Archive Page 2

Leren van tegenspraak … geen vanzelfsprekendheid

Als dagvoorzitter mocht ik afgelopen week het tweedaagse programma presenteren dat het European centre for evidence based mentoring had samengesteld. Dit centrum bestaat al een tijdje en is voortgekomen uit een initiatief van het Mentorprogramma Friesland. In de afgelopen jaren is het gelukt om Friesland internationaal op de kaart te zetten als een plaats waar op het gebied van mentoring erg interessante dingen gebeuren.

Dat leidde dus afgelopen week tot een programma waar zo’n zeventig deelnemers uit veel verschillende landen aan deelnamen. Een belangrijk onderdeel van het programma bestond uit vier presentaties van onderzoek uit de Verenigde Staten. Los van de inhoud, hielden enkele reacties op die resultaten me na afloop nogal bezig.

Er werd namelijk ook onderzoek gepresenteerd waaruit bleek dat het effect van mentoring vrij beperkt is. In een zaal vol enthousiaste en gemotiveerde mensen uit het veld van mentoring krijg je dan (blijkbaar) weinig applaus. “Verkeerde manier van onderzoeken”, “dat werkt hier heel anders”, “kan niet kloppen, ik merk dat toch zelf tijdens het werk” en meer van die reacties kwamen uit de zaal en vielen tijdens pauzes te horen.

Hoe moeilijk blijkt het dan dus om om te gaan met geluiden die je liever niet hoort. Hoe moeilijk is het om dan goed te blijven luisteren en te zoeken naar aanknopingspunten. Hoe makkelijk is het om dan in een welles-nietes spelletje terecht te komen. Maar als je je alleen nog maar afzet tegen de resultaten, ontneem je jezelf ook de mogelijkheid om er iets van te leren.

Ook hier gebruiken mensen blijkbaar liever het rode potlood om aan te wijzen wat er niet goed is, dan het groene potlood om te markeren waar je wat aan hebt en wat je verder helpt. Ook hier is de discussie makkelijker op te roepen dan het goede gesprek waarin je met elkaar verder probeert te komen.

En daarmee kom ik op mijn persoonlijke les van deze week … het goede gesprek ontstaat als we elkaar verder proberen te helpen, ook al kost het soms even moeite om elkaar vast te houden.

Dat zou mooi zijn…

Over twee weken presenteren we op het Friesland College ons nieuwe koersplan, een document waarmee we onszelf presenteren aan de buitenwereld. Terwijl je aan zo’n stuk werkt, praat je veel met anderen over je school en over je kijk op een school als de onze, een ROC dat zich presenteert als voorloper voor wat betreft modern beroepsonderwijs.

Maar naast al dat praten, denk je ook gewoon af en toe even na. Juist nu, midden in de kerstsfeer, merkte ik bij mezelf dat de vraag “wat voor school wil je zijn?” steeds weer terugkwam in mijn hoofd.

Al vaker sprak en dacht ik over de brede opdracht die we als ROC wat mij betreft waar moeten maken: het gaat om veel meer dan (al dan niet zo snel mogelijk) opleiden van jonge mensen voor een plek op de arbeidsmarkt. We zijn geen platte toeleveranciers voor de arbeidsmarkt, maar willen een relevante rol spelen voor iedereen die bezig is zichzelf te ontwikkelen.

Maar wat betekent dat dan voor je manier van werken? “Wat voor school wil je zijn?”, betekent ook “wat voor organisatie wil je zijn?”, “hoe wil je (samen)werken met elkaar en met je omgeving?”, “wat wil je betekenen voor elkaar?”, “op welke manier denk je dat je het beste de moeite waard kunt zijn voor al je stakeholders?”

“Wij zijn gewoon een goede school” was tijden het motto van een van de collega-ROC’s. En eerlijk is eerlijk, een tijd lang vond ik het wel wat hebben “gewoon een goede school”. Maar intussen denk ik dat het een motto is dat erg past bij de Nederlandse mentaliteit van “je kop niet boven het maaiveld uitsteken”. En daar heb ik steeds minder mee. Ik voel steeds meer voor “het verschil willen maken” als motto. Dat is toch wat je wilt als school: dat je ertoe doet.

Op de eerste plaats wil je dat verschil maken voor de studenten die zich bij je deur melden. Maar ik wil graag een stap verder gaan. Hoe kunnen we, als school mét onze medewerkers en studenten, verschil maken voor de wereld. Die wereld heeft dat volgens mij hard nodig, want als we ermee om blijven gaan zoals we dat nu doen dreigt het faliekant mis te gaan…

En toen stuitte ik op het volgende citaat:

“Om de wereld te veranderen, moet je groepen vormen die samen iets voor elkaar willen krijgen, is zijn overtuiging. Dat maakt het makkelijker, betaalbaarder, maar ook leuker. Want eenmaal in zo’n groep komen ook andere gespreksonderwerpen voorbij.” (Met dank aan Bouwe de Boer, energiecommissaris van de provincie Fryslan.

“Groepen die samen iets voor elkaar krijgen”… dat bleef in mijn hoofd hangen. En deed me denken aan een woordenpaar dat me ook al even bezighield: “Gesellschaft” en “Gemeinschaft”. Wikipedia geeft bij deze woorden de volgende omschrijving: “Daarbij is de Gemeinschaft een samenleving met sterke affectieve bindingen en saamhorigheid, terwijl in de modernere Gesellschaft er sterke economische bindingen zijn met onderlinge concurrentie.”

Is dat niet de richting die we in moeten slaan? Moeten we geen afscheid nemen van het denken in termen van economie, marktaandeel, profijtbeginsel, etcetera? Is dat geen wereldbeeld waarin het eigenbelang altijd voorop zal staan, of dat nu van het individu, van de organisatie of wat dan ook is?

Moeten we niet gaan kijken naar een manier van werken en leven waarin het primair gaat om een samenleving waarin saamhorigheid kenmerkend is voor de wegen die we inslaan? En geldt dat dan ook niet voor een school als de onze, waarvan we wel vakwerk zeggen dat het een weerspiegeling van de maatschappij is?

Past het woord “Gemeinschaft” niet heel mooi bij ons friese woord “Mienskip”, waarbij ik altijd zal pleiten voor toevoeging van het minstens zo belangrijke adjectief “iepen”? Ofwel, om terug te keren naar het Nederlands, willen we als school verschil maken, moeten we dan niet werken aan een open samenleving waarin saamhorigheid en verbondenheid met elkaar en de omgeving centrale kenmerken zijn?

Broedplaats

Veel veranderingen beginnen ergens om vervolgens langzaam maar zeker hun weg te vinden in de samenleving. Het realiseren van een veranderingen is daarbij vaak een kwestie van vallen en opstaan. We proberen iets te verbeteren en dat lukt dan … of niet. Op veel terreinen zien we broedplaatsen ontstaan waar ruimte is voor dat vallen en opstaan. Vaak betreft het een verzamelplaats waar mensen een ambitie en/of een werkveld met elkaar gemeen hebben.

Het zou mooi zijn als onze school zo’n broedplaats werd waar we samen ontdekken hoe het kan werken … zo’n SAMENleving waarin saamhorigheid en duurzame ontwikkeling het winnen van eigenbelang en economisch gewin.

Wie heeft het hier voor het zeggen?

Zoals (bijna) alle (onderwijs-)organisaties is het ook bij de school waar ik werk een terugkerend thema: hoe zorgen we voor optimale samenwerking tussen het primaire proces en “de ondersteuning”.

En zoals (bijna) altijd bestaat de neiging tot simpele oplossingen. Het digitale tijdperk, waarin alles terug te brengen valt tot de keuze tussen een 0 en een 1 gaat verder dan de wereld van automatisering. Ook in ons eigen hoofd gaat het steeds weer om keuzes tussen A en B, waarbij et een volstrekt het tegenovergestelde is van het ander. En daarmee worden A en B min of meer synoniem met “goed” en “fout”.

Kijkend naar het thema van dit blog, kom je dan op keuzes als:

  • Vraag versus aanbod
  • Staf versus lijn
  • Positie versus competenties
  • Rol versus functie
  • Top-down versus bottom up

In dergelijke gesprekken krijg je steeds weer discussies over principes, over “hoe het hoort te zijn”. En tijdens al dat praten verandert er niets, worden verschillen eerder groter dan kleiner, terwijl de een de ander uitleg hoe de wereld in elkaar zit.

Maar kan het ook anders? En zo ja, hoe dan? Daar zal geen standaardrecept voor zijn. Maar wij proberen het wel. In grote lijnen doen we dat door op verschillende niveaus vragen te formuleren die we proberen te beantwoorden. En bij al die vragen geldt: de antwoorden zijn belangrijk, want die geven vorm aan onze manier van werken. Maar meer nog …. naast (en soms ondanks) deze antwoorden geven we de voorkeur aan het gebruik van gezond verstand. Dat valt niet in afspraken en regels te vatten.

Op organisatieniveau:

  • Waartoe bestaat de organisatie
  • Wat heeft de organisatie nodig om dat voor elkaar te krijgen?
  • Wat betekent dat voor de mensen die het moeten doen?
  • Hoe kunnen we dat het beste organiseren?

Op medewerkersniveau:

  • Waar heb je last van?
  • Wie heb je nodig om dat aan te pakken? (En zorg daarbij voor voldoende diversiteit op het gebied van deskundigheden, werkstijl en teamgedrag)
  • Wat zijn de kaders waarbinnen een oplossing gezocht kan worden (inhoudelijk, wet- en regelgeving, financieel, facilitair, etc.)?
  • Bedenkt met elkaar een oplossing …. en pas die toe!

Voor velen is dit anders dan ze gewend zijn. De ruimte om een eigen oplossing te bedenken en dat dan ook te gaan doen, past bij een nieuwe organisatiecultuur waarin verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen meer en meer in de genen moet komen. Daarbij horen drie kenmerken waar ik dit blog mee afsluit:

  • Lef, want je kunt beter achteraf excuus maken dan vooraf toestemming vragen
  • Flexibiliteit, want met de snel veranderende omgeving zal ook onze manier van werken nooit af zijn,
  • Samenwerking, want me elkaar de verantwoordelijkheid vanaf het begin nemen, werkt beter dan iedereen die steeds weer probeert een stukje van de puzzel te leggen.

“Ik gun geen ander wat ik heb meegemaakt”

Een paar weken geleden was ik bij de prijsuitreiking van NLskills, vakwedstrijden voor mbo-ers op vele gebieden. Daar werd duidelijk hoe hoog het vakmanschap is dat binnen het mbo ontwikkeld wordt. En natuurlijk wie dat het beste voor elkaar hadden en dus kampioen van Nederland worden. Zij zullen ons land in het najaar vertegenwoordigen op Europees niveau,

Als je zo’n avond meemaakt, vraag je je echt af waarom het imago van het mbo in Nederland zoveel slechter is dan wat het buitenland over ons denkt. Kwaliteit, ambitie, passie … het spat er vanaf. En stiekem ben ik dan best trots op óns mbo.

Om hele andere redenen had ik vandaag weer zo’n moment van trots. Ik was bij de finales van de Jan Hommen Scholarship. Onder die titel gaat een wedstrijd schuil waarin mbo-studenten die een extra steuntje kunnen gebruiken, kans maken op een periode van financiële en persoonlijke ondersteuning.

Uit een totaal aantal van 55 inschrijvingen waren acht finalisten naar voren gekomen. Acht jongeren van alle mbo-niveaus en alle leerjaren. Zij presenteerden zichzelf vandaag aan een jury van vooral prominente nederlanders (naast de naamgever Jan Hommen, ook Edgar Davids, Barbara Barend en Akwesi Frimpong). Die laatste kun je kennen als Ghanese deelnemer aan de laatste winterspelen op het onderdeel skeleton. Hij verzorgde ook een intermezzo waarin hij zijn verhaal vertelde. Een verhaal vol tegenslagen en teleurstellingen, maar uitmondend in de triomf om als eerste Ghanees op de winterspelen te staan.

Maar eigenlijk was dat natuurlijk bijzaak. Het ging om de acht finalisten, hun verhaal, hun presentaties en vooral … hun eigen overwinningen. Acht jonge mensen wiens leven al de nodige tegenslag had gehad. Maar al die tegenslagen kunnen niet voorkomen dat zij grote dromen hebben en deze vol passie willen realiseren. In al die verhalen kwam naar voren dat het bootcamp waar zij afgelopen week aan deelgenomen hadden een flinke indruk had gemaakt.

Hoe verschillend de deelnemers ook waren, er zaten flinke overeenkomsten in hun leerde lessen en ambities:

  • ze hadden geleerd om zich (meer) open te stellen (en hoe belangrijk dat is)
  • ze hadden zichzelf beter leren kennen en konden daardoor preciezer omschrijven wat ze willen bereiken
  • voor velen was de jeugd meer een periode van overleven dan van leven (geweest)
  • ze hadden het belang van samenwerken en teambuilding ontdekt (en dat het dan oké is om hulp te vragen)
  • en allen hadden, ieder op een eigen manier, de ambitie om te voorkomen dat anderen hetzelfde overkomt wat hen overkomen is (zie ook de titel hierboven)

“Ik heb de gave om mijn rugzak te vullen met de stenen van anderen”

Hoe indrukwekkend is het om te zien hoe diep deze mensen gaan. Zij tonen zich zoals ze zijn, met alle emoties, twijfels en zenuwen. En juist daarmee maken ze indruk. Maar ook met het feit dat die emoties evensteek zijn als ze anderen zien presenteren met hún emoties.

Maar waar het vooral om gaat … dit is dus óók mbo, onderwijs waarin iedereen zijn best doet om de beste versie van zichzelf, maar ook van de ander te maken. En als je dan door kunt zetten, ondanks steeds weer tegenwind, dan gebeuren er steeds weer mooie dingen … op óns mbo!

Het mbo heeft het weer gedaan…

Twee weken geleden las ik in het Financieel Dagblad een opiniestuk van Barbara Baarsma onder de spannende titel “Instellingen en studenten in het mbo moeten arbeidsmarkt serieuzer nemen” (zie https://fd.nl/opinie/1215672/instellingen-en-studenten-in-het-mbo-moeten-arbeidsmarkt-serieuzer-nemen )

Blijkbaar doet het mbo het (weer) niet goed genoeg, dus maar eens kijken wat we van professor Baarsma kunnen leren…

Op de eerste plaats kent zij mbo-instellingen een belangrijke rol toe bij het omgaan met de snel veranderende arbeidsmarkt. Maar helaas “Nu doen zij dat onvoldoende. Het opleidingsaanbod van mbo-instellingen is niet responsief genoeg”.

Het gaat dus om het aanbod dat onvoldoende inspeelt op wat het bedrijfsleven vraagt. Deze stelling onderbouwt Baarsma met de constatering dat er “opvallend veel opleidingen (zijn) met de kwalificatie geringe of matige baankans”. Het gaat daarbij om de baankansen, zoals deze periodiek gepubliceerd worden door de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Dit zou beter worden, aldus Baarsma, via twee ingrepen:

  • Grootschaliger invoeren van numerus fixus bij beroepsopleidingen
  • Financiële prikkels in de bekostiging van opleidingen

Het is duidelijk dat Baarsma inzet op vergroting van de responsiviteit door in te grijpen in het aanbod aan opleidingen. Opleidingen met een lage baankans zouden minder studenten op gaan nemen dankzij een numerus fixus. Het aanbieden van die opleidingen wordt ook onaantrekkelijk als ze minder goed bekostigd worden dan opleidingen die die baankans wel bieden. Van bestuurders verwacht ze blijkbaar dat ze als een boekhouder gaan zitten rekenen welk opleidingsaanbod financieel het meest gunstig is om in de markt te zetten. Volgens mij is dat juist de mentaliteit die we bij het besturen van publieke instellingen minder willen zien…

Ook bij het via een numerus fixus dwingen van aspirant-studenten tot andere keuzes plaats ik grote vraagtekens. Ik zie de techniekopleidingen al volstromen met jongens en meiden die eigenlijk hun heil wilden zoeken in de zakelijke dienstverlening. Of (erger nog…) in iets met kunst en cultuur. De uitvalpercentages zullen beslist oplopen, docenten lopen tegen een muur van gebrek aan motivatie, studenten voelen zich niet thuis in de opleiding en op hun stageplek vraagt men zich af “wat er nou weer van dat mbo afkomt”.

Naar mijn idee moeten we het vergroten van de responsiviteit maar voor een zeer beperkt deel zoeken in de vraag welke opleidingen we wel of niet aanbieden. Responsiviteit moet een kenmerk van de opleidingen zelf worden. Daarin moet men meebewegen met wat de bedrijven vragen aan nieuwe kennis en vaardigheden. Als je dat doet kunnen we jongeren voldoende keuzes blijven bieden waarmee zij aan kunnen sluiten bij hun interesse en passie. Dan zijn zij ook in de gelegenheid om die interesse te vertalen in gedrag en leerhouding waarmee zij hun kansen op die snel veranderende arbeidsmarkt zo groot mogelijk maken.

Dat kan door als opleiding intensief samen te werken met bedrijven in de omgeving, door studenten daadwerkelijk te laten ervaren wat er op de werkvloer aan het veranderen is, en door docenten op diezelfde werkvloer aan het werk te zetten met hun studenten. Op die manier zijn de veranderingen een “gewoon” onderdeel van de dagelijkse werkelijkheid. Alleen zo leren bedrijven, docenten en studenten daarmee omgaan.

Naast deze kritiek op het aanbod aan opleidingen legt Baarsma de bal overigens en-passant ook bij docenten (verouderde kennis, onvoldoende geprikkeld tot omscholing) en studenten (informeren zich slecht over werkkansen en kiezen alleen wat leuk is).

Stellingen die volstrekt niet onderbouwd worden in het artikel. Waarom dit in het mbo allemaal beroerder zou zijn dan in andere onderwijssectoren wordt al helemaal niet besproken.

Voor de duidelijkheid: de responsiviteit van het beroepsonderwijs is een belangrijk thema als het gaat om de toekomst van die sector. Dat kan en moet beter, daar doe ik niets aan af. Helaas helpt de opinie van Barbara Baarsma ons daarbij niet verder. Denken over financiële prikkels leidt juist af van het zoeken naar echte verbeteringen: inhoudelijke modernisering van het onderwijs in verbinding met de praktijk van bedrijven en aansluitend bij de passie van studenten.

Het kán niet alleen anders, het móet ook anders

069c066

“Ons onderwijs leidt op volgens een stramien dat zinvol was in een heel andere tijd dan waarin we nu leven.” Wie mijn blog al eerder las, weet dat zo’n zin mij aan het lezen en denken zet.

Een kort blog daarover dit keer, en alweer vooral bedoeld om te verwijzen naar een artikel dat je echt niet mag missen. Afgelopen zaterdag schreef Valerie Frissen een betoog in het Financieel Dagblad. Daarin pleit zij voor forse veranderingen in het onderwijs, met name als het gaat om beoordelen en examineren. Daarbij kijken we namelijk slechts op één moment naar een beperkt ontwikkelingsgebied.
Ofwel, “(een diploma) is niet meer dan een gestolde momentopname van je ontwikkeling, waarbij je bovendien maar op een beperkt scala vaardigheden bent getoetst”. En dat sluit al lang niet meer aan bij de vragen die de moderne samenleving aan kinderen, studenten en werknemers (van de toekomst) stelt.

En verder:
– waardeert het onderwijs slechts formele kennis, terwijl informele kennis minstens zo belangrijk en waardevol is
– leidt de ‘diploma-fetisj’ tot het alsmaar nastreven van hoger opleiden als het ultieme doel van onderwijs
– heeft deze miskenning van ‘lager’ opgeleiden een steeds groter tekort aan vakmensen tot gevolg
– wordt het onderwijs gedomineerd door standaardcurricula, waarin iedereen na een jaar of vier geacht wordt een diploma te halen
– waarmee (moderne) mogelijkheden voor maatwerk dat aansluit bij niveau en enthousiasme van iedere leerling/student ongebruikt blijven

Kortom,…. lezen!

Valerie Frissen over onderwijs

Interview over professionalisering in het MBO….

MBO Raad VAST; In gesprek met Tamar van Gelder (Aob) en Frank van Hout (FC-MBO Raad)[2]

 

 

“toppertjes” in Göteborg gaan de uitdaging aan

Ik kreeg de kans om een paar dagen mee te maken van de zogenaamde Euroskills vakwedstrijden, waarin zo’n 500 MBO-studenten uit heel Europa met elkaar uitmaken wie als beste vakman of –vrouw uit de strijd komt.

Hieronder een impressie van en reflectie op dat fenomeen.

Grote hallen met extreem veel (ook behoorlijk jong) publiek. De wedstrijden blijken populair bij het voortgezet onderwijs als middel om te oriënteren op de wereld van opleiding en beroep.

En natuurlijk ook de hardcore fans, vaak bestaande uit docenten van de eigen school of familie van deelnemers.img_0106

Dan zoek je natuurlijk eerst de deelnemer op van je “eigen” school. Maurice is snel gevonden tussen de gigantische landbouwmachines. Maar in plaats van sleutelen staart hij vol concentratie naar het scherm van een iPad. En denk maar niet dat die aandacht af te leiden valt. Pure concentratie is hier het devies.img_0099

Gelukkig valt met zijn docent, Lieuwe Greidanus, wel een praatje te maken. Naast het genieten van de activiteiten van deze topstudent is ook de betrokkenheid en inzet van de begeleidende docent zeker het vermelden waard.

Die concentratie is overigens wel een kenmerk van bijna alle deelnemers. Ondanks alle rumoer om hen heen lijken ze niet van de wijs te brengen en zijn puur bezig met de opdrachten. Soms levert dat de stilstaande beelden op zoals ik bij Maurice beschreef. Maar bij andere wedstrijden is sprake van fikse fysieke inspanningen om de opdracht tot een goed einde te brengen.

Dat brengt me op enkele overwegingen rondom dit fenomeen van vakwedstrijden. Het lijkt soms allemaal wat “on-Nederlands”. We zijn een beetje gewend om vooral het feit dat je je best doet te waarderen. Het resultaat is daaraan ondergeschikt. Dan wordt het ook moeilijk om te spreken van “de beste” en zijn we al snel “allemaal winnaars”.  De olympische gedachte dat meedoen belangrijker is dan winnen viert in dat opzicht al snel hoogtij.

Maar tegelijk horen we maar al te vaak dat studenten in het MBO uitdaging missen. Toen ik Maurice een paar weken geleden sprak, maakte hij me al snel duidelijk dat het zijn ambitie is om een geweldige vakman te worden. Gewoon “de beste zijn”, als Sven Kramer dat mag zeggen, waarom Maurice dan niet? En al die andere jongens en meiden die hier in Göteborg strijden om podiumplekken. Dat zijn geen “toppertjes” dat zijn topsporters!

En ik hoop gewoon dat Maurice daarbij zondag een gouden plak op mag halen….

img_0153

 

Kwaliteitsverbetering: slimmer, eerlijker en misschien zelfs beter…

Een aantal hogescholen wordt binnenkort gekort op de bekostiging omdat hun resultaten niet voldoen aan de gemaakte resultaatafspraken. Dat betekent dat zij met minder geld moeten gaan werken aan kwaliteitsverbetering. Een uitdaging, lijkt me. En wellicht het begin van een neerwaartse spiraal. Wat gebeurt er immers als zij die gewenste verbetering niet weten te realiseren? Nog minder geld?Met bovenstaande redenering probeer ik duidelijk te maken dat resultaatafspraken als middel voor kwaliteitsverbetering wel eens het tegengestelde effect kunnen veroorzaken.

Nou ben ik sowieso niet voor variabele beloning, zoals deze zowel in het hoger onderwijs als in het mbo een steeds groter deel van de bekostiging vormt. Maar ik ben wel blij dat er in het mbo voor een andere aanpak is gekozen, waarbij het niet (perse) om harde kwantitatieve resultaten hoeft te gaan, maar ook de mogelijkheid bestaat om kwalitatieve doelstellingen op te nemen in het kwaliteitsplan. 

Maar ook dat heeft zo zijn keerzijde. Enkele jaren geleden moest het hele mbo aan de slag met een kwaliteitsplan. Daar kwam al snel een extra onderdeel bij in de vorm van een plan voor excellentie. En intussen werd al gekeken of scholen het voortijdig schoolverlaten wel genoeg omlaag brachten (dat lukt aardig, maar de vraag is wat er gebeurt als de ondergrens van het haalbare gehaald wordt). Aan al deze zaken kan financiële beloning of straf gekoppeld worden. Dat geldt ook voor de laatste loot aan deze stam: het BPV-plan.

Dus inmiddels hebben alle scholen deze plannen opgesteld, ingediend en beoordeeld gekregen. En moeten zich over al deze plannen verantwoorden via tussenevaluaties, monitorgesprekken, etcetera. Dat leidt volgens mij tot ongewenste parallelle beleidscycli en daarmee tot ongewenste bureaucratie. Het ministerie geeft per onderdeel vaak aan wanneer op welke manier gepland, gemonitord en verantwoord moet worden. Volgens mij moet dat beter kunnen.

Ik ben immers absoluut niet tegen kwaliteitsverbetering en al evenmin tegen verantwoording. Scholen worden publiek bekostigd en moeten zich dus ook publiek (kunnen) verantwoorden over de manier waarop zij dat geld inzetten en de resultaten die zij daarmee bereiken.

Maar we moeten met elkaar niet willen dat er in april een opdracht naar een school gaat om binnen zes weken een BPV-plan te maken dat kan rekenen op draagvlak binnen de scholen. En daar is dan ook nog extra geld aan gekoppeld dat gedurende het lopende kalenderjaar toegekend, ontvangen en besteed moet worden. Daarmee maak je scholen gek en heb je verwachtingen die niet verantwoord te realiseren zijn.

Zou het niet veel beter zijn als het ministerie met deze sturing aansluit bij de bestaande gang van zaken? Zou kwaliteitsverbetering geen onderwerp moeten worden van het jaarverslag? En dan niet alleen in het terugkijken, maar juist ook in het vooruitkijken. Ofwel, laat scholen presenteren waar zij komende jaren aan willen werken op het gebied van kwaliteitsverbetering. Niet in een apart plan, maar als onderdeel van het jaarverslag (dat dan dus niet alleen verslag, maar ook plan wordt). 

Op die manier kunnen de beleidscycli van ministerie en scholen meer synchroon gaan lopen. Dat zou er als volgt uit kunnen zien:

  • In mei/juni geeft het ministerie aan of er bijzondere onderwerpen/verwachtingen zijn waar scholen zich op moeten richten. 
  • Daarbij wordt ook duidelijk gemaakt wat dat betekent voor de bekostiging in de komende periode. 
  • Scholen kunnen vervolgens na de vakantie beginnen met het maken van een plan voor het komend jaar (of het eventueel aanpassen van een bestaand meerjarenplan)
  • Die plannen kunnen dan gekoppeld worden aan de inzet van middelen, zoals dat zichtbaar wordt in de begroting
  • Dit alles resulteert in een jaarverslag/-plan waarin dat bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. Het jaarverslag zoals we dat kennen, inclusief financiële verantwoording
  2. De inhoudelijke plannen voor het (dan al lopende) jaar, inclusief bijbehorende inzet van middelen
  3. De continuïteitsparagraaf, zoals we die nu kennen, waarin ook ingegaan wordt op kansen en bedreigingen ten aanzien van de beoogde kwaliteitsverbetering. 

Al met al niet veel minder werk, maar wel passend in het leefritme van de school en daardoor minder stress veroorzakend en waarschijnlijk effectiever en efficiënter. 

Nieuwe kijk op levenslang leren

We MOETEN met z’n allen ons leven lang leren!
Tot zover het oude nieuws, want dat roepen we al jaren.
Maar … NU moet het ECHT!
Ja, ja … nog steeds oud nieuws…..

Het MOET wel, maar we DOEN het niet!
Ook zo’n bekend liedje, maar hier ligt het wat genuanceerder. Met name hoger opgeleiden lijken dit redelijk voor elkaar te hebben. Zij hebben de ambitie en potentie om zichzelf met enige regelmaat bij- op- of om te scholen. Maar juist de onderkant van de arbeidsmarkt en bepaalde kwetsbare groepen maken (te) weinig gebruik van de geboden mogelijkheden.

Over deze zaken las ik (weer) in een recente brochure van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: “Toerusten en verbinden” (OCW, juli 2016). Nou was ik al wat langer aan het denken over dit fenomeen. Daarbij werd ik vooral gestimuleerd door gesprekken met werkgevers die soms ook met de handen in het haar zitten. “Hoe krijg ik mijn mensen aan het leren? Er verandert van alles en ik moet ze daarin meekrijgen anders kan ik ze niet aan het werk houden. Maar na jaren hetzelfde doen, krijg ik ze niet meer in beweging…”
Tegelijk met deze geluiden, kwam ik tot de constatering dat wij met ons ROC eigenlijk veel te weinig voor elkaar krijgen op deze markt. En als je daar een opmerking maakt, wordt het verklaard met een verwijzing naar de CAO die onze kostprijs veel te hoog zou maken. Maar dat is natuurlijk alleen maar een reden om niet op prijs te gaan concurreren met andere aanbieders. En verder een goede aanleiding om na te denken over de vraag waarom men ondanks die hoge prijs tóch voor ons zou (kunnen/willen) kiezen…..

Nou was het dezelfde brochure van OCW die me het laatste zetje gaf om over dit onderwerp (na lange tijd) weer eens enkele gedachten in een blog te plaatsen. Daarin wordt nog maar eens gewezen op het feit dat onze omgeving zo snel verandert. En die veranderingen leiden tot het verdwijnen, verschijnen en veranderen van banen. “…de technisch medewerker van straks zal andere verantwoordelijkheden hebben dan die van vandaag”, zo las ik.
Maar de belangrijkste zin was misschien wel “Permanent leren gebeurt voor een belangrijk deel op en tijdens het werk”. In die zin zit wellicht het grootste probleem verscholen dat er de afgelopen jaren voor zorgde dat een leven lang leren zo moeilijk van de grond komt. In ons “traditioneel” denken over leren maken we onderscheid tussen leren en doen, tussen leren en werken. Leren is daarbij een (hinderlijke, maar noodzakelijke) onderbreking van het werk.

Dat lijkt wel wat op de scheiding die we in het MBO maken tussen onderwijstijd (BOT) en stage (BPV). Die gaat uit van een onderwijsmodel waarin we leren op school (tijdens BOT) en het geleerde daarna toepassen in de praktijk (BPV). Om er in die praktijk achter te komen dat de werkelijkheid er anders uitziet dan we op school voorgeschoteld krijgen… Daarom zochten wij naar een manier waarop die praktijk niet volgt op de theorie, maar waarin het leren juist ín die praktijk plaatsvindt. Dat leidde tot de “praktijkroute”. Mocht je nieuwsgierig zijn dan vind je hier een aantrekkelijke presentatie van dat idee: Animatie praktijkroute

Dit denken zou toch ook moeten helpen bij een andere benadering van “een leven lang leren” ofwel, zoals ik het liever ga noemen, “permanente ontwikkeling”. We zien nu ook in de praktijkroutes dat medewerkers van bedrijven belangstelling hebben voor wat onze studenten leren en voor de begeleiding die daarbij geboden wordt. De toegevoegde waarde van een ROC kan wel eens meer zitten in de kwaliteit waarmee leerprocessen begeleid worden. Docenten die individuele medewerkers, maar ook teams begeleiden bij het steeds weer beter worden en het integreren van nieuwe ontwikkelingen in de reële praktijk. Dan is een leven lang leren gewoon hetzelfde als een leven lang werken en meteen ook een voorwaarde om een leven lang aan het werk te blijven…….


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën