Archive for the 'PvdA/politiek' Category

Kritische houding is welkom, maar wel onderbouwd

In een bijdrage aan Socialisme & Democratie, nummer 4 van 2015, reageert Sjoerd Karsten op de bijdrage die Jan van Zijl leverde aan het voorafgaande nummer (inderdaad, nummer 3 van 2015).

Van Zijl ging in zijn bijdrage in op de huidige positie van het MBO. Hij pleitte onder andere voor een onderscheid tussen de huidige niveaus 1 en 2 en de niveaus 3 en 4. De laatste twee zouden het “echte” MBO zijn. De niveaus 1 en 2 bieden slechts ten dele beroepsonderwijs en het niveau valt, nog steeds volgens van Zijl, niet als “middelbaar” te kwalificeren.

Een tweede voorstel betreft het samenvoegen van VMBO-t en HAVO. Feitelijk een beperkte vorm van een middenschool, waarmee voor een forse groep jongeren de definitieve keuze voor een leerroute uitgesteld wordt. Zij kunnen op latere leeftijd kiezen voor de route havo à hbo, of instroom in het mbo.

Natuurlijk kun je kanttekeningen maken bij de keuzes van van Zijl. Zo vraag ik me nog steeds af of het uitstel van keuzes voor een beperkte groep een zinvol compromis is. Waarom geen krachtig pleidooi voor uitstel voor allen?

Ook de vraag naar het belang van het scherpere onderscheid tussen de verschillende niveaus, gekoppeld aan nieuwe benaming, mag zeker gesteld worden. Daar hoort overigens ook bij dat pleidooien voor andere benamingen al langer en door meerdere opinieleiders gehouden worden.

Met veel belangstelling begon ik dan ook aan het artikel dat Sjoerd Karsten schreef in reactie op het stuk van Jan van Zijl. Wij kennen elkaar, wij delen met elkaar dat we het MBO van groot belang vinden en we delen met elkaar een oog voor de jongeren voor wie een succesvolle schoolloopbaan geen vanzelfsprekendheid is.

De titel zorgt in elk geval voor de nodige spanning: “Sectororganisaties vegen vooral hun eigen straatje schoon”. Het betoog van Karsten betreft niet alleen de MBO-raad. Ook de Vereniging Hogescholen en de VO-raad krijgen een veeg uit de pan.

In mijn reactie kijk ik vooral naar het artikel vanuit het MBO-perspectief. Dat is immers de sector waar ik werk. Het is ook de sector waar de PvdA zich met name sterk voor moet maken. De kernwaarden van de partij, verheffing, binding, goed werk en bestaanszekerheid komen in het werken en leren binnen deze sector sterk naar voren.

Karsten adresseert een aantal zaken die wat mij betreft terecht geagendeerd worden. Het zou de PvdA sieren als zij deze punten ook in de eigen discussie en profilering nader in zou kleuren. Ik citeer (ongeveer):

  • “dat vooral jongeren uit kansrijke milieus profiteren van meer individuele keuzeruimte”
  • het zou misschien geen gek idee zijn om “een landelijke ombudsman in het leven te roepen. Die zou zorg kunnen dragen voor het belang van kansarme leerlingen en de deugdelijkheid van hun onderwijs.”
  • “… het is wel de hoogste tijd om een discussie te voeren over de besturing van het onderwijs.”

Stuk voor stuk relevante opmerkingen die verdere verkenning verdienen. Tegelijk hoop ik dat de eerste bewering niet leidt tot het verminderen van individuele keuzeruimte. Laten we vooral kijken op welke manier we ook de minder kansrijke jongeren zo ver kunnen krijgen dat zij kunnen profiteren van die ruimte.

En laten we de discussie over de besturing van het onderwijs voeren zonder een veroordeling van het huidige besturingsmodel en de bestuurders die daarin actief zijn als uitgangspunt te nemen.

Daarmee kom ik op mijn kritiek op het stuk. Karsten doet een aantal beweringen, volgens mij zonder deugdelijke onderbouwing, waarmee hij bestuurders en de sectororganisatie wat al te makkelijk in het beklaagdenbankje zet. Ook hier weer enkele citaten:

  • “professionele besturen letten veel meer op hun marktaandeel onder hoger opgeleide ouders”
  • “Het idee om iets te betekenen voor alle leerlingen dreigt (…) steeds meer in de verdrukking te raken. (…) … dat zij het liefst de ‘beste’ leerlingen willen binnenhalen en de verantwoordelijkheid voor de ‘zwakke’ leerlingen weg schuiven.”
  • “Zo probeert men met ‘matching’ en bindende studieadviezen de traditionele instroom nog eens door een selectiemolen te halen.”
  • “…dat het onderwijsbestuur vervalt in particularisme (eigen belang eerst).”

Waar komt het vandaan? Hoe kan het dat iemand met de wetenschappelijke achtergrond van Karsten deze beweringen zo makkelijk maakt, zonder stevige onderbouwing?

En waarom werkt hij niet verder aan datgene wat hij (en van Zijl) en ik met elkaar zullen delen:

  • toegankelijkheid voor allen tot deugdelijk beroepsonderwijs
  • investeren in de kwaliteit van degenen die jongeren in dat beroepsonderwijs opleiden
  • wegwerken van de barrières die tussen de verschillende schooltypen en –sectoren bestaan, zodat door- en opstroom aan alle kanten gefaciliteerd worden

Laten we dat gesprek met elkaar aangaan, op basis van gedeelde ambities en niet op basis van (voor)oordelen.

Kijkje in de keuken, terugblik op politieke ledenraad

Het was al weer een tijdje geleden, maar op 8 mei reed ik ’s avonds naar Zwolle om de politieke ledenraad bij te wonen. Geen spectaculaire actuele aanleiding, maar gewoon “omdat het de moeite waard blijft met elkaar te denken en praten over de politieke stand van zaken in het land en in de partij”. Kortom, vooral ontmoeten, luisteren, stof tot praten en denken.
En ook mooi meegenomen …. Zwolle …. lekker dichtbij!

Het hoofdthema van de avond was het rapport van de commissie Melkert “De Bakens verzetten”. Daarnaast de nodige aandacht voor Europa, het was immers twee weken voor de verkiezingsdatum, en een aantal actuele moties.

Het was mooi om te merken dat onze leden Ad Melkert een warm welkom bezorgden, terug in de politieke arena. En hij is terug met een stevig verhaal, dat zou moeten helpen om als partij verder richting te geven aan ons handelen.
Daarbij wordt voortgeborduurd op de ingrediënten van de discussie en het rapport “Van Waarde”. In dit rapport worden, op basis van een stevig onderzoek, vier kernwaarden van de sociaal-democratie in de twintigste eeuw gepresenteerd:
bestaanszekerheid
goed werk
verheffing
binding

De commissie Melkert heeft een rapport geschreven dat ik zie als een van de instrumenten die ons moeten helpen om, op basis van deze kernwaarden, politiek te bedrijven op alle niveaus, van gemeente tot aan Europa. Geplaatst in de actuele situatie gaat het dan om de vraag “Hoe komen we op basis van deze waarden uit de internationale crisis waar we in zitten?”
Zoals te verwachten gaf Ad Melkert als aftrap een heldere “samenvatting” van het rapport. Maar het mooiste was daarna het gesprek met de zaal. Daarin werden reacties gegeven en vragen gesteld aan een “stevig” panel met Lodewijk Asscher, Agnes Jongerius, Ad Melkert, Diederik Samsom en Paul Tang. Een panel dat zorgde dat in het gesprek een mooie beweging ontstond tussen Nederland en Europa, maar soms ook teruggegrepen kon worden op het rapport zelf en de basis waarop het gebaseerd is.

Ik ga in dit verslag niet diep in op de inhoud van het gesprek. Ik heb geen aantekeningen gemaakt en zou de inhoud van het gesprek tekort doen als ik dan nu nog een verslag zou willen reconstrueren.
Maar ik sta wel even stil bij een rode draad die me is bijgebleven. Die rode draad is het thema “bezorgdheid”. Uit bijna alle reacties en vragen komen zorgen naar voren. Dat zijn zorgen op verschillende vlakken en niveaus:
zorgen om mensen die hun baan kwijtraken
zorgen om mensen die hun baan houden, maar toch in grote onzekerheid leven\
zorgen om onze partij die aanhang lijkt te verliezen
zorgen om het verhaal van onze partij dat onvoldoende richting en kracht uit zou stralen
zorgen om de samenwerking met de VVD, waardoor ons echte verhaal te veel in het gedrang zou komen

Dergelijke zorgen werden gedurende de avond niet weggenomen. Ze werden door de panelleden erkend en benoemd tot drijfveren voor het politieke handelen. Tegelijk zou het rapport Melkert moeten helpen bij het richtinggeven aan dat politieke handelen. Zonder alles uitputtend te analyseren en zonder de pretentie te hebben alles meegewogen te hebben, kom ik tot twee voorlopige conclusies:
Het rapport krijgt een warm onthaal omdat het richting geeft aan sociaal-democratisch handelen in allerlei situaties en op alle niveaus.
Het rapport vraagt om een nadere uitwerking van die richting in concrete standpunten en handelswijzen bij concrete (politieke) situaties.
Later dit jaar zal op het congres een resolutie aan de orde zijn naar aanleiding van het rapport. Hopelijk is de aanname van die resolutie
de afsluiting van een periode waarin het rapport Melkert een rol speelt in de vele discussies die momenteel spelen in onze partij
het begin van een periode waarin het rapport ons helpt bij het concrete politieke handelen in en van onze partij

Naast deze discussie over het rapport Melkert en speeches van enkele coryfeeën, zoals altijd een aantal actuele moties. Het viel me op dat een groot aantal moties als pre-advies meekregen “overnemen”. Op die manier vormen dergelijke moties een mooi instrument voor de leden en afdelingen om de fractie een gewenste richting mee te geven bij de politieke afwegingen die in de komende periode gemaakt moeten worden.
Veel aandacht ging in dat kader uit naar de motie die vroeg om een humane, ruimhartige toepassing van het kinderpardon. Ook deze had het pre-advies “overnemen” en werd, naar verwachting, massaal gesteund. Ondanks alle mitsen en maren zien we volgens mij momenteel een fractie in de Tweede Kamer die stevig zoekt naar een aanpak zoals met deze motie beoogd werd.

Al met al geen spectaculaire avond, maar wel een paar uur waarin je ervaart dat onze partij daadwerkelijk een vereniging in beweging is.

Opstaan, nadenken en doorgaan … reflectie op een (te) verwachte(n) nederlaag

Na de verkiezingsnederlaag van afgelopen week, kwam ik met een aantal mensen in gesprek over oorzaken en aanpak. Dat gesprek is nog niet afgelopen. Maar een van de mails die daarbij in mijn postvak kwam, hielp me om wat gedachten te ordenen. Hieronder de reactie die ik op die mail schreef.

Beste X,

In je mail ga je in op enkele (mogelijke) oorzaken van het verlies van de PvdA, ónze partij, bij de gemeenteraadsverkiezingen afgelopen week.
Je adresseert drie landelijke elementen. Ik benoem ze kort:
Landelijk:
– de samenwerking met de VVD
– een gebrek aan aansprekende politici
– het kabinetsbeleid van de afgelopen 1,5 jaar
Ik hou niet van navelstaren, maar de verkiezingen van afgelopen week eisen dat we nadenken en met elkaar het gesprek aangaan. Dat moeten we vooral met een kop koffie erbij doen terwijl we met elkaar aan tafel zitten. Maar even de boel voor jezelf ordenen kan ook geen kwaad. Jouw mail helpt mij om dat (enigszins) te doen.
Die ordening breng ik aan met behulp van jouw punten.

Samenwerking VVD
Dat onze partij koos voor samenwerking met de VVD was, zeker met het oog op de verkiezingsuitslag, onontkoombaar en wenselijk. Ondanks de grote verschillen moet het mogelijk zijn om met elkaar beleid te ontwikkelen dat effectief is voor het land en herkenbaar voor de achterban van beide partijen.
Het idee om elkaar wat dat betreft wat te gunnen in het regeerakkoord, spreekt mij nog steeds aan. Het is de enige manier om daadwerkelijk beweging te genereren in een compromis. Het alternatief is negatief uitruilen en dat leidt tot stilstand, wel het laatste wat we moeten willen.
Toch zijn er een paar vraagtekens te plaatsen:
– was het draagvlak voor het uiteindelijke akkoord echt groot genoeg binnen de partijen?
– was de kwaliteit van de keuzes in het akkoord wel op orde? was er voldoende draagvlak onder woordvoerders en andere inhoudsdeskundigen van beide partijen?
Gezien de vele aanpassingen en twijfels in de afgelopen 1,5 jaar, zowel intern als extern, was het waarschijnlijk beter geweest om iets meer tijd voor de formatie te nemen. Dat had in grote lijnen niet tot heel ander beleid geleid, maar wel tot een betere uitwerking en meer draagvlak.
Tenslotte is het een misser dat draagvlak bij een meerderheid van de Eerste Kamer niet als relevant gezien is. Het was te verwachten geweest dat partijen, indien zich de mogelijkheid voor zou doen, de Eerste Kamer als politiek instrument van handelen zouden gaan gebruiken in geval het beleid niet naar de zin zou zijn.

Gebrek aan aansprekende politici
Op landelijk niveau heeft onze partij een aantal kanjers. Ik doe er sommigen tekort mee, maar kijk eens naar de waardering voor Lodewijk Asscher, Jeroen Dijsselbloem en, denk eens aan de periode rondom de verkiezingen, ook Diederik Samsom.
Deze mensen zijn echter bezig om het kabinetsbeleid vorm te geven en te verkopen. Van ministers mag je niet anders verachten. De keuze om de politiek leider in de kamer te laten zitten, zou moeten borgen dat het eigen geluid voldoende hoorbaar blijft. Daar is (te) weinig van terecht gekomen. Diederik moest steeds weer het kabinet redden, steeds weer pal staan voor het compromis, in plaats van de eigen lijn. Daarmee ging het imago dat hij tijdens de verkiezingscampagne zorgvuldig en in hoog tempo opbouwde in sneltreinvaart verloren.
De oorzaak daarvoor heb ik hiervoor aangegeven. Die ligt niet in de samenwerking met de VVD op zich, maar in het gebrek aan kwaliteit van en draagvlak voor het regeerakkoord.

Kabinetsbeleid tot nu toe
Jij geeft aan dat het kabinetsbeleid door onze kiezers als negatief ervaren wordt. Ik weet het niet. Wat ik wel zie is dat het beleid heel moeizaam tot stand komt. Er zijn echt een paar successen geboekt binnen de diverse akkoorden die afgelopen jaar gesloten zijn. Tijdens ledenraden en congressen laten bewindslieden niet na om die te benoemen. De oorspronkelijke daverende ovaties zijn daarbij echter langzaam maar zeker een plichtmatig applaus geworden.
We zijn volgens mij ons verhaal kwijtgeraakt tijdens het sluiten van al die akkoorden. Omdat ze zo moeizaam tot stand komen, kan er niet meer kritisch naar gekeken worden. In theorie zet je na zo’n akkoord de volgende stappen:
– wat is mijn verhaal?
– wat komt daarvan terug in het akkoord?
– welke onderdelen van het akkoord passen niet in mijn verhaal?
– hoe ziet dan de balans eruit?
– wat vind ik er dan van?
Die afwegingen zijn ongetwijfeld gemaakt, maar daar heeft het publiek niets van gemerkt. Dat zou de taak van de kamerfractie moeten zijn, maar daar merken we (te) weinig van.

Conclusie
Jouw analyse brengt bij mij bovenstaande reactie teweeg. Als ik die teruglees kom ik tot de conclusie:
– dat we doormoeten met de huidige samenwerking, maar daarin wel de kwaliteit van voorstellen en keuzes moeten verbeteren
– dat de helderheid van ons eigen verhaal weer terug moet komen en dat we duidelijk uit moeten stralen wat daarvan overeind blijft in het beleid
– dat daarvoor een onafhankelijkere opstelling van de kamerfractie, inclusief de politiek leider, nodig is.
En tenslotte hoop ik dat de gesprekken over deze zaken door de hele partij heen op een constructieve manier gevoerd worden. Hierboven staat niet dé waarheid, maar een aantal gedachten. Hopelijk leiden die tot het goede gesprek en daarmee tot stappen voorwaarts “voor partij en vaderland”.

Advies aan de (in)formateurs omtrent de toekomst van het MBO

Het actieplan van minister van Bijsterveldt biedt een goede basis om op door te bouwen. Het spreekt aan in de sector omdat het een hoog ambitieniveau kent en omdat het MBO als stevig alternatief gezien wordt voor de HAVO als opstap naar het HBO.

Het is dan ook verstandig om door te gaan op de ingeslagen weg als het gaat om een van de belangrijkste onderdelen uit het actieplan: intensivering van onderwijs. Dit wordt vertaald in:

  • Meer onderwijstijd per leerjaar, waarbij begeleide onderwijstijd en BPV (lees: stage) afzonderlijk benoemd en gewaardeerd worden.
  • Daar waar mogelijk inkorten van vierjarige opleidingen op niveau vier. Door intensivering moet het lukken om deze opleidingen grotendeels terug te brengen naar drie jaar. Dat maakt ook het “tijdsverlies” dat optreedt t.o.v. een leerroute via de HAVO minder groot. Naar mijn idee zal dit voor het grootste deel van de studenten aan het MBO ook motiverend werken. Te vaak horen we nu nog dat onze studenten zich in de school(banken) zitten te vervelen.

Een valkuil hierbij is de inmiddels vaak genoemde AVO-isering van het beroepsonderwijs. Jongeren kiezen niet voor niets voor een beroepsopleiding. Dat zegt iets over wát zij willen leren, maar ook over hóe zij dat willen doen. Om dat vorm te geven kies ik voor de term “modern beroepsonderwijs”. Dat vindt niet plaats in de “traditionele” setting van het klaslokaal, maar juist voor een belangrijk deel in praktijksituaties. Van belang daarbij is dat er voldoende omvang en kwaliteit van begeleiding gewaarborgd wordt. Dus:

  • Moet er ruimte bestaan voor onderwijs in praktijksituaties dat niet als stage, maar als volwaardig begeleide onderwijstijd geldt.
  • Moet onderwijs met behulp van IT, op adequate manier begeleid, meetellen als onderwijstijd.

Toch zou het goed zijn om op dit moment de ingeslagen weg op een aantal punten aan te passen. Wat mij betreft gaat het dan in elk geval om het volgende:

Hef de dreigende beperking van de verblijfsduur op. Een aantal jongeren, met name uit sociaal zwakkere milieus, blijkt baat te hebben bij de mogelijkheid om (langzaam) op te klimmen. Zij beginnen vaak met een opleiding op een niveau dat lager blijkt dan hun ambitie en potentie. Geef hen de kans door te gaan! Zeker met de huidige oplopende jeugdwerkloosheid is beperking van de verblijfsduur contraproductief. Enkele jaren geleden was Nederland succesvol in het voorkomen van jeugdwerkloosheid door maatregelen uit het actieplan jeugdwerkloosheid. Een belangrijk onderdeel van dat actieplan was het stimuleren van jongeren om langer op school te blijven en uiteindelijk op een hoger niveau uit te stromen naar de arbeidsmarkt. Op die manier werd voorkomen dat zij te snel in de bakken van het UWV terecht zouden komen. Bovendien werden ze, door het bereiken van een hoger niveau,  beter inzetbaar op de arbeidsmarkt.

Zorg voor betaalbaarheid van duurdere opleidingen. Dit geldt met name in de sector techniek. Het is terecht dat gekeken wordt naar manieren om de financiering van  het MBO te vereenvoudigen. Dat kan door het aantal verschillende bekostigingsfactoren, zoals momenteel gehanteerd, te verkleinen. Maar dit dreigt door te schieten als we alles over één kam gaan scheren. Los van directe financiële gevolgen hiervan dreigt het op deze manier zeer onaantrekkelijk te worden om juist de opleidingen die we zo hard nodig hebben in de lucht te houden.

Houd rekening met regionale verschillen. Stimuleer samenwerking/afstemming scholen, bedrijven en overheid juist ín de regio. Daar moet gekeken worden of en hoe opleiding en (toekomstige) arbeidsmarkt bij elkaar passen. Centrale, landelijke regie op dit onderwerp leidt al snel tot maatregelen die in een bepaalde context een averechts effect hebben.

Voorkom té smalle vakopleidingen. Om de algemene vorming én de duurzame inzetbaarheid van de toekomstige werknemers te waarborgen is het van belang dat het MBO een brede basis biedt. In overleg met het regionale bedrijfsleven zou deze basis aangevuld moeten worden met relevante specialisaties. De betaalbaarheid van ons onderwijs wordt bevorderd als die specialisaties aangeboden worden in en/of met het bedrijfsleven. Op die manier wordt zowel de afstemming tussen onderiwjs en arbeidsmarkt bevorderd, als het streven naar een leven lang leren in de lucht gehouden.

PvdA, ook als het om onderwijs gaat

Het kon niet uitblijven: de vraag waarom ik PvdA kies, met het oog op de plannen van die partij voor het onderwijs. Ik probeer er hier iets over te zeggen, met de kanttekening dat ik niet op een partij stem vanwege één onderwerp. Ik ben PvdA-er vanwege de koers, het kompas, zoals Diederik Samsom dat gisteren noemde. En die koers vat ik samen met de woorden solidair, duurzaam, eerlijk, … (lijkt me een helder rijtje dat je altijd aan kunt vullen).

Maar wat wil die PvdA nou met het onderwijs? En zie ik die plannen zitten. Tijdens een feestelijke verkiezingsavond zei Samsom gisteren dat het gaat om drie dingen: “onderwijs, onderwijs en onderwijs”.  Dat klinkt mooi, maar wat betekent dat. Hopelijk gaat de PvdA deze vraag niet verengen tot een financiële kwestie. D’66 schermt met miljarden die in het onderwijs geïnvesteerd worden, maar we weten dat dat op zich niet betekent dat het onderwijs (lees: de leerling./student) er beter van wordt. De SP gaat bezuinigen op onderwijs, maar rechtvaardigt dat met de uitspraak dat het niet ten kosten van leraar en leerling gaat. Die miljard wordt gehaald bij de bestuurders/managers, waar we blijkbaar wel met wat minder kunnen. Ik betwijfel sterk of daar zoveel te halen valt en ga niet meedoen met de retoriek dat het allemaal de schuld is van die “duurbetaalde bovenlaag”, al was het maar omdat ik er zelf deel van uitmaak. Het gros van de leidinggevenden zit volgens mij in het onderwijs met de ambitie om goed onderwijs voor alle leerlingen en studenten mogelijk te maken. Daarvoor wil je een goede werkgever zijn voor de docenten die dat onderwijs verzorgen en je wilt een goede partner zijn voor andere scholen en overige bedrijven/instellingen waar je met die ambitie in het achterhoofd mee samenwerkt.

Terug naar de PvdA. Daar is onderwijs een van de zeven onderwerpen die in het voorjaar een plek innamen in het document waarmee de partij haar koers presenteerde. Samengevat maakt de PvdA de volgende keuzes voor wat betreft onderwijs:

De PvdA investeert in het onderwijs zodat meer tijd van beter opgeleide docenten ten goede komt aan leerlingen die daardoor verder komen in hun ontwikkeling en Nederland sterker maken voor de toekomst.

  • De uniforme norm van 1040 uur gaat van tafel. Er komt ruimte voor maatwerk.
  • Meer inzet op taal- en rekenonderwijs.
  • Meer ruimte en middelen voor initiatieven als de werkschool en Vakscholen.
  • Grenzen stellen aan de omvang van klassen, locaties en besturen.
  • Een sociaal leenstelsel in het Hoger Onderwijs tbv investeringen in het onderwijs.

Ik vul het aan met enkele citaten uit de uitwerking die mij in elk geval aanspreken:

“Veel leerlingen zijn gebaat bij structuur, regelmaat en stevige begeleiding in het onderwijs. Ook hier geldt weer: geen eenvormige oplossingen. Afhankelijk van leeftijd en schooltype moet een kritische evaluatie van de huidige pedagogiek en didactiek worden gemaakt.”

”Het verlagen van onze verwachtingen voor kinderen op basis van hun afkomst is funest voor hun kansen. Daarnaast moeten we zorgen dat de effectiviteit van het ingezette extra onderwijsgeld fors omhoog gaat.”

Verder noem ik enkele punten die me aanspreken in de PvdA-plannen voor onderwijs:

  • Geen marktwerking en daarbij passende concurrentie, maar een verstandige afweging per regio over de vraag wat een gewenst opleidingenaanbod is.
  • Herwaardering van het (middelbaar) beroepsonderwijs, de sector die zorgt voor de opleiding van 60% van de Nederlandse bevolking en daarmee voor de kurk waarop de economie drijft.
  • Een pleidooi voor een verstandige maatvoering als het gaat om schaalgrootte op het niveau van klas, school(locatie) en bestuur. Hierover worden enkele voorzichtige uitspraken gedaan, maar het gaat er vooral om dat we met elkaar die discussie gaan voeren.

 Tenslotte sta ik stil bij twee onderwerpen die, bijvoorbeeld via Twitter, steeds weer boven komen drijven in de discussies over onderwijs(politiek):

  • De positie van docenten
  • De omvang van instellingen

Bij beide zaken lopen we het risico om te simplificeren. Dat eindigt bij volledige autonomie van docenten in kleine scholen. Alsof docenten en kleine scholen persé goed zijn.

 Wat mij betreft zijn de docenten de professionals in een school waar de kwaliteit van de school voor het grootste deel door bepaald wordt. Ook uit onderzoek komt dat steeds weer naar voren: op een goede school lopen goede docenten rond.

Binnen het MBO werken we sinds enige tijd met een professioneel statuut waarin beschreven staat op welke manier docenten in de gelegenheid gesteld worden die professionaliteit in te zetten in het vormgeven van goed onderwijs. Daarin staat ook dat zij daarbij, als team, de nodige autonomie hebben. Wat mij betreft een voorbeeld dat navolging verdient.

Uiteraard plaats ik daar een paar kanttekeningen bij:

  • Het is niet zo dat binnen de scholen leiding en docenten zo sterk tegenover elkaar staan als sommigen beweren. Het lijkt soms alsof binnen die scholen de klassenstrijd weer opnieuw vorm krijgt. Volgens mij gaat het juist om het zoeken van goede vormen van samenwerking waarbij allen binnen de school betrokken zijn op basis van eigen positie en kwaliteiten.
  • Bij professionele ruimte en autonomie hoort ook professionele verantwoording. Dat kan bijvoorbeeld uitgewerkt worden door de instelling van een lerarenregister waarin docenten aantonen dat zij (blijven) voldoen aan de eisen die gesteld worden aan die professionaliteit.
  • Het uitwerken van een professioneel statuut moet wat mij betreft gebeuren op basis van vertrouwen over en weer. Als dat vertrouwen ontbreekt zal het leiden tot allerlei regeltjes en bureaucratie die slechts de indruk wekken dat iedereen voldoet aan verplichtingen.

 Er is al lange tijd veel te doen over de omvang van onderwijsinstellingen. Ik gaf al eerder aan dat het een goede zaak is om die discussie met elkaar te voeren. Kern is daarbij volgens mij dat leerlingen/studenten en docenten zich thuis moeten voelen binnen hun school. Kennen en gekend worden zijn daarbij essentiële zaken. Ik blijf van mening dat dat prima binnen een wat grotere constellatie gerealiseerd kan worden.

Als ik naar mijn eigen (middelgrote) school kijk, zie ik nog enkele voordelen in het hebben van enige omvang als organisatie:

  • Het brede aanbod van opleidingen maakt het mogelijk om soepel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Zo zie je in het MBO een toenemende aandacht voor zaken als:
    • ICT-toepassingen in de zorg
    • Procestechniek in de voedingstechniek

Doordat de ene opleiding deskundigheid kan halen bij een andere opleiding is dit relatief snel om te zetten in modern beroepsonderwijs dat aansluit bij ontwikkelingen in het werkveld.

  • Het lukt ons om op het gebied van (extra) zorg en begeleiding de nodige voorzieningen in te richten en overeind te houden, juist ook doordat we wat groter zijn. Dat biedt ruimte om mensen in staat te stellen zich daarop te specialiseren of om afspraken te maken met instanties die hierop meerwaarde bieden.

Op een aantal onderwerpen is er soms sprake van enige spanning tussen mijn denken en de lijn van de PvdA. En dat hoort ook zo, want de waarheid heeft niemand in pacht. Gelukkig vind ik binnen de partij voldoende plek om over deze zaken van gedachten te wisselen. Dat hoort ook bij mijn keuze: dialoog en (soms) debat!

Vernieuwing in een moderne jas

Gisteren was ik op een van de bijeenkomsten die onder de noemer “linkse vernieuwing” georganiseerd zijn door een aantal PvdA-afdelingen. Dus nu moet ik daar iets van vinden …
Eén ding is me duidelijk. Als de partij weer kenmerken van een beweging wil krijgen, hebben we behoefte aan meer van dit soort initiatieven. Het is van belang om meer mensen tegen te komen die, zoals jij, nadenken over de manier waarop we het weer wat eerlijker en rechtvaardiger kunnen maken. Ik neem geïnteresseerde vrienden liever mee naar een bijeenkomst als gisteren, dan naar een ledenvergadering. Dus wat dat betreft alle lof voor de initiatiefnemers. Jullie hebben laten zien dat het kan en dat het goed is.
Tegelijk zitten er (natuurlijk) een aantal schaduwkanten aan het verhaal.
Als het de bedoeling is om op deze manier de partij weer omhoog te krijgen in de peilingen dan gaat dat een lange weg worden.
Als het de bedoeling is om op deze manier weer beter over het voetlicht te krijgen waar de PvdA voor staat, dan vrees ik het ergste.
En als het de bedoeling is om op deze manier zelf weer te ontdekken waar de PvdA voor staat (of moet staan), dan kunnen we direct stoppen.

Toen ik zelf laatst aan iemand vroeg waar de PvdA voor staat (of zou moeten staan), was het antwoord kort. “Dat staat helder omschreven in het beginselprogramma”. Toen ik dat las, begreep ik ook niet meer waarom we over die vraag zoveel werkgroepen en bijeenkomsten nodig zouden hebben.
Vandaag kwam ik het nog helder tegen in een blogpost via de volgende link: http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/beschikbaar_maar_geen_kandidaat/

Ik jat er een citaat uit met dank aan Robbert Baruch, de auteur:
“In plaats van praten over mensen, moeten we praten over ideeën. In plaats van afzetten, moeten we binden. We hebben er alle aanleiding voor in onze uitgangspunten:
• Het collectief pakt aan wat het individu niet kan.
• Iedereen moet mee kunnen doen.
• De verantwoordelijkheid voor het organiseren daarvan ligt in gelijke mate bij de overheid en samenleving.
• De samenleving moet gebaseerd zijn op vertrouwen waar dat kan, op aanpakken waar dat moet.
Er is een aantal terreinen waar zekerheid voor mensen het belangrijkst is. Daar moeten overheid en samenleving zich met voorrang op richten:
• Inkomen
• Veiligheid
• Onderwijs
• Zorg
• Internationale positie”

Lijkt me niets mis mee. Ook in de bijeenkomst van gisteren zou dit weinig discussie oproepen. Wat me wel opviel was dat velen op de vragen naar stellingname kwamen met antwoorden uit het verleden. En daar zit mijn grote vraag:
Hoe maken we van de PvdA een moderne linkse partij? En dan moet je natuurlijk direct nadenken over wat dat is “een moderne linkse partij”.

Een aanzet daartoe:

  • een partij die ondubbelzinnig kiest voor haar traditionele waarden
  • een partij die onderzoek waar in de huidige samenleving deze waarden onder druk staan
  • een partij die nieuwe antwoorden formuleert zonder de traditie te verloochenen
  • een partij die die discussie en antwoorden vormgeeft op een nieuwe, aansprekende manier
  • een partij die erop gericht is om de verantwoordelijkheid te nemen die nodig is om deze antwoorden te realiseren

En wat is daar nou anders aan?
In grote lijnen niets! Daarom is het nog steeds “mijn” partij.
Maar om te wortelen in deze tijd is het van belang om ook verandering te accepteren. Naar mijn idee moeten we in onze uitgangspunten de eigen verantwoordelijkheid van mensen meer op de voorgrond zetten.
En om ons van liberale partijen te onderscheiden moeten we onontkoombaar maken dat mensen die, om wat voor reden dan ook, (tijdelijk) niet in staat zijn om die eigen verantwoordelijkheid te nemen, altijd op een sterke overheid kunnen rekenen.
De inspanning van die overheid is er dan wel op de eerste plaats op gericht om diezelfde eigen verantwoordelijkheid weer op te kunnen pakken. Het accepteren van oneindige afhankelijkheid gebeurt pas als we zeker weten dat het echt niet anders kan.

De ongelijkheid gaat door

Morgen gaat in Heerenveen een ombudsteam van start. Het initiatief hiervoor is genomen door de plaatselijke afdeling van de PvdA. In Nederland zijn momenteel meer dan honderd van dergelijke initiatieven gaande. Een ombudsteam helpt mensen om de weg te vinden in de warboel die we van de moderne maatschappij gemaakt hebben. Het ombudsteam helpt mensen op weg naar de juiste instantie, of bij het vinden en invullen van de juiste formulieren.

Ik ben er trots op dat de PvdA op allerlei plaatsen in het land het initiatief neemt om deze ombudsteams van de grond te krijgen. Daarmee verbindt de partij met wie ik me verbonden voel zich direct met de mensen die het nodig hebben: degenen die niet in staat zijn om zelfstandig te opereren in de huidige samenleving.

Ik ben niet trots op de samenleving die de noodzaak voor deze ombudsteams creëert en in stand houdt. Dat is namelijk een samenleving die ervoor zorgt dat een groep landgenoten afhankelijk is van de hulp die vrijwilligers bieden. Het is een land waarin een groep niet in staat is om zichzelf te redden. Het is een land van haves en have-nots, niet direct in materiële zin, maar wel in de zin van autonomie.

Ik hoop dat de PvdA deze concrete manier van ondersteuning van burgers in stand weet te houden zolang het nodig is. Ik hoop ook dat het niet te lang nodig is. En ik hoop dat de PvdA nooit zal accepteren dat het nodig is en, naast de ombudsteams, initiatieven zal nemen die mensen in staat stellen om zich te ontwikkelen tot een onafhankelijk deelnemer aan onze samenleving.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën