Archive Page 2

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

Bedrijfsscholen… de oplossing of het symptoom?

“Bedrijven met eigen school krijgen straks rechtstreeks geld van de overheid”

Aldus de kop in een artikel in het Financieel Dagblad van woensdag 11 november. Wie doorleest, ontdekt dat de krant bronnen heeft die melden dat et ministerie van OC&W plannen heeft om een proef te beginnen met het rechtstreeks financieren van bedrijven die MBO-opleidingen verzorgen. Het is nog maar een plan en een proef kan zelden kwaad, maar toch heb ik ernstige twijfels….

Nou ontstaat zo’n plan nooit voor niks. Blijkbaar is er een reden om aan de huidige praktijk te twijfelen. Maar zijn de bedrijfsscholen nou het symptoom dat ons aan het denken moet zetten? Of zijn ze direct al de oplossing?

Voor welk probleem is dit een oplossing?
“… dat ondernemers soms veel beter en sneller in staat zijn jongeren gericht op te leiden voor de arbeidsmarkt dan mbo’s”, aldus VVD-Kamerlid Anne-Wil Lucas.
Is dat zo? Waar blijkt dat uit?
En als mbo’s dat niet goed doen, terwijl het een van hun primaire opdrachten is, dan moeten we volgens mij nadenken over de manier waarop we dat kunnen verbeteren. Hebben mbo’s onvoldoende oog voor ontwikkelingen in de omgeving? Wat betekent eigenlijk “gericht” opleiden? Is dat een smalle opleiding om te voldoen aan de vragen van vandaag en morgen? Maar hoe zit het dan met de mogelijkheden van jongeren om ook een antwoord te zijn op de vragen van overmorgen en volgende week? Die kunnen immers wel eens heel anders zijn.
Is het in die bedrijfsscholen echt allemaal zoveel beter? Of hebben zij hun pr en lobby beter voor elkaar?

Waardoor wordt die trage reactie overigens veroorzaakt?
Denk eens aan de rechtspositie van docenten in de onderwijsinstellingen tegenover de ruimte die bedrijfsscholen hebben. Die laatsten kunnen per jaar hun behoefte in kaart brengen en de benodigde mensen, via de mbo’s, inhuren. De structurele verplichtingen, inclusief eventueel wachtgeld, ligt dan bij de onderwijsinstellingen. Hoe gaat dat als er straks sprake is van rechtstreekse bekostiging?

Bij dit voorstel wordt een beroep gedaan op een vorm van gelijke behandeling? Maar hoe gelijk wordt het dan?
Ik wees al op het vraagstuk van rechtspositie. Daar komt nog wel wat bij:
– hoe zit het met de (financiēle) verantwoording? Moeten bedrijven straks aan dezelfde voorwaarden voldoen? Hoe gaan zij dan een scheiding aanbrengen tussen besteding van publieke en private middelen? Valt dat daadwerkelijk te controleren? Of kijken we alleen naar de output: het aantal gediplomeerde leerlingen?
– hoe zit het met de vergelijking tussen mbo en hbo? In het artikel lees ik alleen over deze ontwikkeling op mbo-opleidingen. Gaat het ook voor hbo gelden?
– wordt straks ook het particuliere vo-onderwijs in ons land door het rijk bekostigd? Die zeggen immers ook dat ze veel beter aansluiten bij vragen van leerlingen. ouders, omgeving.

Tenslotte nog een meer principiële overweging. Het denken achter dit proefproject lijkt gebaseerd op de overtuiging dat marktwerking en concurrentie helpen bij het leveren van kwaliteit. Op basis van die overtuiging wordt nu al enkele jaren de publieke sector uitgekleed. En waar zien we nu daadwerkelijk betere kwaliteit? In de zorg? Bij de inburgeringscursussen?
Onderwijs hoort een plaats te hebben in het publieke bestel als algemeen toegankelijke, bekostigde voorziening. Uiteraard dient daarbij oog te zijn voor kwaliteit, flexibiliteit, doelmatigheid, etcetera. We hoeven het scholen niet makkelijker te maken dan het is.
Tegelijk kun je je afvragen of dit voor al het onderwijs voor iedereen en altijd moet gelden. Voor bepaalde doelgroepen, bepaalde situaties, bepaalde doeleinden kan het het overwegen waard zijn om meer vraagsturing te organiseren. Daarbij zou je potentiële studenten de beschikking kunnen geven over een opleidingsbudget dat bij publieke, maar ook bij particuliere aanbidders besteed kan worden. Ik denk dat dat een goed instrument kan zijn om eigen verantwoordelijkheid voor employability te stimuleren. Maar dan heb ik het in het algemeen over wat oudere mensen, die in het algemeen werk(ervaring) hebben en verdere stappen willen zetten in hun loopbaan. Dat is een andere doelgroep, die om andere maatregelen vraagt dan de 17-jarige vmbo-er die niet alleen een beroep wil leren, maar ook nog ruimte vraagt (en moet krijgen) om zich te ontwikkelen tot deelnemer aan onze samenleving. Dat is een opdracht die we als samenleving, en dus publiek, aan moeten gaan.

Hoe kleiner, hoe fijner? Ofwel: de zoektocht naar meer (kans op) kwaliteit

In Den Haag denken mensen vaak na over de oplossing van problemen in ons land. Zo ook bij het ministerie van Onderwijs. Daar kijken ze hoe het ervoor staat met ons onderwijs en op welke manier via wetgeving problemen opgelost, of tenminste verkleind, kunnen worden.
Zo zat ik vanmiddag in een gesprek over de (vermeende?) noodzaak om het MBO “kleinschalig en herkenbaar” te organiseren. Daarmee zouden studenten (en docenten) zich meer thuis gaan voelen op MBO-scholen en dat zou dan weer leiden tot beter onderwijs met minder uitval.

De basis voor het gesprek is door het ministerie gelegd in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juni 2014 “Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo”.

Een citaat uit deze brief:
“Uit onderzoek, ook in andere onderwijssectoren, blijkt dat het studiesucces van een student toeneemt wanneer hij/zij zich thuis voelt op een school en deel uitmaakt van een (kleine) groep.”
Zie daar een belangrijk uitgangspunt waar het ministerie haar denken op baseert. Ik herken er wel iets in, dus laten we maar aannemen dat deze bewering hout snijdt, alhoewel die prestaties toch ook wel beïnvloed zullen worden door de kwaliteit van het onderwijs, de docenten, de leeromgeving.

Waar ik moeite mee heb is de eenvoudige relatie die gelegd wordt tussen de omvang van een school en de mate waarin studenten zich thuis voelen. Iedereen is het er wel over eens dat het van belang is voor dat “thuis voelen: dat studenten de anderen kennen en door anderen gekend worden.
Maar bestaat er een direct verband tussen het gevoel van gekend worden en de omvang van de school. Moet iedereen de student dan kennen? Moeten alle studenten elkaar kennen?
Kennen en gekend worden is van belang, maar naar mijn mening geldt dat voor de kring die direct om de student heen bestaat: medestudenten en het verantwoordelijke team van docenten. Deze kring kan niet oneindig groot zijn. Op onze school streven we naar ongeveer 250 studenten en een daarbij passend team van 10-12 mensen.
De verbinding met de omvang van de school wordt bepaald door het aantal van deze kringen. Het maximum dat daaraan verbonden is durf ik niet te stellen. Wel denk ik dat dat maximum meer bepaald wordt door de organiseerbaarheid van de school dan door de (ervaren) kwaliteit.

Een (of “de”) oplossing waar OCW over nadenkt om die kleinschaligheid en herkenbaarheid te organiseren is de “gemeenschap van MBO-colleges”: “Tijdens de MBO Tour zag ik dat er op veel plaatsen geprobeerd wordt om het onderwijs kleinschalig te organiseren binnen een roc. (…) Ik vind deze ontwikkeling een goede zaak en zal daarom een nieuw bestuurlijk model introduceren: de gemeenschap van mbo-colleges, waarbinnen het onderwijs wordt georganiseerd in aparte colleges. De colleges kunnen zijn gericht op een bepaalde branche of sector.”

Een paar opmerkingen over deze oplossingsrichting, die ik overigens op geen enkele manier zou willen verbieden. Hoe meer keuze, hoe meer kansen….

  • Worden hier de begrippen kleinschalig en klein wel goed onderscheiden? Terecht spreekt de minister haar bewondering uit voor ontwikkelingen binnen ros’s die moeten leiden tot kleinschaliger georganiseerd onderwijs. Maar waarom zouden deze mbo-colleges dat bevorderen? Zijn dat niet “gewoon” kleinere scholen? En wat is dan “klein”. Als je 20.000 studenten verdeeld over vijf of zes colleges heb je nog steeds scholen van enkele duizenden studenten. Bepaald geen garantie voor een thuisgevoel, zo lijkt me.,
  • Waarom wordt gekozen voor een verzameling van opleidingen “gericht op een bepaalde branche”. Dat lijkt goed voor de herkenbaarheid, maar in de wereld om ons heen zien we grenzen tussen branches steeds meer vervagen. Het vergroten van de afstand tussen sectoren in onze scholen is dan een tegengestelde beweging, waarvan het maar de vraag is of deze de herkenbaarheid vergroot, bekeken vanuit het perspectief 2015 en niet 1995. Moeten we in onze scholen niet meer ruimte maken voor netwerken van onderwijsteams die multisectoraal samenwerken met de omgeving (die dat vaak al lang doet)?

Het wordt weer tijd voor een overeenkomst tussen de mogelijke plannen van OCW en mijn gedachten … Voor beter onderwijs is onderwijskundig leiderschap cruciaal. Het ministerie belegt dat leiderschap bij de “collegedirecteur”. Deze is tevens het boegbeeld van het college en aanspreekpunt voor bedrijven, overheid en ouders. Hierover is in de genoemde kamerbrief het volgende te vinden: “Met dit bestuurlijk model beoog ik ook het onderwijskundig leiderschap binnen het nieuw te vormen mbo-college een stimulans te geven. Dat doe ik door de introductie van de collegedirecteur.“
Het is van groot belang dat het management zich richt op de kwaliteit van het onderwijs, een ondersteunende organisatie en een intensieve dialoog met het bedrijfsleven. In veel ROC’s is dat belegd bij directeuren, al dan niet in combinatie met opleidingsmanagers (of welke naam dan ook). Maar waarom moet de functie van collegedirecteur zoveel nadruk krijgen? Voor welke deur die nu nog gesloten blijft heeft deze nieuwe functionaris de sleutel in handen. Hoe verhoudt deze rol zich tot de ontwikkeling van teams die, conform het professionele statuut, steeds meer verantwoordelijkheid krijgen en nemen voor de inrichting van het onderwijs en de kwaliteit waarmee dat uitgevoerd wordt? Zou dat niet moeten leiden tot:

  • onderwijskundig leiderschap dat dichtbij, of zelfs ín, het team vorm krijgt
  • een organisatie die zich toespitst op de ondersteuning van teams en het gesprek voert met teams over de randvoorwaarden om onderwijskwaliteit te leveren
  • rechtstreekse input in de teams vanuit bedrijven en samenwerking met bedrijven bij de realisatie van modern beroepsonderwijs

Laten we leidinggevenden, met welke titel dan ook, de focus laten leggen op het realiseren van deze ambities. Dan komt het met dat thuisgevoel ook wel goed (of tenminste beter).

“Hoe eerder, hoe beter”, nieuwe kijk op nieuwe problemen

Er gebeuren ongewone dingen in ons land als gevolg van de forse stroom vluchtelingen die binnenkomt. En ongewone gebeurtenissen vragen om ongewone antwoorden. Die zullen we ook als onderwijs moeten formuleren….

Wat is er aan de hand? Het aantal vluchtelingen dat maandelijks binnenkomt was nog nooit zo hoog. De verwachting is dat dit nog een tijd door zal gaan. Ook lijkt het erop dat het overgrote deel van de betrokken mensen een tijdelijke of permanente status zal krijgen en hier dus op zijn minst een aantal jaren zal blijven. En eigenlijk verwacht iedereen dat een fors deel zich voorgoed in Nederland zal vestigen.
Dit leidt tot heftige discussies tussen voor- en tegenstanders, maar ook tot forse uitdagingen op het gebied van huisvesting, opleiding, werktoeleiding en inburgering.

De titel van deze tekst geeft aan onder welk motto dat alles volgens mij moet gebeuren: “hoe eerder, hoe beter”.
Mijn uitgangspunt is dat mensen die hier als vluchteling terechtkomen zo snel mogelijk de kans moeten krijgen op een zinvol leven.
Onderwijs is daar een belangrijk onderdeel van. Het gaat dan niet alleen om het leren van een taal, maar ook om het leren leven in een nieuw land en om toeleiding naar werk.

Inmiddels zien we hoe de onvoorspelbare, massale bewegingen dwingen tot onconventionele oplossingen op het gebied van opvang en huisvesting. Mijn stelling is dat we daar ook naar moeten kijken als het gaat om onderwijs en toeleiding naar werk.
Waarom is het nu anders dan anders?

  • de aantallen zijn extreem hoog waardoor er op alle terreinen capaciteitsvraagstukken ontstaan
  • er worden nieuwe vormen van (nood)opvang gerealiseerd waardoor ook nieuwe, onvoorspelbare bewegingen van de betrokken mensen ontstaan
  • de samenstelling van de groep kan wel eens anders zijn dan we gewend zijn, zoals het schijnbaar grote aandeel van hogeropgeleiden

Het zoeken van die onconventionele oplossingen moet wat mij betreft antwoord geven op de volgende uitdagingen:

  • Het snel en (deels onverwacht) komen, maar wellicht ook vertrekken van vluchtelingen naar andere delen van het land
  • De noodzaak om snel tot een zinvol leven te komen, inclusief kansen op werk
  • Het feit dat een groot deel van de binnenkomende vluchtelingen forse trauma’s kan/zal hebben en dus ook op dat gebied begeleiding nodig heeft

Om aan die uitdagingen het hoofd te bieden zijn geen pasklare oplossingen voorhanden. En we hebben de tijd niet om heel lang na te denken over en onderzoek te doen naar die oplossingen. Ik wil pleiten voor het zoeken van een oplossing via “vallen en opstaan”. En dat vraagt om ruimte … regresvrije ruimte om precies te zijn, experimenteerruimte, als dat beter klinkt…

Die ruimte gaat dan over:

  • de mogelijkheid om delen van opleidingen te volgen, die later een onderdeel van een volwaardige opleiding kunnen zijn
  • de mogelijkheid om via de praktijk te leren, zonder dat er direct een volwaardige BBL-constructie bestaat
  • de mogelijkheid om pas na enige tijd onderwijs te concluderen welke opleiding passend is en in welke sector/op welk niveau dat het beste gevolgd kan worden
  • intensieve samenwerking tussen onderwijs, hulpverlening, werkgevers en arbeidstoeleiding
  • geen outputbekostiging aangezien het behalen van een diploma afhankelijk is van (te) veel externe factoren
  • geen t-2 bekostiging aangezien van onderwijsinstellingen niet gevraagd kan worden om voor deze grote groepen voorfinanciering van het onderwijs te bekostigen

Het zou mooi zijn als een of enkele regio’s uitgenodigd werden om op basis van bovenstaande gedachten plannen te ontwikkelen die op korte termijn tot uitvoering van adequaat onderwijs en begeleiding kunnen leiden

Bestuurder laat je zien

“Onderwijsbestuurders gaan gesprek uit de weg” luidde de kop boven een ingezonden artikel in het Parool van afgelopen donderdag (22-10). In het stuk schrijft Rik Seveke, programmamaker onderwijs van De Balie, over zijn activiteiten in dit debetcentrum waar het vaak over onderwijs gaat. Bij die gesprekken zijn velen betrokken als deelnemer en/of toeschouwer. Maar, zo constateert Seveke, “de enigen die zich hieraan onttrekken en daarmee onderwijsontwikkeling belemmeren zijn de bestuurders”. Even verder over diezelfde bestuurders: “Zelden komen zij in de school of in de klas. Door permanent het gesprek met onderwijsprofessionals uit de weg te gaan ontbreekt er een cruciale schakel in de ontwikkeling van onderwijs in Nederland.”
“Als onderwijsbestuurder kom ik bijna dagelijks op scholen en spreek ik veel ouders”, zo luidde een deel van de herkenbare, maar ok voorspelbare reactie in dezelfde krant vandaag. Daarin dient Herbert de Bruijne, CvB-voorzitter in het primair onderwijs, Seveke van repliek. Eerlijk is eerlijk, zo luidde ook mijn eerste, impulsieve reactie. Gewoon omdat het zo is. Als CvB kiezen wij er bewust voor om ruimtes te gebruiken die midden in het onderwijsgebied liggen. Naast onze meest gebruikte overlegruimte zit een gewoon klaslokaal. De gangen waar we doorlopen worden vooral gevuld door studenten en docenten op weg van en naar onderwijsruimten.

Maar wat helpt het als ik tegen de stelling van Seveke inbreng dat hij, wat mij betreft, ongelijk heeft. Moeten we discussie laten gaan over het deel van de onderwijsbestuurders dat wel of niet beantwoordt aan het beeld dat Seveke ons voorspiegelt? Van mij mag de Bruijne o die manier reageren, maar ik doe er niet aan mee. Het heeft namelijk geen enkele zin. Iedereen weet dat er betere en minder goede voorbeelden zijn. Wat dat betreft zijn onderwijsbestuurders net mensen … je hebt ze in vele soorten en maten.

Wat wel telt is dat Seveke ons een beeld voorspiegelt dat we, helaas, maar al te vaak tegenkomen. Dat van (onderwijs)bestuurders in een ivoren toren, ver weg van de plaats waar het echte werk uitgevoerd wordt. Ik kan me in dat beeld niet herkennen, maar het is natuurlijk niet zomaar ontstaan. En zoals altijd, zo’n imago komt te paard, maar gaat te voet. Alleen door gedurende lange tijd, steeds weer herhalend, een andere werkelijkheid neer te zetten, kunnen we hopen dat er een nieuw beeld ontstaat.
En dat moet niet op de eerste plaats gebeuren omdat we als bestuurders last hebben van die negatieve beeldvorming. Het is pure noodzaak omdat het aangaan van het gesprek een belangrijke kern van ons werk is. Daarover iets meer …

Belangrijk deel van je werk als bestuurder is kijken naar de koers die je als instelling op lange termijn wilt volgen. Dat bepaal je niet zomaar. De koers van het onderwijs zal altijd een reactie zijn op datgene wat in de omgeving van scholen gebeurt en de vragen die dat oplevert. De enige manier om dat goed in beeld te krijgen is het tegenovergestelde van de stelling van Seveke. Niet het gesprek uit de weg gaan, maar juist het gesprek gaan voeren.
Begin dit kalenderjaar startten wij op school aan de afronding van een zogenaamde “koersplanperiode”. Een periode van drie jaar die gedekt werd door een koersplan dat we voor die jaren geschreven hadden. Daarin beschreven we wat we zagen als belangrijkste uitdagingen voor die periode en wat we bij het omgaan met die uitdagingen voor elkaar wilden krijgen.
Nou geloven wij niet zou in SMART-doelstellingen waarvan je met behulp van een checklist aan het einde van de reis controleert of ze bereikt zijn. Een koersplan is geen projectplan… het is een reisplan dat weliswaar een richting en ambities definieert, maar tegelijk voortdurend verandert onder invloed van wat zich in de school en in de omgeving van de school afspeelt. De periode van zo’n plan kan op een gegeven moment aflopen, maar daarmee is de reis nog niet beëindigt. Wat we wilden was dus vooral antwoord vinden op de vraag of ons reisdoel nog steeds hetzelfde was en of we in de afgelopen jaren wat dichterbij gekomen waren.
Om daar achter te komen bestaat maar één manier: de vraag stellen! En dat deden we. Bij de verschillende opleidingen werden gesprekken georganiseerd waaraan docenten, studenten en mensen uit het bedrijfsleven deelnamen. En uiteraard deed het CvB mee, graag zelfs! We kozen wel voor een bepaalde rol, die vooral bestond uit luisteren en vragen stellen. We waren namelijk erg nieuwsgierig naar de gesprekken die gevoerd werden. Waren de verschillende groepen het snel met elkaar eens? Of hadden ze juist heel verschillende belevingen van de afgelopen periode? En bestonden er grote verschillen tussen verschillende (groepen van) opleidingen? Of kwamen dezelfde problemen steeds weer terug?

Op grond van wat we hoorden tijdens deze gesprekken, trokken we als CvB voorzichtige eerste conclusies. Om daarmee ook weer het gesprek aan te gaan… hadden we het goed begrepen? Waren dit inderdaad de cruciale kwesties waar we in de komende jaren mee aan de slag moesten gaan? Waren dat ook de zaken waar docenten warm voor liepen? Zou het bedrijfsleven meewerken om hier oplossingen voor te bedenken? Voelden studenten zich geholpen als we deze zaken aan zouden gaan pakken?

Het is een simpel voorbeeld. Ik ben ervan overtuigd dat er zo veel meer te vinden zijn. En ze geven volgens mij de kern van ons werk aan: het gesprek op gang brengen, de juiste zaken ter discussie stellen, luisteren en aan de slag met de reacties en antwoorden. Maar ook: zorgen dat de vensters van de school open blijven staan, zodat we alles doen met het oog op hetgeen zich in de buitenwereld afspeelt.
En om dat te doen moeten we dat gesprek niet alleen in de school voeren, maar juist ook daarbuiten. Ouders, bedrijven, overheden, andere spelers in de omgeving voeden ons om onderwijs mee vorm te geven, om medewerkers te inspireren maar ook te confronteren, om met elkaar te bouwen aan (nog) beter onderwijs dat klaar is voor de toekomst.Bestuurder laat je horen

Kritische houding is welkom, maar wel onderbouwd

In een bijdrage aan Socialisme & Democratie, nummer 4 van 2015, reageert Sjoerd Karsten op de bijdrage die Jan van Zijl leverde aan het voorafgaande nummer (inderdaad, nummer 3 van 2015).

Van Zijl ging in zijn bijdrage in op de huidige positie van het MBO. Hij pleitte onder andere voor een onderscheid tussen de huidige niveaus 1 en 2 en de niveaus 3 en 4. De laatste twee zouden het “echte” MBO zijn. De niveaus 1 en 2 bieden slechts ten dele beroepsonderwijs en het niveau valt, nog steeds volgens van Zijl, niet als “middelbaar” te kwalificeren.

Een tweede voorstel betreft het samenvoegen van VMBO-t en HAVO. Feitelijk een beperkte vorm van een middenschool, waarmee voor een forse groep jongeren de definitieve keuze voor een leerroute uitgesteld wordt. Zij kunnen op latere leeftijd kiezen voor de route havo à hbo, of instroom in het mbo.

Natuurlijk kun je kanttekeningen maken bij de keuzes van van Zijl. Zo vraag ik me nog steeds af of het uitstel van keuzes voor een beperkte groep een zinvol compromis is. Waarom geen krachtig pleidooi voor uitstel voor allen?

Ook de vraag naar het belang van het scherpere onderscheid tussen de verschillende niveaus, gekoppeld aan nieuwe benaming, mag zeker gesteld worden. Daar hoort overigens ook bij dat pleidooien voor andere benamingen al langer en door meerdere opinieleiders gehouden worden.

Met veel belangstelling begon ik dan ook aan het artikel dat Sjoerd Karsten schreef in reactie op het stuk van Jan van Zijl. Wij kennen elkaar, wij delen met elkaar dat we het MBO van groot belang vinden en we delen met elkaar een oog voor de jongeren voor wie een succesvolle schoolloopbaan geen vanzelfsprekendheid is.

De titel zorgt in elk geval voor de nodige spanning: “Sectororganisaties vegen vooral hun eigen straatje schoon”. Het betoog van Karsten betreft niet alleen de MBO-raad. Ook de Vereniging Hogescholen en de VO-raad krijgen een veeg uit de pan.

In mijn reactie kijk ik vooral naar het artikel vanuit het MBO-perspectief. Dat is immers de sector waar ik werk. Het is ook de sector waar de PvdA zich met name sterk voor moet maken. De kernwaarden van de partij, verheffing, binding, goed werk en bestaanszekerheid komen in het werken en leren binnen deze sector sterk naar voren.

Karsten adresseert een aantal zaken die wat mij betreft terecht geagendeerd worden. Het zou de PvdA sieren als zij deze punten ook in de eigen discussie en profilering nader in zou kleuren. Ik citeer (ongeveer):

  • “dat vooral jongeren uit kansrijke milieus profiteren van meer individuele keuzeruimte”
  • het zou misschien geen gek idee zijn om “een landelijke ombudsman in het leven te roepen. Die zou zorg kunnen dragen voor het belang van kansarme leerlingen en de deugdelijkheid van hun onderwijs.”
  • “… het is wel de hoogste tijd om een discussie te voeren over de besturing van het onderwijs.”

Stuk voor stuk relevante opmerkingen die verdere verkenning verdienen. Tegelijk hoop ik dat de eerste bewering niet leidt tot het verminderen van individuele keuzeruimte. Laten we vooral kijken op welke manier we ook de minder kansrijke jongeren zo ver kunnen krijgen dat zij kunnen profiteren van die ruimte.

En laten we de discussie over de besturing van het onderwijs voeren zonder een veroordeling van het huidige besturingsmodel en de bestuurders die daarin actief zijn als uitgangspunt te nemen.

Daarmee kom ik op mijn kritiek op het stuk. Karsten doet een aantal beweringen, volgens mij zonder deugdelijke onderbouwing, waarmee hij bestuurders en de sectororganisatie wat al te makkelijk in het beklaagdenbankje zet. Ook hier weer enkele citaten:

  • “professionele besturen letten veel meer op hun marktaandeel onder hoger opgeleide ouders”
  • “Het idee om iets te betekenen voor alle leerlingen dreigt (…) steeds meer in de verdrukking te raken. (…) … dat zij het liefst de ‘beste’ leerlingen willen binnenhalen en de verantwoordelijkheid voor de ‘zwakke’ leerlingen weg schuiven.”
  • “Zo probeert men met ‘matching’ en bindende studieadviezen de traditionele instroom nog eens door een selectiemolen te halen.”
  • “…dat het onderwijsbestuur vervalt in particularisme (eigen belang eerst).”

Waar komt het vandaan? Hoe kan het dat iemand met de wetenschappelijke achtergrond van Karsten deze beweringen zo makkelijk maakt, zonder stevige onderbouwing?

En waarom werkt hij niet verder aan datgene wat hij (en van Zijl) en ik met elkaar zullen delen:

  • toegankelijkheid voor allen tot deugdelijk beroepsonderwijs
  • investeren in de kwaliteit van degenen die jongeren in dat beroepsonderwijs opleiden
  • wegwerken van de barrières die tussen de verschillende schooltypen en –sectoren bestaan, zodat door- en opstroom aan alle kanten gefaciliteerd worden

Laten we dat gesprek met elkaar aangaan, op basis van gedeelde ambities en niet op basis van (voor)oordelen.

Zomerslaap

graag verwijs ik tijdens de vakantie naar een blog over de vakantie Zomerslaap.

Het staat er goed!

 


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën