Archive Page 4

Kritische houding is welkom, maar wel onderbouwd

In een bijdrage aan Socialisme & Democratie, nummer 4 van 2015, reageert Sjoerd Karsten op de bijdrage die Jan van Zijl leverde aan het voorafgaande nummer (inderdaad, nummer 3 van 2015).

Van Zijl ging in zijn bijdrage in op de huidige positie van het MBO. Hij pleitte onder andere voor een onderscheid tussen de huidige niveaus 1 en 2 en de niveaus 3 en 4. De laatste twee zouden het “echte” MBO zijn. De niveaus 1 en 2 bieden slechts ten dele beroepsonderwijs en het niveau valt, nog steeds volgens van Zijl, niet als “middelbaar” te kwalificeren.

Een tweede voorstel betreft het samenvoegen van VMBO-t en HAVO. Feitelijk een beperkte vorm van een middenschool, waarmee voor een forse groep jongeren de definitieve keuze voor een leerroute uitgesteld wordt. Zij kunnen op latere leeftijd kiezen voor de route havo à hbo, of instroom in het mbo.

Natuurlijk kun je kanttekeningen maken bij de keuzes van van Zijl. Zo vraag ik me nog steeds af of het uitstel van keuzes voor een beperkte groep een zinvol compromis is. Waarom geen krachtig pleidooi voor uitstel voor allen?

Ook de vraag naar het belang van het scherpere onderscheid tussen de verschillende niveaus, gekoppeld aan nieuwe benaming, mag zeker gesteld worden. Daar hoort overigens ook bij dat pleidooien voor andere benamingen al langer en door meerdere opinieleiders gehouden worden.

Met veel belangstelling begon ik dan ook aan het artikel dat Sjoerd Karsten schreef in reactie op het stuk van Jan van Zijl. Wij kennen elkaar, wij delen met elkaar dat we het MBO van groot belang vinden en we delen met elkaar een oog voor de jongeren voor wie een succesvolle schoolloopbaan geen vanzelfsprekendheid is.

De titel zorgt in elk geval voor de nodige spanning: “Sectororganisaties vegen vooral hun eigen straatje schoon”. Het betoog van Karsten betreft niet alleen de MBO-raad. Ook de Vereniging Hogescholen en de VO-raad krijgen een veeg uit de pan.

In mijn reactie kijk ik vooral naar het artikel vanuit het MBO-perspectief. Dat is immers de sector waar ik werk. Het is ook de sector waar de PvdA zich met name sterk voor moet maken. De kernwaarden van de partij, verheffing, binding, goed werk en bestaanszekerheid komen in het werken en leren binnen deze sector sterk naar voren.

Karsten adresseert een aantal zaken die wat mij betreft terecht geagendeerd worden. Het zou de PvdA sieren als zij deze punten ook in de eigen discussie en profilering nader in zou kleuren. Ik citeer (ongeveer):

  • “dat vooral jongeren uit kansrijke milieus profiteren van meer individuele keuzeruimte”
  • het zou misschien geen gek idee zijn om “een landelijke ombudsman in het leven te roepen. Die zou zorg kunnen dragen voor het belang van kansarme leerlingen en de deugdelijkheid van hun onderwijs.”
  • “… het is wel de hoogste tijd om een discussie te voeren over de besturing van het onderwijs.”

Stuk voor stuk relevante opmerkingen die verdere verkenning verdienen. Tegelijk hoop ik dat de eerste bewering niet leidt tot het verminderen van individuele keuzeruimte. Laten we vooral kijken op welke manier we ook de minder kansrijke jongeren zo ver kunnen krijgen dat zij kunnen profiteren van die ruimte.

En laten we de discussie over de besturing van het onderwijs voeren zonder een veroordeling van het huidige besturingsmodel en de bestuurders die daarin actief zijn als uitgangspunt te nemen.

Daarmee kom ik op mijn kritiek op het stuk. Karsten doet een aantal beweringen, volgens mij zonder deugdelijke onderbouwing, waarmee hij bestuurders en de sectororganisatie wat al te makkelijk in het beklaagdenbankje zet. Ook hier weer enkele citaten:

  • “professionele besturen letten veel meer op hun marktaandeel onder hoger opgeleide ouders”
  • “Het idee om iets te betekenen voor alle leerlingen dreigt (…) steeds meer in de verdrukking te raken. (…) … dat zij het liefst de ‘beste’ leerlingen willen binnenhalen en de verantwoordelijkheid voor de ‘zwakke’ leerlingen weg schuiven.”
  • “Zo probeert men met ‘matching’ en bindende studieadviezen de traditionele instroom nog eens door een selectiemolen te halen.”
  • “…dat het onderwijsbestuur vervalt in particularisme (eigen belang eerst).”

Waar komt het vandaan? Hoe kan het dat iemand met de wetenschappelijke achtergrond van Karsten deze beweringen zo makkelijk maakt, zonder stevige onderbouwing?

En waarom werkt hij niet verder aan datgene wat hij (en van Zijl) en ik met elkaar zullen delen:

  • toegankelijkheid voor allen tot deugdelijk beroepsonderwijs
  • investeren in de kwaliteit van degenen die jongeren in dat beroepsonderwijs opleiden
  • wegwerken van de barrières die tussen de verschillende schooltypen en –sectoren bestaan, zodat door- en opstroom aan alle kanten gefaciliteerd worden

Laten we dat gesprek met elkaar aangaan, op basis van gedeelde ambities en niet op basis van (voor)oordelen.

Zomerslaap

graag verwijs ik tijdens de vakantie naar een blog over de vakantie Zomerslaap.

Het staat er goed!

 

Kwaliteit van onderwijs

Kwaliteit van onderwijs

ik kwam zelf al even niet toe aan bloggen. Maar deze is ook zeer de moeite waard….

Goed onderwijs ‘must’ voor jeugd

In het verkiezingsmagazine van de Friese PvdA verscheen deze week onderstaande column. Volgens mij een boodschap voor alle politieke partijen…

Voor sociaaldemocraten is onderwijs van oudsher een belangrijk instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en werken. Ook al vallen resultaten wat dat betreft soms tegen, de ambitie moeten we niet loslaten. Het blijft, misschien wel meer dan ooit, nodig om vanuit die ambitie te kijken naar onderwijs en onderwijsverbetering. Goed onderwijs is een ‘must’.

Als bestuurder in het MBO én als lid van de PvdA voel ik me geroepen om een steentje bij te dragen aan deze doelen. Het beroepsonderwijs kán daarbij een belangrijke rol spelen. Sinds een aantal jaren kijkt ook de provincie Fryslân over de grenzen van het hoger onderwijs heen. In het huidige collegeprogramma is het MBO expliciet genoemd als belangrijk onderdeel van een goed werkend “opleidingsgebouw”. Terecht, 60% van onze jongeren volgt immers MBO-onderwijs.

In de afgelopen periode heeft de provincie dat ook waargemaakt door aan het onderwijs én een flink aantal bedrijven wat extra (financiële) ruimte te bieden om samen te werken aan nieuwe, moderne vormen van beroepsonderwijs waarin jongeren veel praktijkervaring opdoen vanaf het begin van hun beroepsopleiding. Op die manier worden zij uitgedaagd om het beste van zichzelf te ontdekken en te laten zien. Ze ontdekken hoe bedrijven en de wereld van werk in elkaar zitten. Ze ontdekken de grote verschillen en ze ontdekken in welke omgeving zij zelf het beste tot hun recht komen. Als studenten veel tijd doorbrengen in de echte wereld van werk, ontstaat er voor docenten ook ruimte om (meer, vaker) naar die wereld te gaan. Daar vinden zij hun studenten, dus daar kunnen ze het beste begeleiden en onderwijzen.

De wereld van werk verandert tegenwoordig sneller dan we gewend waren. Als je dat in traditioneel onderwijs terug wilt laten komen, lopen scholen altijd achter de feiten aan. En dan blijven bedrijven natuurlijk klagen over het gebrek aan aansluiting.

De enige oplossing is dan de handen ineen slaan, werken en leren zo dicht mogelijk op elkaar organiseren en over en weer elkaars kwaliteiten herkennen, waarderen en gebruiken.

Daarvoor moeten we het hebben van mensen in scholen en bedrijven die dat met elkaar aangaan. Onlangs pleitte ik voor een netwerk aan broedplaatsen waarin mensen dit met elkaar opzetten en uitvoeren. Laat overheden vooral doorgaan om dergelijke broedplaatsen te faciliteren en daarnaast zelf ook daadwerkelijk meedoen.

Ook naar het goede kritisch blijven kijken …

Het bestaan van twee verschillende leerwegen in het MBO wordt door velen als een groot goed beschouwd. Dat de ene student kan kiezen voor voltijds onderwijs en de ander voor een baan van vier dagen in combinatie met een wekelijkse schooldag, lijkt goed aan te sluiten bij het feit dat jongeren, opleidingen, sectoren, beroepen, et cetera verschillen van elkaar. Dat rechtvaardigt verschillende vormen van leren. Dat die verschillende vormen van leren leiden tot hetzelfde diploma benadrukt het feit dat ze als gelijkwaardig beschouwd kunnen en moeten worden.

Tot zover weinig reden om een blog te schrijven … Maar die is er wel. Onder invloed van de economische crisis hebben we gezien dat de verhoudingen tussen deze twee leerwegen fors veranderd zijn. De deelname aan BBL-opleidingen (combinatie van werken en leren) is fors teruggelopen omdat jongeren niet in staat zijn om het daarvoor benodigde arbeidscontract te pakken te krijgen. Dat leidde (uiteraard) tot een toename van de deelname aan voltijds BOL-opleidingen. “Mooi toch, die communicerende vaten”, hoor ik u denken. Op het eerste gezicht wel, maar dan maken we ons er te gemakkelijk vanaf.

Zo kun je je afvragen in hoeverre twee modellen voldoende zijn om antwoord te geven op de grote diversiteit in de doelgroep. Het lijkt of er “slechts” sprake is van een groep “denkers” in de BOL en een groep “doeners” in de BBL.

Hieraan gekoppeld wordt van BOL-opleidingen geëist dat ze voldoende onderwijstijd bieden in een schoolse setting. Dat past wellicht bij de grondslag voor bekostiging, maar is het ook in belang van die jongere die zich optimaal wil voorbereiden op een beroep?

In de afgelopen jaren zagen we met regelmaat dat jongeren in een BBL-opleiding problemen kregen omdat hun arbeidscontract om diverse redenen werd beëindigd voordat zij een diploma konden halen. Kunnen we van werkgevers in de huidige tijd vol snelle veranderingen verwachten dat zij verplichtingen aangaan voor een periode van twee tot drie jaar? Zo ver vooruitkijken is in de meeste bedrijven (helaas?) een onmogelijke opgave (geworden?).

Als alternatief wordt momenteel nagedacht over een zogenaamde gecombineerde leerweg. Daarbij doe je eerst een periode BOL en daarna sluit je de opleiding af in een BBL-constructie.

Eigenlijk vraag je daarmee om de voorspelbaarheid van de toekomst nog verder te vergroten. Een werkgever zegt nu al toe om over een of twee jaar een jongere in dienst te nemen gedurende een bepaalde periode. Is dat haalbaar?

En is het wenselijk? Betekent dit niet dat de leerweg van een jongeren te veel afhangt van de economische conjunctuur in plaats van haar/zijn leerstijl en ambities? Valt dat wel te plannen? Of gaat het er juist om dat een jongeren de kans krijgt om gedurende de opleiding niet alleen het beoogde beroep, maar ook zichzelf te leren kennen. En dan keuzes te maken die daarop gebaseerd zijn?

Dat vraagt veel meer flexibiliteit als we praten over de inrichting van dat leertraject. Dat vraagt inspelen op de ontwikkelingen van de jongere in kwestie én ontwikkelingen in de omgeving, met name de arbeidsmarkt.

Nogmaals, is de huidige scheiding tussen BOL en BBL in dit licht wel wenselijk? Is de BBL niet teveel een werkweg geworden in plaats van een leerweg? Past de keuze voor werk op je zestiende verjaardag wel bij de ambitie en noodzaak om te komen tot een hoger geschoolde beroepsbevolking?

Ik zou hier willen pleiten voor een andere aanpak. Een aanpak die werkelijk zorgt voor de diversiteit in leerwegen die past bij de diversiteit in de doelgroep en in de omgeving. Dat betekent dat theorie en praktijk beiden voldoende ruimte krijgen in de leerweg. De verhouding tussen beiden kan variëren, afhankelijk van de lerende en haar/zijn leerstijl. Maar ook afhankelijk van wat de omgeving vraagt, van wat de mogelijkheden zijn in de sector om praktijkervaring op te doen.

Deze aanpak betekent ook dat er flexibiliteit ontstaat om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen. Dat een leertraject niet stokt vanwege het faillissement van een werkgever. Dat scholen in overleg kunnen met werkgevers in de regio over een adequate invulling van het programma. Dat beiden, scholen én werkgevers, een actieve bijdrage kunnen leveren aan ontwikkeling en uitvoering van dat programma.

De meeste studenten in het MBO zijn afkomstig van een VMBO. Die afkorting betekent dat zij voorbereid zijn op verder onderwijs. Laat hen dat dan ook volgen en scheep hen niet af met een baan en een dagje les als noodzakelijk kwaad…. voor zolang het duurt.

Modern beroepsonderwijs … het komt eraan!

Geen echt blog dit keer. Maar als je wilt weten hoe het kan … kijk dan eens naar deze animatie: https://m.youtube.com/watch?v=3GG3DptUKNg

Doelmatig beroepsonderwijs, makkelijk gezegd maar geen eenvoudige zaak

Morgen bespreekt de vaste Kamercommissie het wetsvoorstel “macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs”. Zie voor de onderliggende stukken http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2014A04749

Ik reageer hieronder (beetje fragmentarisch) op een aantal elementen van het voorstel:

Vooraf wil ik opmerken niet overtuigd te zijn van het feit dat we hier echt met een probleem te maken hebben. Is het feitelijk een probleem of is het de vertaling van een beleving die feitelijk stoelt op het oude beeld dat onderwijs en bedrijfsleven onvoldoende op elkaar aansluiten.

We moeten niet denken dat er sprake is (kan zijn) van een eenvoudige relatie tussen opleiding en werk. Ook het geven van voorlichting omtrent stage en werk is op zich prima, maar de situatie verandert sneller dan je denkt. Dus wat informatie voor aanvang van de studie zegt over het moment waarop iemand een diploma haalt, valt te bezien.
Daar komt nog bij dat werkgevers soms andere bronnen aanboren als het gaat om de zoektocht naar nieuwe werknemers (denk aan arbeidsmigranten uit oost-Europa, mensen die in andere sectoren werkloos raken, etc.) Daar is wellicht niets op tegen maar het beïnvloedt de kansen van afgestudeerden zonder dat dat te voorzien valt en zonder dat scholen daarvoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden.

Zowel de aansluiting met cq kansen op werk als het doelmatig inrichten van scholen zijn gebaat bij een forse vermindering van het aantal kwalificaties. De huidige operatie is daarin een stapje, maar niet meer dan dat. Waarom net, mede kijkend naar het buitenland, een echte vermindering. Naar 100-150 bijvoorbeeld?

Veel scholen hebben oplossingen voor de kleine deelnemersaantallen per opleiding. Er worden lessen gecombineerd en zo. Dat werkt prima en bij een al te getalsmatige benadering kan dat over het hoofd gezien worden.

Het aanpassen van de bekostiging in kader van doelmatigheid ligt genuanceerd. Zo lijkt het prima om de diplomabekostiging aan te passen, maar het is een illusie dat je door een betere intake tot veel betere plaatsing kunt komen. Waarom niet gewoon een eenvoudige doorstroomregeling, gebaseerd op het vmbo-diploma?
Een slechte zaak vind ik de cascade mbt verblijfsduur. Dat staat ook op gespannen voet met een leven lang leren. Je moet studenten niet te laag plaatsen. Je moet ook geen perverse prikkel inbouwen waardoor ze lager geplaatst worden dan nodig tbv hogere bekostiging van de studieduur. Maar je moet ook geen financiële drempel opwerpen voor scholen om degenen die het via een langere weg op een hoger niveau redden daarbij te hinderen.

Het invoeren van keuzedelen kan een goede stap zijn op weg naar een flexibel onderwijsaanbod. Van groot belang is dat regionale initiatieven daarbij alle kans krijgen en dat goedkeuring snel gebeurt op basis van een dusdanig beoordelingskader dat de uitslag voorspelbaar is voor de indieners.

Diploma’s, niet de sleutel maar het slot

In het laatste nummer van Socialisme & Democratie pleit Marijke Linthorst voor een forse investering in het beroepsonderwijs. Ze heeft het daarbij overigens met name over het vmbo. Die gewenste investering bestaat uit twee elementen:
• Moderne inrichting van en apparatuur in de gebouwen
• Extra ruimte voor ondersteuning van leerlingen, naast de cognitieve begeleiding die scholen al bieden
Het zijn pleidooien waar weinig tegen in te brengen is. Het vmbo is al te lang en te vaak de vergeten restpost in ons onderwijs. En daarmee bevestig je de beleving dat een gang naar het vmbo geen keuze maar een noodzaak is. “Je gaat niet naar het vmbo omdat je iets goed kunt, maar omdat je ‘niet goed genoeg’ bent voor havo of vwo”, aldus Linthorst. Herkenbaar voor iedereen die bij het onderwijs betrokken is.
Waarom dan deze reactie? Het is onwaarschijnlijk dat dat slechts gaat om het ondersteunen van het pleidooi dat hier gehouden wordt. Dat klopt. Hoe goed bedoeld ook, het artikel van Linthorst slaat qua analyse op een aantal punten de plank mis. En dat leidt tot oplossingen die mijns inziens onvoldoende ingaan op de fundamentele problematiek waar ons onderwijs mee worstelt. Dus daar probeer ik hier een steentje aan bij te dragen.

Waar gaat het mis bij Marijke? Op enkele punten doet zij uitspraken die leiden tot een verkeerd beeld van de huidige situatie. Daarmee voorkomen zij echte oplossingen.
1. In het artikel worden theoretisch onderwijs en een hoger niveau op een hoop gegooid. Zo wordt er makkelijk gesproken over “zo hoog mogelijk theoretisch onderwijs”. De tweedeling tussen theoretisch en praktisch onderwijs staat daarmee gelijk aan een indeling in twee niveaus.
2. Het mbo krijgt het adjectief “theoretisch”. Dat wordt nergens onderbouwd en mag volgens mij niet waar zijn.
3. Over de middenschool wordt gezegd dat “alle leerlingen tot hun vijftiende hetzelfde onderwijs zouden krijgen”. Dat is volgens mij nooit de bedoeling geweest.
4. Op meerdere plaatsen wordt gewezen op overschatting van leerlingen als het gaat om hun zelfstandigheid. Zij zouden “regisseur moeten zijn van (zijn) eigen leerproces”. En even later: “er wordt van leerlingen een veel grotere zelfstandigheid verwacht dan zij feitelijk aankunnen”. Alhoewel dit in de praktijk allebei het geval kan zijn, is dit niet wat we met ontwikkelingen in het onderwijs (moeten) beogen. Het gaat er om dat leerlingen zich wel in deze richting ontwikkelen, maar dat doen we niet door ze zonder meer in het diepe te gooien. De rol van leerkrachten is daarbij cruciaal en meer dan “deze moet geen kennis meer overdragen, maar zich opstellen als coach, …”.

Wat is er dan wél aan de hand?
Hierboven blijkt al wel dat er veel fundamentelere problemen spelen dan de materiële voorzieningen in het vmbo en de omvang van de ondersteuning. Ons onderwijs is van een behoorlijk niveau, maar niet in staat om antwoorden te formuleren die passen bij de huidige omgeving. Daarvoor zijn een paar oorzaken aan te wijzen:
• Het selectieve karakter van ons onderwijs, gestuurd door de overgangsmomenten tussen schoolsectoren waarop steeds weer stevige keuzes gemaakt moeten worden.
• Het systeem van toetsen en diplomeren wat steeds leidt tot keuzes voor datgene waar iemand het minst goed in is. De onderkant van iemands potentieel is bepalend voor de keuzemogelijkheden. De bovenkant en het groeipotentieel zijn niet van doorslaggevend belang.
• Verschillende leerstijlen worden zeer verschillend gewaardeerd en te makkelijk vertaald in verschillende niveaus van leren. Een praktische leerstijl krijgt daarbij al snel het etiket van een lager niveau dan een meer theoretische leerstijl. Hieraan gekoppeld is de overwaardering van theoretische, cognitieve vaardigheden terwijl we weten dat praktische en niet-cognitieve vaardigheden minstens zo belangrijk zijn voor een succesvolle (levens)loopbaan.

En wat moeten we dan doen?
Er moet en kan natuurlijk een hoop gebeuren om zaken te veranderen en verbeteren. De vraag is of we een ingreep kunnen bedenken die een échte verandering teweeg kan brengen, een omslag in ons hele systeem van leren en opleiden.
In mijn zoektocht naar zo’n ingreep kwam ik op het volgende:
LATEN WE DE DIPLOMA’S AFSCHAFFEN

Diploma’s zijn de symbolen van de gescheiden scholen in het vo. Zij verbeelden het onderscheid tussen sectoren van mbo, hbo en wo. Maar bovenal: zij zorgen dat we altijd bezig zijn met waar we niet zo goed in zijn. Het is immers belangrijker om van een 4 een 5 te maken dan van een 7 een 8 te maken.
Als we afscheid nemen van diploma’s kan iedereen zich op alle terreinen ontwikkelen tot het hoogst haalbare niveau. En kan daar ook op gewaardeerd worden! Die waardering kan blijken uit een portfolio, al dan niet (deels) gevuld met (erkende) certificaten per onderdeel/vak(gebied). Door- en opstromen kan gestuurd worden door heldere eisen t.a.v. niveaus voor verschillende relevante onderdelen. Er kan per vervolgopleiding gekeken worden naar die onderdelen die echt van belang zijn om succesvol te studeren (en later aan het werk te gaan).
De leerling die (op onderdelen) een hoger niveau aan kan, kan dat realiseren zonder van school te veranderen. In tegenstelling tot de invulling die Linthorst geeft aan de middenschool kunnen leerlingen dan wel langer op dezelfde school zitten, maar ze krijgen beslist niet hetzelfde onderwijs. Een losser systeem met iets van modulering en certificering biedt ruimte om maatwerkafspraken te maken met betrekking tot doorstroom naar hoger onderwijs en instroom op de arbeidsmarkt.
Voor jongeren betekent dit meer duidelijkheid omtrent de vraag wat nog van hen gevraagd wordt om bepaalde ambities te realiseren. Werkgevers kunnen op die manier duidelijk maken wat ze qua instapniveau van belang vinden voor nieuwe werknemers.
Maar ook een leven lang leren wordt hiermee een geïntegreerd onderdeel van het opleidingssysteem. Je weet immers wat op diverse plekken gevraagd wordt en dus ook wat jij nog moet doen om jezelf daarvoor te kwalificeren.
Een laatste voordeel hierbij …. We weten allemaal dat de omgeving tegenwoordig sneller verandert dan we gewend zijn. Dat betekent ook iets voor opleidingen. Een gedifferentieerd systeem van losse, maar wel samenhangende, onderdelen kan veel sneller reageren op die veranderingen. Daarmee kunnen we afscheid nemen van het logge systeem van vastgeroeste opleidingen en daarbijbehorende eisen.

Pleidooi voor bedrijfsscholen: eens met het probleem, maar niet met de oplossing

In het Financieel Dagblad van 31 oktober pleit Anne Wil Lucas, namens de VVD woordvoerder beroepsonderwijs in de Tweede Kamer, voor overheidsfinanciering van bedrijfsopleidingen.Zoals altijd lukt het iemand in de week voor de behandeling van de onderwijsbegroting om een podium te vinden voor een bijzonder idee.
Meestal ebt die aandacht na de behandeling snel weg, dus wat dat betreft kunnen we gewoon doorgaan met ons werk. Maar daarvoor is het idee van Lucas, waar ik het grotendeels mee oneens ben, te interessant. Bovendien heeft zij in een aantal observaties gelijk als ze bepaalde problematiek aan de orde stelt.

De kern van haar betoog:
– het MBO kan niet snel genoeg reageren op ontwikkelingen in de arbeidsmarkt
– als bedrijven investeren in opleidingen mogen ze daarvoor ook beloond worden

Op deze twee punten ben ik het grotendeels eens.
Aangezien de noodzaak, volgens Lucas, voor een andere aanpak begint met de traagheid van het onderwijs, sta ik daar even bij stil. Want heeft Lucas zich weleens afgevraagd hoe die ontstaan is? Weet Lucas wat scholen door moeten maken als ze wel snel willen reageren? De aanpassing van een onderwijsprogramma vraagt niet alleen tijd omdat scholen traag zijn. Het vraagt vooral tijd omdat het allemaal binnen strak dichtgeregelde kaders van kwalificatiedossiers, inspectiekaders, onderwijstijd, etc moet gebeuren.
Het lijkt er sinds enige tijd op dat het ministerie bereid is om wat te doen aan die strakke kaders. Dat zou het voor scholen beter mogelijk moeten maken om wel snel te reageren. En dat beschouw ik voor mezelf, als bestuurder van zo’n traag ROC, dan ook direct als een opdracht.
Daarvoor pleitte ik al eerder, ook in dit blog. Zie onder andere Beroepsonderwijs is van de regio (mei 2012) en de reeks Samenwerken is meer … (juli/augustus 2012)
Het voorstel van Lucas leidt tot een beweging van het onderwijs richting vrije markt. In plaats van samenwerken gaan scholen en bedrijven met elkaar concurreren om de leerling/student. Dat past bij haar overtuiging als liberaal dat de vrije markt zoveel mogelijk de ruimte moet krijgen.
Maar het past bij mijn overtuiging dat een aantal zaken in het publieke domein hoort. Onderwijs, tenminste tot het niveau van een adequate kwalificatie voor de arbeidsmarkt, is er daar een van. Dat hoort in scholen thuis. En scholen voor beroepsonderwijs zijn geen knip voor de neus waard als ze bedrijven niet betrekken bij die opdracht. En die bedrijven zijn volgens mij mans genoeg om te zorgen dat ze voldoende beloond worden voor hun inspanningen. De belangrijkste beloning is misschien wel de goed opgeleide, gemotiveerde werknemer die ze binnenkrijgen. Maar als er ook iets in de financiële sfeer moet gebeuren … dan durf ik dat wel aan de markt tussen scholen en bedrijven over te laten.

Wie het weet mag het zeggen, maar stel ook eens een vraag

Zojuist schreef ik een reactie op een weblog van Karin Winters Karinblogt Zij reageert op een post van René Kneyber Driekwart van de onderwijshelden is geen leraar
De vraag wie zich nou wel en niet met het onderwijs mag bemoeien houdt de gemoederen al langer bezig. Daarom doe ik maar een duit in het zakje en post hier ook mijn reactie op Karin:

Even diep zuchten. Dat moet ik na het lezen van het blog van Karin en de woorden van Rene waar zij op reageert. De reacties hier maken het er niet veel beter op. Waarom zuchten?
1. Waarom moeten we het hebben over de vraag wie “helden” zijn?
2. Waarom moeten we ons afvragen wie het gelijk aan zijn zijde heeft?
3. Waarom komen we niet verder dan het poneren van standpunten?
Het boek van de “onderwijshelden” heb ik (nog) niet (kunnen) lezen. Ik heb de namen gelezen. Een aantal ken ik, een aantal niet. Rene zal gelijk hebben in zijn uitspraak dat slechts een kwart van hen daadwerkelijk voor de klas staat.
En ik begrijp zijn drijfveer om juist die mensen meer de (verbale) arena te laten betreden om mee te praten en beslissen over veranderingen in het onderwijs. Zeker in het verleden gebeurde dat te weinig en dat heeft veel ellende en verlies van vertrouwen tot gevolg gehad.
Maar om dan gelijk iedereen die niet tot deze beroepsgroep hoort te diskwalificeren, inclusief de gedachten die zij naar voren brengen, gaat natuurlijk te ver.
Integendeel! Het onderwijs zal alleen veranderen als docenten (en anderen die in scholen werkzaam zijn) het gesprek aaangaan met de wereld om de school heen. En in die wereld komen zij onder andere mensen tegen zoals de auteurs van “onderwijshelden”. Dat gesprek mag en kun je niet uit de weg gaan.
Het nadeel van een boek met individuele opvattingen (ik denk dat we daar over spreken hier) is dat er wel standpunten verkondigd worden, maar dat dat niet snel tot een echt gesprek leidt. Dat is jammer. Standpunten leiden al snel tot discussies, goed/fout denken, voor- en tegenstanders. Zelden leidt het tot nieuwe, gedeelde inzichten die het onderwijs echt vooruit helpen.
Daarvoor moeten we het niet hebben van boeken en blogs, maar van heel iets anders: van ontmoeten, vragen stellen, verdiepen in elkaar. Kortom: van een goed gesprek!


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën