Archive for the 'Onderwjis algemeen' Category



Een kwestie van kiezen??? … Dan wel voor kwaliteit!!!

Vorige week stond er een “must read” in VONK, een wekelijkse bijdrage van de Volkskrant. Het gaat om een artikel van Jikke Emmelkamp, onderwijzeres in hart en nieren.
In het artikel reflecteert zij op het resultaat van een week tijdschrijven. En wat blijkt:
– ze besteedt minder dan de helft van haar werktijd aan lesgeven
– ze werkt fulltime, terwijl ze een part time aanstelling heeft
– ze vraagt zich steeds weer af hoe het beter kan

Als ik de rest van haar relaas lees, dan kom ik tot één hoofdconclusie: wij durven geen keuzes te maken bij de inrichting van ons onderwijs!

Dus besteden we meer aandacht aan de basisvaardigheden taal en rekenen, maar blijven we ook alle andere zaken doen. Want die zijn maatschappelijk noodzakelijk, breder vormend, gericht op andere, net zo noodzakelijke, vaardigheden.

Dus vinden we de mening van een leerkracht over de voortgang van leerlingen van belang, maar willen we die voortgang ook zo objectief mogelijk getest zien. Dus spinnen centra garen bij de ontwikkeling van landelijke, genormeerde toetsen.

Dus moet er sprake zijn van professionele ruimte bij docenten en docententeam, maar wordt die ruimte volledig dichtgeregeld uit angst voor …. wat eigenlijk????

De oplossing???

Het mag duidelijk zijn: ons onderwijs heeft behoefte aan keuzes. En de fundamentele keuze is volgens mij de keuze voor ruimte en vertrouwen in de richting van professionals. Die professionals zijn op de eerste plaats de docenten en hun (direct) leidinggevende. Daar ligt het primaat voor de inrichting van het onderwijs. Daar moeten de keuzes gemaakt worden omdat daar de mensen zitten die (horen te) weten wat het beste is voor leerlingen en studenten.

Maar dat vraagt meer dan alleen ruimte geven. Zoals Edith Hooge onlangs stelde: “meer ruimte vraagt om stevige sturing”. Zij gaf een aantal aanbevelingen die wel eens een sleutel kunnen bieden bij het daadwerkelijk maken van keuzes in een cultuur van professionele ruimte:

Zorg dat leraar weer een beroep met status wordt door:
– betere lerarenopleidingen met strenge selectie
– de aanpak van deeltijdwerk
– een verhoging van de beroepsstandaard door beroepsverenigingen met verplichte professionalisering en publieke verantwoording

Focus meer op inhoud en kwaliteit van het werk door:
– minder focus op salaris en arbeidsvoorwaarden in gesprek tussen bonden en werkgevers
– aanpak van onvoldoende presterende docenten en leidinggevenden

Biedt niet alleen het perspectief van de professional, maar van alle betrokkenen een plaats in het onderwijsbestuur.

Lijkt me de moeite van het overdenken waard …

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Hét alternatief bestaat niet, maar een alternatief is hard nodig …

Onlangs werd ik gevraagd om in 17 minuten mijn reactie te geven op “Het Alternatief”, een boek waarin diverse mensen een min of meer nieuwe kijk presenteren op onderwijs(beleid). De aandacht voor het boek is stormachtig gegroeid nadat de minister van OC&W het boek aanhaalde tijdens de begrotingsbehandeling van haar ministerie in de Tweede Kamer.
Kern van het boek is een oproep tot “flipping the system”, een manier om aan te geven dat het onderwijs weer meer “van de docent” moet worden.
Het boek helpt mij enorm om mijn eigen gedachten ten aanzien van onderwijsontwikkeling en -bestuur vorm te geven. Daar ben ik de samenstellers, René Kneyber en Jermer Evers, (en in hun kielzog allen die bijdroegen) dankbaar voor.
Dat betekent niet dat ik 100% achter alle ideeën in het boek sta. Dat is ook schier onmogelijk gezien de diversiteit van de bijdragen, die zeker niet altijd in elkaars verlengde liggen. Aan de hand van de titels van de vijf delen waaruit het boek bestaat, geef ik hier mijn reflecties. Daarmee geef ik geen samenvatting! Koop en lees het boek alsjeblieft zelf en vorm je eigen mening.

1. De cultuur van het afrekenen
Kern van dit deel is de kritiek op een cultuur waarin marktdenken, toetsen en vergelijken centraal staat. Het is de cultuur van de lijstjes en de kengetallen. Wie de kranten leest, kan er niet omheen. Meer toetsen, eerder toetsen, vaker toetsen … het houdt niet op.

Afrekenen is het gevolg van gebrek aan vertrouwen. De toets vervangt het professionele oordeel, omdat de professional gedegradeerd wordt tot uitvoerder. Die degradatie betekent ook het einde van de verbinding tussen professional, bestuur en beleid. Het onderwijs is geen resultaat meer van gezamenlijkheid, maar van verdeelde taken.
En daarmee ontstaat in de school een tegenstelling tussen diverse geledingen. Ook intern dringt de afrekencultuur door. De bestuurder voelt zich door de inspectie afgerekend en ziet geen andere kans dan dit doorvertalen naar “de werkvloer”.
Om de relatie binnen scholen te herstellen én om de relatie tussen school en omgeving te herstellen moeten we afscheid nemen van de afrekencultuur.

2. De leraar en zijn leerlingen
In dit deel wordt aandacht gevraagd voor de (her)waardering van de professionaliteit en expertise van leraren. De kwaliteit van het onderwijs hangt direct samen met de kwaliteit van de docent. Om het maar simpel te zeggen: liever een goede docent met een slechte methode dan andersom.

Hierboven gaf ik al aan dat in de huidige cultuur de docent gedegradeerd dreigt te worden tot uitvoerder. Het denken over en bedenken van onderwijs wordt daarbij afgescheiden van de uitvoering. Feitelijk zit daar een belangrijk deel van de vraag of de docent wle of niet gezien moet worden als een professional.
Dat laatste zie ik als een wenkend perspectief: de docent als professional die in een team zo volledig mogelijk de verantwoordelijkheid neemt voor kwalitatief goed onderwijs. Dat gaat gepaard met lusten én lasten. Het is natuurlijk prettig om ruimte te krijgen voor je professionaliteit.  De goede docent verdient die ruimte en zal daar mee omgaan op een manier die leidt tot beter onderwijs.
Maar dit vraagt ook om verantwoording. Niet in de zin van afrekenen, maar in de vorm van een professioneel gesprek in het team. Een leidinggevende doet aan dat gesprek mee. Dat professionele gesprek kan (of zal?) ook een lastig gesprek zijn. Maar het hoort er wel bij. Dat gesprek over geleverde prestaties en kwaliteit, over professionalisering en de eigen sterkte-/zwakteanalyse.

3. De school en de schoolleider
Belangrijke discussiepunten binnen de schoolorganisatie gaan momenteel over werkdruk en professionele ruimte. Te grote klassen en te veel lessen leiden tot ontevredenheid bij docenten. Zij ervaren onvoldoende invloed op deze zaken, waarbij voor hen geregeld word hoe hun werkweek eruit ziet.

In principe zou ik teams zoveel mogelijk ruimte willen geven om zelf te bepalen op welke manier zij het onderwijs verzorgen. Daarbij gaan zij over zaken als groepering, methodes, taak- en werkverdeling, etcetera. Uiteraard grijp ik daarbij terug op wat ik hierboven stelde: de manier waarop dit gebeurt is wel onderwerp van het professionele gesprek. De leidinggevende kan daarbij ruimte nemen om (de werkwijze van) de docent/het team ook te confronteren met kaders en met de resultaten/effecten die er het gevolg van zijn.
Tegelijk wil ik hier stilstaan bij de vraag dat werkdruk een ervaren gegeven is. Zonder drukte te ontkennen is het een subjectief punt of een bepaalde invulling van een weektaak als druk gezien wordt. Daarbij treedt een ervaring van werkdruk volgens mij eerder op als het werk uitgevoerd wordt in een context van onvrede, gescheiden werelden en gebrek aan samenwerking.

4. Beroepstrots en de dialoog
Een cruciaal onderdeel van het boek! Het denken over kwaliteit moet terug de school in. Daarbij (weer) voorkomen dat het tot platte afrekening leidt. Dus er moet ook ruimte zijn voor kwetsbaarheid. Zwaktes mogen getoond worden, want alleen als ze onder ogen gezien worden kan het gesprek gaan over verbetering. En alleen als je zwaktes mag tonen ontstaat er ruimte om trots te zijn op de kwaliteit die je levert en de verbeteringen die je realiseert.

Feitelijk ontstaat in dit deel van het boek voor mij “het alternatief”. Hier worden kenmerken van het professionele gesprek duidelijk. Hier komt de cultuur naar voren die als alternatief voor de afrekencultuur zou kunnen/moeten ontstaan. Daarbij passen weinig kanttekeningen. Wat mij betreft wel de opmerking dat beroepstrots niet aan docenten is voorbehouden. Wat mij betreft moeten we naar een situatie waarin alle werkers in de school trots zijn op hun beroep, maar vooral op de resultaten van hun team/school. Dat gun ik docenten, maar evenzeer administratieve krachten, bestuurders, schoonmakers, leidinggevenden, en alle anderen in de school.

5. Het alternatief
In het laatste deel krijgt het alternatief dat de samenstellers voor zich zien vorm onder de noemer “flipping the system”. Met behulp van een omgekeerde piramide presenteren zij een situatie waarin beleid en kwaliteit beginnen bij de basis: docenten. In “oude” termen pleiten zij voor een omkering: niet langer “top down”, maar “bottom up”. In zo’n systeem krijgen zaken, waar eerder voor gepleit werd, weer volop kans: trots, ruimte, autonomie, kwaliteit.

Ik twijfel over deze omkering. Blijven we daarmee niet te veel gevangen in het oude paradigma? Krijgen we niet een nieuwe vorm van eenrichtingsverkeer? Als het professionele gesprek een centrale rol vervult, impliceert dat dan geen tweerichtingsverkeer? Daar zou wat mij betreft het alternatief gezocht moeten worden … in de omzetting van een smalle eenrichtingsweg in een brede boulevard waarop al het verkeer ruimte geniet om in twee richtingen te bewegen.

20131128-222254.jpg

Het moet om het leren blijven gaan

Meestal heeft zo’n blogpost als deze een aanleiding. Iets dat me tot denken zet omdat ik het van belang vind er iets mee te doen. Van denken naar doen, zeg maar.
Nu zijn er twee aanleidingen, misschien wel drie.
Morgen leggen twee collega-bestuurders een eed af. In navolging van bankbestuurders gaan we nu ook in het onderwijs beloven dat ….
Ja, wat eigenlijk? Sommigen interpreteren het als een belofte om je best te doen, om je werk zo goed mogelijk te doen … Tja, ik mag hopen dat we dat al deden.
Mijn collega’s gaan morgen beloven dat ze het ondewrijs en de leerling centraal stellen. Als we dat morgen beloven, wat deden we dan gisteren?

De eed voor onderwijsbestuurders volgt die van bankiers op. Is de situatie in het onderwijs dan ook vergelijkbaar met de bancaire sector?
Volgens mij niet. Zonder mezelf tot deskundige te bombarderen zie ik in de bankenwereld:
– een beperkt aantal grote spelers die de markt domineren
– een aantal dubieuze producten die door alle grote spelers in de markt gezet zijn
– een sectorbreed beloningssysteem dat mikt op korte termijn winst
– aandeelhoudersbelang dat prevaleert boven klantbelang

De situatie in het onderwijs is echt anders:
– het aantal instellingen is vele malen groter
– er is geen sprake van enkele instellingen die het systeem dragen en daarom “too big to fail” zijn
– er is wel sprake van enkele dubieuze praktijken, maar die staan niet symbool voor de sector
– ten opzichte van het aantal instellingen blijven de uitwassen incidenten

Dat brengt me op de tweede aanleiding voor dit blog: de berichten over ondermaatse opleidingen die zijn aangeboden ten behoeve van belastingvoordeel voor bedrijven. Scholen lijken daarbij financiële resultaten belangrijker gevonden te hebben dan leerresultaten. Om die resultaten te boeken zijn grenzen van wetgeving opgezocht en regels zo uitgelegd dat niet de geest, maar de letter van de wet bepalend werd.

De sector heeft volgens mij geen behoefte aan bestuurders die beloven hun best te doen, maar aan bestuurders die overtuigd voor onderwijs kiezen dat zich niet laat sturen door strategieën uit de private sector.
Het gaat om resultaten van leerlingen en studenten, niet om prachtige cijfers in de jaarrekening. En daarbij passen grote vraagtekens bij termen als marktwerking, concurrentie en prestatiebeloning.

Goed bestuur voor onderwijs van morgen

Afgelopen week verzorgde ik de aftrap van een gesprek tussen MBO-bestuurders en Jet Bussemaker, minister van OC&W. Het ging over professionalisering in het licht van good governance. Hieronder de kern van mijn verhaal.
In de kern gaat het bij het realiseren van good governance om twee vragen:

  1. Hoe worden wij betere bestuurders?
  2. Hoe bevorderen we een adequate invulling van de profssionele ruimte?

Om te beginnen met de conclusie: We hebben een kloppend systeem, maar moeten zorgen dat het (beter) gaat werken!

Wat zijn de elementen van dat kloppende systeem?

Op bestuurlijk niveau kennen we een code good governance. Deze kan nog verder aangescherpt worden, maar essentieel is dat MBO-instellingen, hun bestuurders en toezichthouders, deze code onderschrijven, naleven en gebruiken in hun verantwoording. Om dit alles te bewaken is het een goede zaak dat de leden van de MBO-raad besloten hebben om toe te werken naar een situatie waarin naleving van de code good governance gezien wordt als een lidmaatschapseis van de vereniging.

En verder kennen we voor het verkeer tussen bestuurders en werknemers een driedeling die kan helpen bij het goed reguleren van de communicatie tussen deze geledingen:

  1. Een CAO regelt de arbeidsvoorwaarden. Deze komt tot stand in overleg tussen bonden, namens werknemers, en MBO-raad, namens werkgevers.
  2. De Wet op de Ondernemingsraden regelt de dialoog tussen bestuurders en werknemers over het beleid van de instelling.
  3. Het professioneel statuut regelt de zeggenschap van (docenten)teams over de pedagogisch-didactische invulling van het onderwijs.

Binnen de instellingen is het aan bestuur, management en medewerkers om te zorgen dat dit systeem goed werkt. Hoe staat het daarmee?

Bestuurders in het MBO hebben zich enkele jaren geleden verenigd in de Vereniging voor Kwaliteitsbevordering van Bestuurders in het BeroepsOnderwijs (VKBBO). In deze vereniging houden bestuurders zich intercollegiaal bezig met vragen als

  • (hoe) voldoen we aan de code goed bestuur?
  • (hoe) houden we elkaar daarbij scherp?
  • (hoe) zorgen we dat we steeds beter worden?

Het basisuitgangspunt daarbij is dat bestuurders in deze (semi-)publieke sector zich moeten onderscheiden door transparant gedrag en verantwoording. De leden van de VKBBO onderschrijven de code voor goed bestuur. De vereniging is momenteel aan het kijken op welke manier professionalisering een stevigere plek op de agenda kan krijgen. Daarbij wordt ook het gepsrek gevoerd over de wenselijkheid van een register voor bestuurders, parallel aan het docentenregister dat momenteel in ontwikkeling is.

De vereniging houdt zich niet of nauwelijks bezig met de wenselijkheid van formele structuuraanpassingen in de sector. Als we het hebben over verbetering van de governance gaat het (volgens mij) ook niet om die structuur. Het gaat wél om een stevige cultuurverandering. Die is gaande, maar vraagt tijd en energie. Wellicht meer dan sommigen wenselijk en mogelijk achten.

Docenten hebben via het professioneel statuut, binnen wettelijke grenzen en beleidskaders van de instelling, zeggenschap gekregen over de pedagogisch-didactische vormgeving van het onderwijs. Dat professioneel statuut is iets om trots op te zijn als sector. Het MBO is daarmee ook verder gegaan dan andere sectoren als het gaat om het toekennen van ruimte aan de professionals in de instellingen.
Tegelijk moeten we erkennen dat de implementatie van het professioneel statuut een pittig traject is. In de afgelopen maanden vonden door het land heen zeven bijeenkomsten plaats, waarin daarover het gesprek gevoerd werd met medewerkers, management en bestuurders. Deze bijeenkomsten waren het resultaat van een bijzondere samenwerking tussen vakbonden en MBOraad.
Tijdens de bijeenkomsten bleek hoe lastig het is om het professioneel statuut handen en voeten te geven. Het vraagt immers veel van de professionaliteit van álle betrokkenen.
Naast het nemen van maatregelen om deze ontwikkelng te structureren en faciliteren betreft het ook hier met name de ontwikkeling van een andere cultuur. Centraal element van die cultuur is het “professionele gesprek”.
Een aardig inkijkje in dat fenomeen biedt het volgende filmpje dat werd gemaakt in opdracht van de Hogeschool Utrecht: http://youtu.be/64jNETH4otI
Een paar zaken zijn van essentieel belang voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het professionele gesprek:

  • docenten ontwikkelen zich van een autonoom individu naar een bewuste professional, die zichzelf op de eerste plaats ziet als lid van een team
  • we brengen balans aan tussen het geven van vertrouwen en zeggenschap aan professionals aan de ene kant en het vragen van verantwoording aan de andere kant
  • leidinggevenden zijn bereid en in staat om de ontwikkeling van professionals en teams te ondersteunen op een manier die past bij deze uitgangspunten.

Ik trek een paar voorzichtige conclusies:

  • er gebeurt veel
  • dat is goed en nodig
  • we moeten tempo maken
  • maar hebben tijd nodig
  • naast wet- en regelgeving
  • gaat het vooral om houding en gedrag
  • dit vraagt om veranderingen op alle niveaus van de instellingen en de sector
  • dat gaat niet van vandaag op morgen

Maar de belangrijkste conclusie: het is nodig en meer dan de moeite waard!

Een cultuuromslag vragen is geen veroordeling uitspreken

Wat een hoon oogstte de minister van OCW toen zij, samen met haar staatssecretaris, pleitte voor een cultuuromslag in het onderwijs en dan met name bij docenten. Kenmerkend voor die omslag zou zijn dat docenten meer en beter gaan samenwerken, vaker bij elkaar in de klas kijken, stevig werk maken van hun professionalisering. Het idee kwam onder andere aan bod tijdens een interview: http://www.nu.nl/politiek/3370914/bussemaker-wil-cultuur%E2%80%93verandering-leraren.html

De reacties waren, met name vanuit de doelgroep, overwegend negatief en te verdelen in twee categorieën:

  1. – Dat doen we al.
  2. – Daar hebben we geen tijd voor.

Twee categorieën die elkaar volgens mij tegenspreken. Dat is natuurlijk opmerkelijk. Maar wat me meer opvalt is het gebrek aan bewustzijn dat spreekt uit deze reacties. Een gebrek aan reflectie. Waar komt het pleidooi van de minister vandaan? Waarom zou je het wél moeten omarmen?

In plaats daarvan volgen betogen over onvoldoende tijd, te veel lessen, te grote klassen en natuurlijk Finland, waar het allemaal beter geregeld is. Een en ander komt bij elkaar in een weblog: http://wonderijs.wordpress.com/2013/03/17/over-de-beleidsvoornemens-van-jet-bussemaker-en-sander-dekker-onze-bewindslieden-van-onderwijs/

Ik zou de ideeën van OCW anders benaderen.

Het pleidooi van de minister maakt duidelijk dat wat haar betreft kwaliteit van onderwijs direct samenhangt met de kwaliteit van de professional in de klas, de docent dus. Waarom omarmen die doecenten dit gegeven niet? Waarom laten ze niet zien hierin ook hun eigen verantwoordelijkheid te willen nemen in plaats van constant te wijzen op de verantwoordelijkheid van anderen?

Er zijn natuurlijk talloze docenten die dat wel doen. Die blij zijn met de erkenning die blijkt uit het pleidooi van Bussemaker. Die dat ook dagelijks mét hun collega’s omzetten in actie. Helaas komen we die in de media nauwelijks tegen (te druk?).

Uiteraard mogen docenten iets terug verwachten. Fatsoenlijke werkomstandigheden, behoorlijke toerusting, etcetera … geen onfatsoenlijke of irreële vragen. Volgens mij ook geen vragen waar geen luisterend oor voor te vinden is. Integendeel, zo goed als veel docenten zie ik veel leidinggevenden zoeken naar manieren om goed onderwijs in de school mogelijk te maken.

Het kan best zijn dat we het druk hebben. Maar ik wil er niet aan dat er geen ruimte te maken valt voor een goed gesprek over goed onderwijs. Een gesprek tussen docenten onderling én tussen docenten en schoolleiding. En dat goede gesprek is het begin van elke vorm van kwaliteitsverbetering.

Beroepsonderwijs is van de regio!

De afgelopen dagen had ik in allerlei samenstellingen de nodige gesprekken over hoe het verder moet met het beroepsonderwijs.In dit blog ga ik niet in op alle  gesignaleerde problemen. Wel probeer ik een perspectief te schetsen waar we volgens mij naar toe zouden kunnen/moeten werken om beroepsonderwijs te moderniseren en te verduurzamen.

Dat perspectief heeft als uitgangspunt dat een perspectief voor beroepsonderwijs alleen zinvol is als het alle sectoren van beroepsonderwijs erbij betrekt en aan elkaar verbindt: VMBO, MBO, HBO.

Dat perspectief wordt sterk gekleurd door kenmerken van de regio waarin ik werkzaam ben: Friesland, relatief dun bevolkt, veel kleine kernen, behoorlijk verspreide voorzieningen voor VMBO, redelijk geconcentreerde voorzieningen voor MBO en HBO.

Het beroepsonderwijs moet “twee meesters dienen”:

  1. jongeren die een schoolloopbaan in het beroepsonderwijs kiezen
  2. bedrijven en instellingen die hun werknemers uit dat beroepsonderwijs zien komen

Zolang we denken dat we tussen deze twee moeten kiezen komt het niet goed. We krijgen dan onvoldoende oog voor een van beide zaken:

  • voor de keuzes, motivering, levens van de desbetreffende jongeren

Een eenduidige keuze voor de instroomwens van bedrijven, betekent dat we onvoldoende aandacht schenken aan keuzegedrag en motieven van jongeren. Jongeren in een richting dwingen die ze niet zien zitten leidt tot demotivatie, gedragsproblemen, leerproblemen, schooluitval. Het hoeft geen betoog dat de effecten hiervan op de jongeren zelf, maar ook op de omgeving van die jongeren zeer ongewenst zijn.

  • voor de noodzaak in de bedrijven, maar ook in de regio daaromheen om een adequate instroom van werknemers te realiseren

Alleen maar kijken naar “wat willen jongeren” is eveneens te simpel. Het is ook de taak van het onderwijs om jongeren duidelijk te maken dat ze opgroeien in een omgeving waarin van alles gebeurt. Keuzes maken zonder oog voor die omgeving kan voor de korte termijn erg prettig zijn, maar langzaam maar zeker komt het er ook op aan die keuzes te verbinden met die omgeving.

Modern en duurzaam beroepsonderwijs verbindt dus deze twee invalshoeken:

  1. Het biedt leertrajecten die passen bij de verschillende doelgroepen in het onderwijs. Niet alleen met het oog op het niveau, maar juist ook met het oog op de vraag hoe ver jongeren zijn in hun oriëntatie- en keuzeproces. Wie weet wat hij wil, moet de kans krijgen daarin te groeien. Wie dat niet weet, moet de kans krijgen het te ontdekken. En wie van keuze verandert moet de kans krijgen om zonder al te veel verlies van energie en tijd over te stappen.
  2. Het biedt leertrajecten die passen bij ontwikkelingen in de omgeving. Die ontwikkelingen zijn moeilijk te voorspellen, maar het is goed om in de driehoek onderwijs-ondernemers-overheid speerpunten vast te stellen die herkenbaar terugkomen in zowel de economische ontwikkeling van de regio als de inhoudelijke programmering van het beroepsonderwijs.

De uitdaging is om vanuit bovenstaande invalshoeken met álle betrokken partijen te komen tot een wenkend perspectief voor het beroepsonderwijs én het bedrijfsleven, dat we met elkaar kunnen realiseren en waar we ons met elkaar ook hard voor maken.

Kiezen voor beter

Vandaag had ik een paar gesprekken over onderwijs in relatie tot de omgeving. Die omgeving was verschillend: een sportbond, een werkconcept, enkele collegascholen. En weer is de conclusie: door samenwerking kan ons onderwijs beter worden, motiverender, spannender, betekenisvoller voor alle betrokkenen.

Maar dan moeten we wel durven te kiezen! Als we blijven doen wat we deden blijven veranderingen beperkt tot de marges. Het onderzoek van het SCP dat deze week bekend werd, maakt dat ook duidelijk. De conclusie daarvan was dat het vele extra geld dat in onderwijs gestoken werd niet tot daadwerkelijk betere resultaten geleid heeft. Als voorbeeld daarbij werd de verkleining van klassen genoemd. Maar het was al lang duidelijk dat de marginale verkleining als geïsoleerde maatregel nooit zou werken. Daar horen maatregelen omheen, zoals beter toegeruste docenten. Maar bovenal moet je dan écht kiezen voor verkleining. Halvering bijvoorbeeld! De laatste tijd worden er steeds weer vergelijkingen gemaakt met het onderwijssysteem in Finland. Dat soort vergelijkingen gaat altijd mank omat er spake is van een hele andere geschiedenis en een heel andere cultuur. Maar echt profijt van die vergelijking hebben we pas als we radicale keuzes durven maken. Docenten moeten dan niet een uurtje meer of minder gaan werken, maar echt een andere weekinvulling krijgen.

Voor het beroepsonderwijs zie ik een aantal keuzes als manieren om tot fundamentele verbetering te komen. Die verbetering moet zich wat mij betreft richten op een beperkt aantal zaken:
– Studenten die met motivatie en passie aan de slag zijn.
– Een school die voortdurend meerwaarde levert voor haar omgeving en stakeholders
– Onderwijs dat ontwikkeld én uitgevoerd wordt in volledige samenwerking tussen school en omgeving (overheid, bedrijven, instellingen, zelfstandige professionals, …)

Als we dat willen realiseren moeten we definitief afscheid nemen van de hokjesgeest die ons onderwijs gemaakt heeft tot wat het is. De wereld van arbeidsdeling, zoals die door mensen als Ford en Taylor bedacht werd, laten we steeds meer achter ons. Maar in de wereld van school zien we die nog helemaal terug in onze opleidingen, onze gebouwen en ons personeelsbeleid.
In de “echte” wereld werken mensen maar zeer beperkt samen met mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. De kwaliteit van een receptioniste wordt vooral bepaald door de kwaliteit die zij levert in het samenwerken met gasten en de mensen voor wie die gasten zich melden bij de receptie. Daar bevinden in het algemeen weinig receptionistes onder! Maar in je opleiding werk je vooral samen met receptionistes in spé.
En ook degenen die verantwoordelijk zijn voor die opleiding werken voortdurend samen met “vakbroeders”. Dat eiland houdt zich op die manier keurig in stand!
Dat moet toch anders kunnen.

Ambitie? Moet je doen!

De afdeling communicatie van onze school heeft het woord “uitdaging” omhelsd als de kern van de boodschap die we uit willen stralen. Zo richting jaarwisseling brengt dat al snel de vraag met zich mee wat mijn uitdaging komend jaar is.
Hoe makkelijk is het om dan te denken aan alle lastige zaken die we het hoofd moeten bieden. Bezuinigingen en bureaucratie strijden om voorrang. Maar ze krijgen het niet. Dé uitdaging is namelijk om, terwijl die 2 B’s natuurlijk alom aanwezig zijn, te blijven werken aan je ambitie.
Werken aan ambitie vraagt om ruimte:
– Ruimte voor samenwerking
– Ruimte voor innovatie
– Ruimte voor passie

SAMENWERKING
– tussen deelnemers
– tussen docenten
– tussen opleidingen
– tussen scholen
– tussen school en omgeving
Ik ben er van overtuigd dat samenwerking leidt tot betere resultaten. Van onze deelnemers wordt steeds weer gevraagd dat ze kunnen samenwerken. Zo zit de wereld van werk tegnewoordig in elkaar.
Samenwerking is ook noodzakelijk omdat het tijdperk van verregaande taakdifferentiatie en individualisering van werk op zijn retour is. Dat paste in een tijd van industrialisatie. Maar meer en meer zien we dat, ook in de “harde, industriële sector”, dienstverlening een centrale plaats inneemt in de uitvoering van werkzaamheden.
Die dienstverlening mag uiteraard niet ten koste gaan van vakmanschap, maar dat laatste wordt meer en meer een commodity. We zijn niet tevreden omdat de kraan niet meer lekt als de loodgieter weggaat. Dat is een vanzelfsprekendheid. Uiteraard zijn we wel ontevreden als die kraan nog steeds blijkt te lekken!
Die veranderingen in de buitenwereld moeten zich weerspiegelen in de manier waarop we op school aan het werk zijn. Ook wij moeten toe naar een meer hybride werkwijze waarbij strakke grenzen vervagen:
– minder afbakening tussen verschillende opleidingen
– meer crossovers, meer kruisbestuiving
– meer ruimte voor samen ontwikkelen en voor leren van, met en aan elkaar

INNOVATIE
– inzet van deskundigen uit het werkveld
– inzet van nieuwe (digitale) middelen
– inspelen op wensen en mogelijkheden van deelnemers
Geen innovatie om de innovatie, maar omdat het beter kan én moet. Vernieuwing in het onderwijs loopt, deels noodgedwongen, altijd achter op vernieuwing in de wereld eromheen. Juist beroepsonderwijs zou meer om zich heen moeten kijken. Wat verandert in de wereld van werk door de toenemende digitalisering? Welke invloed hebben social media? Hoe kunnen we dat terug laten komen in ons onderwijs? Waarom zouden we het allemaal zelf willen doen als het voor mensen uit het bedrijfsleven al dagelijkse praktijk is?

PASSIE
– werken omdat je wilt i.p.v. omdat je moet
– werken vanuit je hart i.p.v. op basis van protocollen
We regelen alles kapot. Voor alles stellen we een overeenkomst op, inclusief de regels die gelden als we ons niet aan een afspraak houden. Deze juridificering haalt het leven uit ons onderwijs. Laten we minder kijken naar arbeidsovereenkomst en COA. Laten we kijken naar wat nodig is. Als jongeren kiezen voor een opleiding zijn ze daarvoor gemotiveerd. Ze leven een droom na. De belangrijkste taak voor het onderwijs is toch om die droom levend te houden? We moeten jongeren begeleiden bij het realiseren van die droom. Dat kan alleen gebeuren door mensen die zelf ook bezig zijn met de realisatie van een droom.

De P van papier(en wantrouwen)

Onlangs woonde ik een masterclass bij van Toon Gerbrands, de huidige algemeen directeur van AZ en voormalig volleybalcoach. Hij vatte zijn visie samen in drie woorden: visie, actie en passie. Hij wist het goed neer te zetten, bracht het met overtuigingskracht en met humor. Daarmee maak je natuurlijk indruk op je publiek, ook op mij.
Al luisterend bedacht ik steeds weer: “zo zit het ook bij ons op school”. Deze drie woorden kun je prima op een school toepassen, zeker op een school die bezig is om de kwaliiteit van het onderwijs te verbeteren:
VISIE: weten wat voor school je wilt zijn; weten welke uitgangspunten sturend zijn voor je onderwijs; weten hoe je naar leerlingen/studenten kijkt. Kortom, weten wat je voor elkaar wilt krijgen.
ACTIE: docenten en andere medewerkers moeten dingen doen om die visie te realiseren; als we ons onderwijs willen verbeteren is er beweging nodig; niet lullen, maar poetsen, om het zo maar even te zeggen.
PASSIE: beter onderwijs vraagt inspanning; met een “negen tot vijf mentaliteit” gaan we het niet redden; dat stapje extra zet je alleen maar als het bieden van goed onderwijs een diepgewortelde drijfveer is.

Ik loop daar al even mee rond. Met die drie woorden, waarvan ik denk dat ze ons kunnen helpen om te doen waar we voor zijn: goed, zeg maar gerust nog beter, onderwijs bieden. En, zoals altijd, in zo’n masterclass klinkt het allemaal simpel. En zoals altijd, kom je er dan later achter dat het zo makkelijk nu ook weer niet is.
Ik onthou in zo’n situatie de woorden vaak aan de hand van de beginletters. In dit geval dus V, A en P. Al piekerend merkte ik dat twee van die drie letters een ander woord bij me opriepen: de P van Papier en de V van Vertrouwen. Van het een hebben we teveel en van het ander te weinig. Maar eens even bij stil staan.

Vraag een docent waar hij last van heeft en hij noemt al snel het papierwerk waartoe hij zichzelf veroordeeld acht. Al dat papier verstikt de passie. Geen mens kiest voor het leraarsberoep omdat hij zin heeft om formulieren in te vullen. Dat geldt overigens ook voor de politieagent, de arts, etcetera. Het bijhouden van dossiers en dergelijke vraagt steeds meer tijd. Vaak overigens, zonder dat we ons afvragen wat het oplevert.
En die P van papier heeft alles te maken met die V van vertrouwen, althans het gebrek daaraan. Het grootste deel van het papierwerk komt voort uit het wantrouwen dat het onderwijs (en …) doordrenkt. Van hoog tot laag en omgekeerd, wantrouwen viert hoogtij. Wantrouwen leidt steeds meer tot een verantwoordingsdruk, die zich vertaalt in bergen papierwerk.

Een oplossing kun je zoeken in het “uitbesteden” van papierwerk aan administratieve ondersteuners. Helaas, voor je het weet krijg je als bestuurder te horen dat je te veel geld besteedt aan de overhead. Dus wordt het paard (weer) achter de wagen gespannen, verliezen medewerkers hun baan en worden docenten gedwongen om weer achter de PC plaats te nemen om te doen waarvoor ze NIET in de wieg gelegd zijn: formulieren invullen


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën