Archive for the 'Onderwjis algemeen' Category

Het kán niet alleen anders, het móet ook anders

069c066

“Ons onderwijs leidt op volgens een stramien dat zinvol was in een heel andere tijd dan waarin we nu leven.” Wie mijn blog al eerder las, weet dat zo’n zin mij aan het lezen en denken zet.

Een kort blog daarover dit keer, en alweer vooral bedoeld om te verwijzen naar een artikel dat je echt niet mag missen. Afgelopen zaterdag schreef Valerie Frissen een betoog in het Financieel Dagblad. Daarin pleit zij voor forse veranderingen in het onderwijs, met name als het gaat om beoordelen en examineren. Daarbij kijken we namelijk slechts op één moment naar een beperkt ontwikkelingsgebied.
Ofwel, “(een diploma) is niet meer dan een gestolde momentopname van je ontwikkeling, waarbij je bovendien maar op een beperkt scala vaardigheden bent getoetst”. En dat sluit al lang niet meer aan bij de vragen die de moderne samenleving aan kinderen, studenten en werknemers (van de toekomst) stelt.

En verder:
– waardeert het onderwijs slechts formele kennis, terwijl informele kennis minstens zo belangrijk en waardevol is
– leidt de ‘diploma-fetisj’ tot het alsmaar nastreven van hoger opleiden als het ultieme doel van onderwijs
– heeft deze miskenning van ‘lager’ opgeleiden een steeds groter tekort aan vakmensen tot gevolg
– wordt het onderwijs gedomineerd door standaardcurricula, waarin iedereen na een jaar of vier geacht wordt een diploma te halen
– waarmee (moderne) mogelijkheden voor maatwerk dat aansluit bij niveau en enthousiasme van iedere leerling/student ongebruikt blijven

Kortom,…. lezen!

Valerie Frissen over onderwijs

Kwaliteitsverbetering: slimmer, eerlijker en misschien zelfs beter…

Een aantal hogescholen wordt binnenkort gekort op de bekostiging omdat hun resultaten niet voldoen aan de gemaakte resultaatafspraken. Dat betekent dat zij met minder geld moeten gaan werken aan kwaliteitsverbetering. Een uitdaging, lijkt me. En wellicht het begin van een neerwaartse spiraal. Wat gebeurt er immers als zij die gewenste verbetering niet weten te realiseren? Nog minder geld?Met bovenstaande redenering probeer ik duidelijk te maken dat resultaatafspraken als middel voor kwaliteitsverbetering wel eens het tegengestelde effect kunnen veroorzaken.

Nou ben ik sowieso niet voor variabele beloning, zoals deze zowel in het hoger onderwijs als in het mbo een steeds groter deel van de bekostiging vormt. Maar ik ben wel blij dat er in het mbo voor een andere aanpak is gekozen, waarbij het niet (perse) om harde kwantitatieve resultaten hoeft te gaan, maar ook de mogelijkheid bestaat om kwalitatieve doelstellingen op te nemen in het kwaliteitsplan. 

Maar ook dat heeft zo zijn keerzijde. Enkele jaren geleden moest het hele mbo aan de slag met een kwaliteitsplan. Daar kwam al snel een extra onderdeel bij in de vorm van een plan voor excellentie. En intussen werd al gekeken of scholen het voortijdig schoolverlaten wel genoeg omlaag brachten (dat lukt aardig, maar de vraag is wat er gebeurt als de ondergrens van het haalbare gehaald wordt). Aan al deze zaken kan financiële beloning of straf gekoppeld worden. Dat geldt ook voor de laatste loot aan deze stam: het BPV-plan.

Dus inmiddels hebben alle scholen deze plannen opgesteld, ingediend en beoordeeld gekregen. En moeten zich over al deze plannen verantwoorden via tussenevaluaties, monitorgesprekken, etcetera. Dat leidt volgens mij tot ongewenste parallelle beleidscycli en daarmee tot ongewenste bureaucratie. Het ministerie geeft per onderdeel vaak aan wanneer op welke manier gepland, gemonitord en verantwoord moet worden. Volgens mij moet dat beter kunnen.

Ik ben immers absoluut niet tegen kwaliteitsverbetering en al evenmin tegen verantwoording. Scholen worden publiek bekostigd en moeten zich dus ook publiek (kunnen) verantwoorden over de manier waarop zij dat geld inzetten en de resultaten die zij daarmee bereiken.

Maar we moeten met elkaar niet willen dat er in april een opdracht naar een school gaat om binnen zes weken een BPV-plan te maken dat kan rekenen op draagvlak binnen de scholen. En daar is dan ook nog extra geld aan gekoppeld dat gedurende het lopende kalenderjaar toegekend, ontvangen en besteed moet worden. Daarmee maak je scholen gek en heb je verwachtingen die niet verantwoord te realiseren zijn.

Zou het niet veel beter zijn als het ministerie met deze sturing aansluit bij de bestaande gang van zaken? Zou kwaliteitsverbetering geen onderwerp moeten worden van het jaarverslag? En dan niet alleen in het terugkijken, maar juist ook in het vooruitkijken. Ofwel, laat scholen presenteren waar zij komende jaren aan willen werken op het gebied van kwaliteitsverbetering. Niet in een apart plan, maar als onderdeel van het jaarverslag (dat dan dus niet alleen verslag, maar ook plan wordt). 

Op die manier kunnen de beleidscycli van ministerie en scholen meer synchroon gaan lopen. Dat zou er als volgt uit kunnen zien:

  • In mei/juni geeft het ministerie aan of er bijzondere onderwerpen/verwachtingen zijn waar scholen zich op moeten richten. 
  • Daarbij wordt ook duidelijk gemaakt wat dat betekent voor de bekostiging in de komende periode. 
  • Scholen kunnen vervolgens na de vakantie beginnen met het maken van een plan voor het komend jaar (of het eventueel aanpassen van een bestaand meerjarenplan)
  • Die plannen kunnen dan gekoppeld worden aan de inzet van middelen, zoals dat zichtbaar wordt in de begroting
  • Dit alles resulteert in een jaarverslag/-plan waarin dat bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. Het jaarverslag zoals we dat kennen, inclusief financiële verantwoording
  2. De inhoudelijke plannen voor het (dan al lopende) jaar, inclusief bijbehorende inzet van middelen
  3. De continuïteitsparagraaf, zoals we die nu kennen, waarin ook ingegaan wordt op kansen en bedreigingen ten aanzien van de beoogde kwaliteitsverbetering. 

Al met al niet veel minder werk, maar wel passend in het leefritme van de school en daardoor minder stress veroorzakend en waarschijnlijk effectiever en efficiënter. 

Nieuwe kijk op levenslang leren

We MOETEN met z’n allen ons leven lang leren!
Tot zover het oude nieuws, want dat roepen we al jaren.
Maar … NU moet het ECHT!
Ja, ja … nog steeds oud nieuws…..

Het MOET wel, maar we DOEN het niet!
Ook zo’n bekend liedje, maar hier ligt het wat genuanceerder. Met name hoger opgeleiden lijken dit redelijk voor elkaar te hebben. Zij hebben de ambitie en potentie om zichzelf met enige regelmaat bij- op- of om te scholen. Maar juist de onderkant van de arbeidsmarkt en bepaalde kwetsbare groepen maken (te) weinig gebruik van de geboden mogelijkheden.

Over deze zaken las ik (weer) in een recente brochure van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: “Toerusten en verbinden” (OCW, juli 2016). Nou was ik al wat langer aan het denken over dit fenomeen. Daarbij werd ik vooral gestimuleerd door gesprekken met werkgevers die soms ook met de handen in het haar zitten. “Hoe krijg ik mijn mensen aan het leren? Er verandert van alles en ik moet ze daarin meekrijgen anders kan ik ze niet aan het werk houden. Maar na jaren hetzelfde doen, krijg ik ze niet meer in beweging…”
Tegelijk met deze geluiden, kwam ik tot de constatering dat wij met ons ROC eigenlijk veel te weinig voor elkaar krijgen op deze markt. En als je daar een opmerking maakt, wordt het verklaard met een verwijzing naar de CAO die onze kostprijs veel te hoog zou maken. Maar dat is natuurlijk alleen maar een reden om niet op prijs te gaan concurreren met andere aanbieders. En verder een goede aanleiding om na te denken over de vraag waarom men ondanks die hoge prijs tóch voor ons zou (kunnen/willen) kiezen…..

Nou was het dezelfde brochure van OCW die me het laatste zetje gaf om over dit onderwerp (na lange tijd) weer eens enkele gedachten in een blog te plaatsen. Daarin wordt nog maar eens gewezen op het feit dat onze omgeving zo snel verandert. En die veranderingen leiden tot het verdwijnen, verschijnen en veranderen van banen. “…de technisch medewerker van straks zal andere verantwoordelijkheden hebben dan die van vandaag”, zo las ik.
Maar de belangrijkste zin was misschien wel “Permanent leren gebeurt voor een belangrijk deel op en tijdens het werk”. In die zin zit wellicht het grootste probleem verscholen dat er de afgelopen jaren voor zorgde dat een leven lang leren zo moeilijk van de grond komt. In ons “traditioneel” denken over leren maken we onderscheid tussen leren en doen, tussen leren en werken. Leren is daarbij een (hinderlijke, maar noodzakelijke) onderbreking van het werk.

Dat lijkt wel wat op de scheiding die we in het MBO maken tussen onderwijstijd (BOT) en stage (BPV). Die gaat uit van een onderwijsmodel waarin we leren op school (tijdens BOT) en het geleerde daarna toepassen in de praktijk (BPV). Om er in die praktijk achter te komen dat de werkelijkheid er anders uitziet dan we op school voorgeschoteld krijgen… Daarom zochten wij naar een manier waarop die praktijk niet volgt op de theorie, maar waarin het leren juist ín die praktijk plaatsvindt. Dat leidde tot de “praktijkroute”. Mocht je nieuwsgierig zijn dan vind je hier een aantrekkelijke presentatie van dat idee: Animatie praktijkroute

Dit denken zou toch ook moeten helpen bij een andere benadering van “een leven lang leren” ofwel, zoals ik het liever ga noemen, “permanente ontwikkeling”. We zien nu ook in de praktijkroutes dat medewerkers van bedrijven belangstelling hebben voor wat onze studenten leren en voor de begeleiding die daarbij geboden wordt. De toegevoegde waarde van een ROC kan wel eens meer zitten in de kwaliteit waarmee leerprocessen begeleid worden. Docenten die individuele medewerkers, maar ook teams begeleiden bij het steeds weer beter worden en het integreren van nieuwe ontwikkelingen in de reële praktijk. Dan is een leven lang leren gewoon hetzelfde als een leven lang werken en meteen ook een voorwaarde om een leven lang aan het werk te blijven…….

Hoe kleiner, hoe fijner? Ofwel: de zoektocht naar meer (kans op) kwaliteit

In Den Haag denken mensen vaak na over de oplossing van problemen in ons land. Zo ook bij het ministerie van Onderwijs. Daar kijken ze hoe het ervoor staat met ons onderwijs en op welke manier via wetgeving problemen opgelost, of tenminste verkleind, kunnen worden.
Zo zat ik vanmiddag in een gesprek over de (vermeende?) noodzaak om het MBO “kleinschalig en herkenbaar” te organiseren. Daarmee zouden studenten (en docenten) zich meer thuis gaan voelen op MBO-scholen en dat zou dan weer leiden tot beter onderwijs met minder uitval.

De basis voor het gesprek is door het ministerie gelegd in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juni 2014 “Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo”.

Een citaat uit deze brief:
“Uit onderzoek, ook in andere onderwijssectoren, blijkt dat het studiesucces van een student toeneemt wanneer hij/zij zich thuis voelt op een school en deel uitmaakt van een (kleine) groep.”
Zie daar een belangrijk uitgangspunt waar het ministerie haar denken op baseert. Ik herken er wel iets in, dus laten we maar aannemen dat deze bewering hout snijdt, alhoewel die prestaties toch ook wel beïnvloed zullen worden door de kwaliteit van het onderwijs, de docenten, de leeromgeving.

Waar ik moeite mee heb is de eenvoudige relatie die gelegd wordt tussen de omvang van een school en de mate waarin studenten zich thuis voelen. Iedereen is het er wel over eens dat het van belang is voor dat “thuis voelen: dat studenten de anderen kennen en door anderen gekend worden.
Maar bestaat er een direct verband tussen het gevoel van gekend worden en de omvang van de school. Moet iedereen de student dan kennen? Moeten alle studenten elkaar kennen?
Kennen en gekend worden is van belang, maar naar mijn mening geldt dat voor de kring die direct om de student heen bestaat: medestudenten en het verantwoordelijke team van docenten. Deze kring kan niet oneindig groot zijn. Op onze school streven we naar ongeveer 250 studenten en een daarbij passend team van 10-12 mensen.
De verbinding met de omvang van de school wordt bepaald door het aantal van deze kringen. Het maximum dat daaraan verbonden is durf ik niet te stellen. Wel denk ik dat dat maximum meer bepaald wordt door de organiseerbaarheid van de school dan door de (ervaren) kwaliteit.

Een (of “de”) oplossing waar OCW over nadenkt om die kleinschaligheid en herkenbaarheid te organiseren is de “gemeenschap van MBO-colleges”: “Tijdens de MBO Tour zag ik dat er op veel plaatsen geprobeerd wordt om het onderwijs kleinschalig te organiseren binnen een roc. (…) Ik vind deze ontwikkeling een goede zaak en zal daarom een nieuw bestuurlijk model introduceren: de gemeenschap van mbo-colleges, waarbinnen het onderwijs wordt georganiseerd in aparte colleges. De colleges kunnen zijn gericht op een bepaalde branche of sector.”

Een paar opmerkingen over deze oplossingsrichting, die ik overigens op geen enkele manier zou willen verbieden. Hoe meer keuze, hoe meer kansen….

  • Worden hier de begrippen kleinschalig en klein wel goed onderscheiden? Terecht spreekt de minister haar bewondering uit voor ontwikkelingen binnen ros’s die moeten leiden tot kleinschaliger georganiseerd onderwijs. Maar waarom zouden deze mbo-colleges dat bevorderen? Zijn dat niet “gewoon” kleinere scholen? En wat is dan “klein”. Als je 20.000 studenten verdeeld over vijf of zes colleges heb je nog steeds scholen van enkele duizenden studenten. Bepaald geen garantie voor een thuisgevoel, zo lijkt me.,
  • Waarom wordt gekozen voor een verzameling van opleidingen “gericht op een bepaalde branche”. Dat lijkt goed voor de herkenbaarheid, maar in de wereld om ons heen zien we grenzen tussen branches steeds meer vervagen. Het vergroten van de afstand tussen sectoren in onze scholen is dan een tegengestelde beweging, waarvan het maar de vraag is of deze de herkenbaarheid vergroot, bekeken vanuit het perspectief 2015 en niet 1995. Moeten we in onze scholen niet meer ruimte maken voor netwerken van onderwijsteams die multisectoraal samenwerken met de omgeving (die dat vaak al lang doet)?

Het wordt weer tijd voor een overeenkomst tussen de mogelijke plannen van OCW en mijn gedachten … Voor beter onderwijs is onderwijskundig leiderschap cruciaal. Het ministerie belegt dat leiderschap bij de “collegedirecteur”. Deze is tevens het boegbeeld van het college en aanspreekpunt voor bedrijven, overheid en ouders. Hierover is in de genoemde kamerbrief het volgende te vinden: “Met dit bestuurlijk model beoog ik ook het onderwijskundig leiderschap binnen het nieuw te vormen mbo-college een stimulans te geven. Dat doe ik door de introductie van de collegedirecteur.“
Het is van groot belang dat het management zich richt op de kwaliteit van het onderwijs, een ondersteunende organisatie en een intensieve dialoog met het bedrijfsleven. In veel ROC’s is dat belegd bij directeuren, al dan niet in combinatie met opleidingsmanagers (of welke naam dan ook). Maar waarom moet de functie van collegedirecteur zoveel nadruk krijgen? Voor welke deur die nu nog gesloten blijft heeft deze nieuwe functionaris de sleutel in handen. Hoe verhoudt deze rol zich tot de ontwikkeling van teams die, conform het professionele statuut, steeds meer verantwoordelijkheid krijgen en nemen voor de inrichting van het onderwijs en de kwaliteit waarmee dat uitgevoerd wordt? Zou dat niet moeten leiden tot:

  • onderwijskundig leiderschap dat dichtbij, of zelfs ín, het team vorm krijgt
  • een organisatie die zich toespitst op de ondersteuning van teams en het gesprek voert met teams over de randvoorwaarden om onderwijskwaliteit te leveren
  • rechtstreekse input in de teams vanuit bedrijven en samenwerking met bedrijven bij de realisatie van modern beroepsonderwijs

Laten we leidinggevenden, met welke titel dan ook, de focus laten leggen op het realiseren van deze ambities. Dan komt het met dat thuisgevoel ook wel goed (of tenminste beter).

Bestuurder laat je zien

“Onderwijsbestuurders gaan gesprek uit de weg” luidde de kop boven een ingezonden artikel in het Parool van afgelopen donderdag (22-10). In het stuk schrijft Rik Seveke, programmamaker onderwijs van De Balie, over zijn activiteiten in dit debetcentrum waar het vaak over onderwijs gaat. Bij die gesprekken zijn velen betrokken als deelnemer en/of toeschouwer. Maar, zo constateert Seveke, “de enigen die zich hieraan onttrekken en daarmee onderwijsontwikkeling belemmeren zijn de bestuurders”. Even verder over diezelfde bestuurders: “Zelden komen zij in de school of in de klas. Door permanent het gesprek met onderwijsprofessionals uit de weg te gaan ontbreekt er een cruciale schakel in de ontwikkeling van onderwijs in Nederland.”
“Als onderwijsbestuurder kom ik bijna dagelijks op scholen en spreek ik veel ouders”, zo luidde een deel van de herkenbare, maar ok voorspelbare reactie in dezelfde krant vandaag. Daarin dient Herbert de Bruijne, CvB-voorzitter in het primair onderwijs, Seveke van repliek. Eerlijk is eerlijk, zo luidde ook mijn eerste, impulsieve reactie. Gewoon omdat het zo is. Als CvB kiezen wij er bewust voor om ruimtes te gebruiken die midden in het onderwijsgebied liggen. Naast onze meest gebruikte overlegruimte zit een gewoon klaslokaal. De gangen waar we doorlopen worden vooral gevuld door studenten en docenten op weg van en naar onderwijsruimten.

Maar wat helpt het als ik tegen de stelling van Seveke inbreng dat hij, wat mij betreft, ongelijk heeft. Moeten we discussie laten gaan over het deel van de onderwijsbestuurders dat wel of niet beantwoordt aan het beeld dat Seveke ons voorspiegelt? Van mij mag de Bruijne o die manier reageren, maar ik doe er niet aan mee. Het heeft namelijk geen enkele zin. Iedereen weet dat er betere en minder goede voorbeelden zijn. Wat dat betreft zijn onderwijsbestuurders net mensen … je hebt ze in vele soorten en maten.

Wat wel telt is dat Seveke ons een beeld voorspiegelt dat we, helaas, maar al te vaak tegenkomen. Dat van (onderwijs)bestuurders in een ivoren toren, ver weg van de plaats waar het echte werk uitgevoerd wordt. Ik kan me in dat beeld niet herkennen, maar het is natuurlijk niet zomaar ontstaan. En zoals altijd, zo’n imago komt te paard, maar gaat te voet. Alleen door gedurende lange tijd, steeds weer herhalend, een andere werkelijkheid neer te zetten, kunnen we hopen dat er een nieuw beeld ontstaat.
En dat moet niet op de eerste plaats gebeuren omdat we als bestuurders last hebben van die negatieve beeldvorming. Het is pure noodzaak omdat het aangaan van het gesprek een belangrijke kern van ons werk is. Daarover iets meer …

Belangrijk deel van je werk als bestuurder is kijken naar de koers die je als instelling op lange termijn wilt volgen. Dat bepaal je niet zomaar. De koers van het onderwijs zal altijd een reactie zijn op datgene wat in de omgeving van scholen gebeurt en de vragen die dat oplevert. De enige manier om dat goed in beeld te krijgen is het tegenovergestelde van de stelling van Seveke. Niet het gesprek uit de weg gaan, maar juist het gesprek gaan voeren.
Begin dit kalenderjaar startten wij op school aan de afronding van een zogenaamde “koersplanperiode”. Een periode van drie jaar die gedekt werd door een koersplan dat we voor die jaren geschreven hadden. Daarin beschreven we wat we zagen als belangrijkste uitdagingen voor die periode en wat we bij het omgaan met die uitdagingen voor elkaar wilden krijgen.
Nou geloven wij niet zou in SMART-doelstellingen waarvan je met behulp van een checklist aan het einde van de reis controleert of ze bereikt zijn. Een koersplan is geen projectplan… het is een reisplan dat weliswaar een richting en ambities definieert, maar tegelijk voortdurend verandert onder invloed van wat zich in de school en in de omgeving van de school afspeelt. De periode van zo’n plan kan op een gegeven moment aflopen, maar daarmee is de reis nog niet beëindigt. Wat we wilden was dus vooral antwoord vinden op de vraag of ons reisdoel nog steeds hetzelfde was en of we in de afgelopen jaren wat dichterbij gekomen waren.
Om daar achter te komen bestaat maar één manier: de vraag stellen! En dat deden we. Bij de verschillende opleidingen werden gesprekken georganiseerd waaraan docenten, studenten en mensen uit het bedrijfsleven deelnamen. En uiteraard deed het CvB mee, graag zelfs! We kozen wel voor een bepaalde rol, die vooral bestond uit luisteren en vragen stellen. We waren namelijk erg nieuwsgierig naar de gesprekken die gevoerd werden. Waren de verschillende groepen het snel met elkaar eens? Of hadden ze juist heel verschillende belevingen van de afgelopen periode? En bestonden er grote verschillen tussen verschillende (groepen van) opleidingen? Of kwamen dezelfde problemen steeds weer terug?

Op grond van wat we hoorden tijdens deze gesprekken, trokken we als CvB voorzichtige eerste conclusies. Om daarmee ook weer het gesprek aan te gaan… hadden we het goed begrepen? Waren dit inderdaad de cruciale kwesties waar we in de komende jaren mee aan de slag moesten gaan? Waren dat ook de zaken waar docenten warm voor liepen? Zou het bedrijfsleven meewerken om hier oplossingen voor te bedenken? Voelden studenten zich geholpen als we deze zaken aan zouden gaan pakken?

Het is een simpel voorbeeld. Ik ben ervan overtuigd dat er zo veel meer te vinden zijn. En ze geven volgens mij de kern van ons werk aan: het gesprek op gang brengen, de juiste zaken ter discussie stellen, luisteren en aan de slag met de reacties en antwoorden. Maar ook: zorgen dat de vensters van de school open blijven staan, zodat we alles doen met het oog op hetgeen zich in de buitenwereld afspeelt.
En om dat te doen moeten we dat gesprek niet alleen in de school voeren, maar juist ook daarbuiten. Ouders, bedrijven, overheden, andere spelers in de omgeving voeden ons om onderwijs mee vorm te geven, om medewerkers te inspireren maar ook te confronteren, om met elkaar te bouwen aan (nog) beter onderwijs dat klaar is voor de toekomst.Bestuurder laat je horen

Zomerslaap

graag verwijs ik tijdens de vakantie naar een blog over de vakantie Zomerslaap.

Het staat er goed!

 

Modern beroepsonderwijs … het komt eraan!

Geen echt blog dit keer. Maar als je wilt weten hoe het kan … kijk dan eens naar deze animatie: https://m.youtube.com/watch?v=3GG3DptUKNg


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën