdeel/vak(gebied). Door- en opstromen kan gestuurd worden door heldere eisen t.a.v. niveaus voor verschillende relevante onderdelen. Er kan per vervolgopleiding gekeken worden naar die onderdelen die echt van belang zijn om succesvol te studeren (en later aan het werk te gaan).
De leerling die (op onderdelen) een hoger niveau aan kan, kan dat realiseren zonder van school te veranderen. In tegenstelling tot de invulling die Linthorst geeft aan de middenschool kunnen leerlingen dan wel langer op dezelfde school zitten, maar ze krijgen beslist niet hetzelfde onderwijs. Een losser systeem met iets van modulering en certificering biedt ruimte om maatwerkafspraken te maken met betrekking tot doorstroom naar hoger onderwijs en instroom op de arbeidsmarkt.
Voor jongeren betekent dit meer duidelijkheid omtrent de vraag wat nog van hen gevraagd wordt om bepaalde ambities te realiseren. Werkgevers kunnen op die manier duidelijk maken wat ze qua instapniveau van belang vinden voor nieuwe werknemers.
Maar ook een leven lang leren wordt hiermee een geïntegreerd onderdeel van het opleidingssysteem. Je weet immers wat op diverse plekken gevraagd wordt en dus ook wat jij nog moet doen om jezelf daarvoor te kwalificeren.
Een laatste voordeel hierbij …. We weten allemaal dat de omgeving tegenwoordig sneller verandert dan we gewend zijn. Dat betekent ook iets voor opleidingen. Een gedifferentieerd systeem van losse, maar wel samenhangende, onderdelen kan veel sneller reageren op die veranderingen. Daarmee kunnen we afscheid nemen van het logge systeem van vastgeroeste opleidingen en daarbijbehorende eisen.

Pleidooi voor bedrijfsscholen: eens met het probleem, maar niet met de oplossing

In het Financieel Dagblad van 31 oktober pleit Anne Wil Lucas, namens de VVD woordvoerder beroepsonderwijs in de Tweede Kamer, voor overheidsfinanciering van bedrijfsopleidingen.Zoals altijd lukt het iemand in de week voor de behandeling van de onderwijsbegroting om een podium te vinden voor een bijzonder idee.
Meestal ebt die aandacht na de behandeling snel weg, dus wat dat betreft kunnen we gewoon doorgaan met ons werk. Maar daarvoor is het idee van Lucas, waar ik het grotendeels mee oneens ben, te interessant. Bovendien heeft zij in een aantal observaties gelijk als ze bepaalde problematiek aan de orde stelt.

De kern van haar betoog:
– het MBO kan niet snel genoeg reageren op ontwikkelingen in de arbeidsmarkt
– als bedrijven investeren in opleidingen mogen ze daarvoor ook beloond worden

Op deze twee punten ben ik het grotendeels eens.
Aangezien de noodzaak, volgens Lucas, voor een andere aanpak begint met de traagheid van het onderwijs, sta ik daar even bij stil. Want heeft Lucas zich weleens afgevraagd hoe die ontstaan is? Weet Lucas wat scholen door moeten maken als ze wel snel willen reageren? De aanpassing van een onderwijsprogramma vraagt niet alleen tijd omdat scholen traag zijn. Het vraagt vooral tijd omdat het allemaal binnen strak dichtgeregelde kaders van kwalificatiedossiers, inspectiekaders, onderwijstijd, etc moet gebeuren.
Het lijkt er sinds enige tijd op dat het ministerie bereid is om wat te doen aan die strakke kaders. Dat zou het voor scholen beter mogelijk moeten maken om wel snel te reageren. En dat beschouw ik voor mezelf, als bestuurder van zo’n traag ROC, dan ook direct als een opdracht.
Daarvoor pleitte ik al eerder, ook in dit blog. Zie onder andere Beroepsonderwijs is van de regio (mei 2012) en de reeks Samenwerken is meer … (juli/augustus 2012)
Het voorstel van Lucas leidt tot een beweging van het onderwijs richting vrije markt. In plaats van samenwerken gaan scholen en bedrijven met elkaar concurreren om de leerling/student. Dat past bij haar overtuiging als liberaal dat de vrije markt zoveel mogelijk de ruimte moet krijgen.
Maar het past bij mijn overtuiging dat een aantal zaken in het publieke domein hoort. Onderwijs, tenminste tot het niveau van een adequate kwalificatie voor de arbeidsmarkt, is er daar een van. Dat hoort in scholen thuis. En scholen voor beroepsonderwijs zijn geen knip voor de neus waard als ze bedrijven niet betrekken bij die opdracht. En die bedrijven zijn volgens mij mans genoeg om te zorgen dat ze voldoende beloond worden voor hun inspanningen. De belangrijkste beloning is misschien wel de goed opgeleide, gemotiveerde werknemer die ze binnenkrijgen. Maar als er ook iets in de financiële sfeer moet gebeuren … dan durf ik dat wel aan de markt tussen scholen en bedrijven over te laten.

Verdwijnen MBO-banen vraagt breed offensief i.p.v. één oplossing

Dit wordt een somber bericht, maar ook een oproep tot actie. Een vraag om op te tellen i.p.v. te kiezen.
Gisteren zag ook ik de reportage in Nieuwsuur: 500.000 MBO-banen verdwijnen in de toekomst.
NIeuwsuur
Mijn eerste reactie: dit was al bekend, maar wie komt er met een oplossing? Verder denkend verander ik die vraag in:
– Is er wel een oplossing?
– Is er wel één oplossing?
Laat ik daar eens bij stilstaan …

Is er wel een oplossing?
Gesprekken over dit probleem gaan maar al te vaak over verkeerde keuzes van jongeren, van scholen of van bedrijven. Te vaak wordt voor een populaire studie gekozen. Er wordt te weinig gekeken naar het perspectief op werk. Bedrijven zijn te veel met de korte termijn bezig. Scholen willen alleen maar zoveel mogelijk studenten inschrijven.
Maar zit daar het probleem wel? En daarmee ook … moeten we daar de oplossing zoeken?
Is het niet zo dat het verdwijnen van banen leidt tot een situatie waarin er meer mensen naar een baan zoeken dan er banen beschikbaar zijn? Denk niet aan een bepaalde sector, maar “gewoon” aan het totaal! Als dat zo is, hebben we niets aan betere keuzes of een betere afstemming tussen school en bedrijf. Dan zijn er “gewoon” meer mensen dan banen.
Dat betekent dus dat de oplossing gezocht zou moeten worden in:
– minder mensen (lastig voor elkaar te krijgen en nog lastiger te regelen)
– mensen die minder werken (slecht voor de economische groei als minder werken ook leidt tot minder productiviteit)
– meer banen (maar die moeten dan wel geschikt zijn voor de mensen die nu buiten de boot dreigen te vallen)

Is er wel één oplossing?
De meest gehoorde oplossingen tot nu toe vat ik als volgt samen:
1. In de techniek zijn banen genoeg, dus zorg voor het juiste keuzegedrag. Dwing jongeren desnoods om voor bepaalde sectoren te kiezen. Sluit opleidingen die onvoldoende perspectief op werk bieden.
2. Zorg dat jongeren hun opleiding op een hoger niveau afsluiten. Daarmee sluit hun diploma meer aan op de vraag naar hoger gekwalificeerd personeel vanuit de bedrijven.

Bij beide oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
1. De vraag naar mensen in de techniek varieert sterk per regio. Onlangs verscheen een rapport bij SER Noord Nederland waarin geconstateerd wordt dat er de komende tijd eerder sprake zal zijn van een overschot aan MBO-ers dan een tekort. Advies SER-NN
2. Opleiden op een hoger niveau is een goede zaak, maar we moeten niet de illusie hebben dat het haalbaar is om dat voor iedereen te laten slagen. Om het populair te zeggen: we kunnen niet iedereen slimmer laten worden…

Zo kun je nog even doorgaan. Er zijn meer oplossingen denkbaar. En bij al die oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
3. Biedt het terughalen van industrie die eerder geoutsorced werd voldoende volume om het verlies aan banen te compenseren?
4. Zijn de desbetreffende banen op het niveau van de banen waar we nu zo massaal aan verliezen? Of komen er in ruil voor het verlies op MBO 2/3 banen op MBO+ of HBO niveau terug?
5. Zijn er banen te realiseren door binnen huidige werkprocessen door middel van job carving functies te creëren op MBO 2/3 niveau? Valt dat binnen de mogelijkheden van een bedrijf? Ten koste waarvan gaat dat? Hoeveel banen zijn op die manier te realiseren?

Wellicht valt er meer te bedenken …
6. Wat kan het investeren op maakindustrie en ambachtelijke beroepen aan (nieuwe) banen opleveren?
7. Hoe kunnen we de effecten van verdringing van hoog naar laag beperken of voorkomen?
8. Hoe kunnen opleidingen zorgen dat mensen flexibeler inzetbaar zijn in een steeds sneller veranderende beroepenwereld?

Ik sluit af met een paar voorzichtige conclusies:
– Het probleem is complex en dé oplossing is niet voorhanden.
– De discussie moet zich niet richten op de vraag welke oplossing de beste is, maar hoe we zoveel mogelijk eventuele oplossingen in praktijk kunnen brengen onder het motto “alle kleine beetjes helpen”.
– De verschillen, zelfs binnen een klein land als Nederland, zijn groot. Dat vraagt om veel ruimte voor de regio om daar passende maatregelen te nemen.
– Die maatregelen gaan alleen helpen als partijen, zoals onderwijs, overheid en ondernemers, niet naar elkaar kijken maar met elkaar de handen ineen slaan. We zullen het samen moeten doen!

Ruim baan voor het ambacht, maar verwacht geen wonderen

Onlangs las ik de reactie van het kabinet op het SER-advies “Handmade in Holland, vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie”. Een belangrijk advies (en dus ook een belangrijke reactie) want het gaat over de visie op onze economie van nu en straks. Die visie spitst zich hier toe op de positie van het ambacht in die economie.
Wie de reactie leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het ambacht de reddingsboei is die onze kwakkelende economie voor de verdrinkingsdood moet behoeden. Die indruk ontstaat met name door het taalgebruik aan het begin van de reactie:
“… dat de ambachtseconomie een onmisbaar onderdeel is van de Nederlandse (kennis)economie en samenleving. De ambachten leveren een substantiële bijdrage aan de economische ontwikkeling van ons land en vormen een bron van creativiteit en innovatie.”
“De ambachtelijke sector zorgt voor werkgelegenheid, creativiteit en innovatie.”
Wat hier staat ga ik niet ter discussie stellen. Waar ik wel aandacht voor vraag is het relatieve belang van deze sector. Een paar vragen daarover:
– hoe groot is het percentage werkenden in de ambachtseconomie?
– hoeveel banen staan op de tocht in andere economische sectoren?
– hoeveel van die verdwijnende banen kunnen vervangen worden door banen in de (wellicht groeiende) ambachtseconomie?
– hoeveel mensen hebben die talenten die noodzakelijk zijn om in de ambachtseconomie succesvol te opereren?
Het denken over ambachten lijkt soms gedreven te worden door een vorm van paniek over het uitblijven van antwoorden op prangende vragen rondom de economische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt en de relatie met het (beroeps)onderwijs.
En in paniek wordt vaak (of altijd) veel (of alles) door elkaar gehaald. Dat zien we terug in de terminologie in de kabinetsreactie. In deze wereld hangt veel natuurlijk met elkaar samen, maar die samenhang wordt een warboel als je alles door elkaar haalt.
Zo wordt de aandacht voor het ambacht gecombineerd met mogelijke tekorten op de arbeidsmarkt in de sector techniek. Dat laatste wordt inmiddels ook al weer ter discussie gesteld en lijkt in elk geval een stuk diverser te liggen dan we dachten. Maar de vraag is vooral of datgene wat in de techniek aan vakmanschap gezocht wordt overeenkomt met wat we onder ambachten verstaan.
En wat er wel of niet onder die term valt blijft in de reactie onbesproken. Ik kom wel expliciet tegen wat het NIET is. Daarmee worden de traditionele beelden van (oude) ambachten verwezen naar de geschiedenisboeken.
Maar ik lees nergens wat het WEL is, die moderne ambachtelijkheid.
Een tweede verwarrende zaak is het mengen van de begrippen ambachtelijkheid en vakmanschap. Nou vraagt een ambacht natuurlijk om vakmanschap. Maar we zouden het begrip vakmanschap veel breder moeten definiëren. Eerder schreef ik daarover naar aanleiding van een rapport van het SCP. (Zie: https://frankvanh.wordpress.com/2014/02/06/vakmanschap-het-probleem-of-de-oplossing/ )
Verder valt me op dat de ambachtseconomie soms gelijkgesteld wordt met de technieksector. Meer aandacht voor ambachtelijke vaardigheden in het onderwijs is hetzelfde als ruimte voor praktische vaardigheden en, erger nog, wordt verward met ruimte voor een praktische leerstijl.
Ook wordt de huidige aandacht voor excellentie in het onderwijs mijns inziens iets te makkelijk op één hoop gegooid met de gepredikte waardering voor het ambacht. Excellentie en ruimte voor talentontwikkeling zijn uitdagingen die we als scholen zeker aan moeten gaan. Maar dan wel in de volle breedte en op alle niveaus, niet alleen voor een, volgend mij relatief klein, deel van de arbeidsmarkt dat zich laat definiëren als ambachtseconomie.
Tenslotte … de redding voor de Nederlandse economie moeten we, volgens vele opinieleiders, zoeken in de maakindustrie. Ook dat begrip overlapt deels de ambachtelijke sector. Maar als het niet meer dan dat is, zal het die beloofde redding zeker niet brengen. Daar is meer voor nodig, en dat betekent dat we niet moeten kiezen of delen, maar optellen: we moeten het hebben van alle (kleine) beetjes die kunnen helpen. De ambachtelijke sector is er daar zeker ook één van, maar zeker niet de enige.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën