Posts Tagged 'actieplan MBO'

Hoe sneller, hoe beter?

Ik maak me zorgen over een grote groep jongeren. Ik denk zelfs over de grote meerderheid van al onze jongeren. De belangrjkste reden daarvoor? Het onderwijsbeleid sluit niet aan bij de natuurlijke ontwikkeling van de jeugd.

In deze tijd van financiële krapte lijkt het alsof de titel van deze blogpost ook het motto van het ministerie is. We hebben hoge ambities als het gaat om het opleidingsniveau van de nederlandse jeugd, maar we hebben er niet heel veel geld voor over. Dus moet het allemaal zo snel (en dus goedkoop) mogelijk.

Ik geef een voorbeeld uit de sector waarin ik werkzaam ben, het MBO. Het onderwijs in het MBO is verdeeld in vier niveaus en in honderden opleidingen. Nou spelen er twee dingen:

  1. Jongeren worden geacht op hun 16e/17e uit die honderden opleidingen die ene te kiezen die bij hen past.
  2. Jongeren moeten direct instromen op het juiste niveau en op dat niveau het diploma te halen.
Waarom is dit onmogelijk en onwenselijk?
De meeste jongeren weten op die leeftijd nog niet zo nauwkeurig wat ze eigenlijk willen (worden). Voor degenenen die op een hoger niveau van het ondrwijssysteem actief zijn is dat probleem al iets minder. Zij kiezen later en vaak ook nog uit een wat bredere universitaire opleidingen, waarin de specialisatie pas later komt.
Binnen het MBO ontdekken jongeren vaak pas gedurende de rit wat ze nou eigenlijk gekozen hebben. En ook krijgen ze pas later scherp of hun keuze wel echt past bij hun ambitie, affiniteit en capaciteit.
En verder kennen we allemaal het verschijnsel van de “laatbloeiers”. Degenen die pas iets later “de geest krijgen” en daarmee de motivatie op kunnen brengen om er een schepje bovenop te gooien voor wat betreft de studie.
Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar in elk geval is duidelijk geworden dat de hersenen van jongeren zich zo ontwikkelen dat het vragen om een weldoordachte en toekomstbepalende keuze op zestienjarige leeftijd een onmogelijkheid is.
En waarom sta ik hier nu bij stil?
Het ministerie heeft aangekondigd dat er minder ruimte komt voor switchen (van opleiding) en stapelen (van niveau/diploma). Scholen krijgen in de toekomst minder bekostigd voor een deelnemer die, door een van deze oorzaken, langer over het MBO doet. Dat is overigens al lang geleden aangekondigd, maar langzaam maar zeker wordt nu duidelijk hoe dat uitpakt.
Daarmee zal het ministerie  de ruimte voor scholen om in te spelen op wat ik hierboven schets drastisch beperken.
Het ministerie lijkt de illusie te hebben dat een betere intake zal voorkomen dat jongeren ontdekken dat ze eigenlijk iets anders willen of dat ze eigenlijk best in staat zijn om dat hogere  niveau aan te kunnen.
Met de maatregelen die het ministerie hiervoor treft maakt men duidelijk jongeren en hun schoolloopbaan eigenlijk vooral als kostenpost te zien.
Wat mij betreft komt er weer ruimte voor beleid op basis van het uitgangspunt dat het hier gaat om investeringen in de toekomst.

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.

Met minder geld meer en beter onderwijs?

Het klinkt tegenstrijdig, maar toch lijkt de titel van dit blog de opdracht voor het MBO aardig weer te geven. Het actieplan MBO “Focus op vakmanschap” beschrijft maatregelen waarmee zowel kwaliteitsverbetering als besparingen gerealiseed zouden moeten worden. Is dit mogelijk?
We zullen manieren moeten vinden om beide zaken zo goed mogelijk voor elkaar te krijgen. In het blad Backstage werd een aantal mensen gevraagd om te reageren op deze paradox. Ik haal er enkele citaten uit die mij aan het denken zetten.
Aan het einde geef ik als conclusie de belangrijkste elementen weer als opdracht voor bestuurders.

Olaf McDaniel, directeur CBE Consultants
De leraren moeten beter en die leraren moeten een hogere productie leveren. Dat is nodig want het aantal productieve uren is erg laag.
Wil je naar de top-5 van de mondiale kenniseconomie, dan meoten de scholen 45 weken per jaar open zijn.
Ik zet in op de versterking van de professionaliteit van de docenten om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren en hun belastbaarheid omhoog te brengen.

Eric Zwaart, ABN AMRO, sector banker onderwijs
Als het aan het kabinet ligt zal de lengte van de opleidingen van het mbo van 4 naar 3 jaar gaan en kan een leerling niet zonder drempel van het vmbo naar het mbo. Dat zal leiden tot omzetvermindering, die niet kan worden opgevangen. Dat betekent opnieuw reorganiseren, Een slecht vooruitzicht, …
Minder deelnemers, minder geld. Het is dus belangrijk om rekening te houden met de regionale speerpunten en je als mbo te positioneren op je sterke punten. Gevolg van de krimp is dat het onderwijsnetwerk minder fijnmazig wordt. De juiste keuze in regioverband voor goed en goed bereikbaar onderwijs is van groot belang.

Frank Kalshoven, medeoprichter De Argumentenfabriek, initiator De Netwerkschool
De Netwerkschool denkt vanuit het belang van de student en niet dat van de organisatie of de docent.
Voor hem (=de student) kan de school 52 weken per jaar open zijn en kan die mbo-opleiding best in drie jaar worden gedaan. De heersende aanpak dateert in essentie nog uit de 19e eeuw.
Verder is de ICT-revolutie die het maatschappelijk leven heeft veranderd, grotendeels aan het onderwijs voorbij gegaan.
Docenten besteden volgens schattingen momenteel niet meer dan de helft van hun tijd aan het primaire proces. Als dat enige tientallen procenten omhoog kan, houdt het onderwijs bakken met geld over.

Ben Geerdink, voorzitter college van bestuur ROC RijnIJssel, lid raad van toezicht Kennisnet, voorzitter saMBO-ICT
De kracht om te veranderen komt neer op de rug van de docenten. Dat betekent een hogere werkdruk.
Met het slim inzetten van ICT is in het mbo nog veel te winnen.
(over co-financiering:) Een opleiding moet niet te afhankelijk zijn van de markt. Dat kan link zijn. Toch zal een mbo-school moeten beseffen wat de vraag is van het bedrijfsleven.

Lars Bovenberg, hoogleraar economie Universiteit van Tilburg
Ik zie veel in nieuwe financieringsvormen. Kijk naar de sponsoring van leerstoelen aan de universiteiten, Rijke mensen die een erfenis besteden aan onderwijs. De populariteit van het maatschappelijk ondernemen. Dat kan ook het mbo ten goede komen.

Concluderend, vat ik bovenstaande samen als opdracht aan bestuurders. Deze bestaat uit de volgende elementen:
– Zet in op verhoging van de productiviteit van docenten
– Zet in op professionalisering van docenten
– Zet in op meer en betere inzet van ICT in het onderwijs en de organisatie
– Kies voor een heldere positionering in de regio op basis van regionale speerpunten
– Onderzoek nieuwe financieringsmogelijkheden

Over beroepsonderwijs: modern, effectief en aantrekkelijk

Vandaag besprak ik bij de MBO-raad de stand van zaken met betrekking tot “Focus op vakmanschap”, het actieplan van de minister van Onderwijs dat moet zorgen voor de noodzakelijk geachte kwaliteitsverbetering van het middelbaar beroepsonderwijs. Elders op mijn weblog heb ik al een samenvatting van dit actieplan geplaatst. Nu ging het gesprek over het resultaat van de gesprekken tussen ministerie en de MBO-raad over de uitwerking en invoering van het actieplan.

Het resultaat zal later beoordeeld worden, maar nu al kun je constateren dat dat oordeel makkelijk twee kanten uit kan gaan. Zoals vaker na afloop van onderhandelingen is ook hier sprake van een glas dat halfvol of halfleeg is. Tja, dat kun je van een en hetzelfde glas zeggen en zegt meestal iets meer over de spreker dan over het glas. Los van het exacte resultaat zet het onderwerp in elk geval weer eens aan tot nadenken over de toekomst van het (middelbaar) beroepsonderwijs. Aan de hand van enkele maatregelen uit het actieplan, probeer ik wat beelden over die toekomst te schetsen.

Het actieplan is gebaseerd op een toekomst van het beroepsonderwijs waarin sprake is van een forse toename van kwaliteit. Dat is een ambitie waar je het volgens mij alleen maar heel erg mee eens kunt zijn. Los van je huidige oordeel over die kwaliteit, kun je moeilijk tegen een verhoging daarvan zijn.

Het belangrijkste en in mijn ogen meest bijzondere instrument om die kwaliteit te verhogen is de zogenaamde “intensivering”. Die intensivering krijgt vorm via een paar ingrepen:

  • opleidingen worden ingekort (van 4 naar 3 jaar)
  • de hoeveelheid onderwijstijd in het eerste jaar wordt uitgebreid (van 850 naar 1000 uur)
  • de hoeveelheid BPV (lees: stage) wordt verminderd ten gunste van begeleide onderwijstijd (lees: les)

In grote lijnen zijn dit niet perse slechte ingrepen. Gesprekken met docenten maken me de afgelopen tijd al duidelijk dat de verlenging van MBO-opleidingen van drie naar vier jaar vaak geleid heeft tot verdunning van de opleidingen. Ook van deelnemers hoor en lees ik te vaak dat ze zich vervelen tijdens de opleiding.

Uitbreiding van de onderwijstijd in het eerste jaar lijkt me enigszins symboolpolitiek. Veel ROC’s hebben al programma’s waarin jaarlijks aan deze voorwaarde voldaan wordt, dus het effect hiervan zal gering zijn.

Het grootste dilemma ervaar ik bij de verschuiving in de verdeling tussen BPV en begeleide onderwijstijd. Dat heeft een paar invalshoeken.

Zo is men in Den Haag blijkbaar ontevreden over het leerrendement van de BPV. Blijkbaar denkt men dat meer begeleide onderwijstijd een hoger rendement op zal leveren. Volgens mij zijn dit aannames die niet onderbouwd zijn. Zoals zo vaak zijn het hier ook weer indrukken en emoties op basis waarvan beleid gemaakt wordt, in plaats van onderzoek en analyse. Verder is het natuurlijk ook een makkelijke manier om iets dat je niet goed vindt, gewoon maar minder toe te staan.

Wat gaat nou maken of ik dat glas als half vol of half leeg zie? Ik ben er (ongeveer) uit! De vraag is voor mij of we de ruimte krijgen om die grotere hoeveelheid begeleide onderwijstijd in te vullen op een manier die past bij modern beroepsonderwijs:

  • modern, dus met gebruikmaking van alle moderne middelen die daarvoor beschikbaar zijn
  • beroepsonderwijs, dus wat mij betreft zoveel mogelijk in de context van het beroep

En daarmee kom ik ook uit bij mijn angst. Het lijkt er zo vaak op dat onderwijstijd alleen maar als goed gezien wordt wanneer die ingevuld wordt door een leraar voor het bord  met een krijtje in een klaslokaal met 25 jongeren. Als dat het gevolg is, betekent dat niet alleen een  half leeg glas. Het betekent ook dat we de verworvenheden van de afgelopen jaren verkwisten en dat het beroepsonderwijs teruggaat in de tijd. Dat past bij het sentiment dat het onderwijs momenteel omsingelt, maar het past niet bij een maatshappij die behoefte heeft aan modern en hoog opgeleide jongeren.

Iedereen blijft leren

In een eerder blog (https://frankvanh.wordpress.com/2011/08/28/hoe-houden-we-het-langer-vol/) schreef ik al kort over het belang van goed werkgeverschap om (ook in de toekomst) te kunnen beschikken over voldoende goed personeel. Ik schrijf vanuit de sector van het (beroeps)onderwijs, maar met het oog op vergrijzing van de bevolking denk ik dat deze stelling in grote lijnen breder geldt.

Met deze gedachten in mijn achterhoofd nam ik vandaag deel aan een bijeenkomst van de MBO-raad rondom werkgeverszaken. Een bjieenkomst waar een breed scala aan onderwerpen onder de noemer van deze paraplu viel. Op twitter schreef ik al het volgende: “Bij overleg werkgeverszaken van #mboraad veel aandacht voor kwaliteit van primair proces. Leiding en docenten hebben elkaar dus hard nodig.” Daarmee zijn die 140 karakters ongeveer vol, maar gelukkig kan ik er hier iets langer bij stil staan.

Gelukkig zie ik bij onze eigen school, maar ook bij collega’s, (weer) meer en meer focus op de kwaliteit van het primaire proces. Gelukkig zie je (weer) meer en meer dat we ons niet af laten leiden door allerlei randverschijnselen. Gelukkig zoeken we de oplossing van problemen (weer) steeds minder in allerlei zaken buiten het primaire proces.

Daarmee sluiten we aan bij uitkomsten van onderzoek: “het succes van het onderwijs hangt op de eerste plaats samen met de kwaliteit van de interactie tussen docent en leerling”, in verschillende bewoordingen is dat de boodschap die ik haal uit presentaties, white papers, handboeken en dergelijke.

Even tussendoor … zo logisch is het helemaal niet dat we beleid en acties baseren op onderzoeksresultaten. Hoe hard enige tijd geleden ook werd getamboereerd op het belang van “evidence based werken”, volgens mij is dat niet eens de schoolgebouwen binnengedrongen, laat staan de klaslokalen.

Dus: focus op verbetering van de kwaliteit van de interactie. Mooi uitgangspunt. Hopelijk laten we ons in de komende periode daar niet te makkelijk vanaf brengen. Alleen als we op dit onderwerp in beweging komen, kunnen we andere zaken voor elkaar krijgen. Zo denk ik dat MBO-opleidingen vaak wel ingekort kunnen worden, maar dat dat alleen verantwoord kan gebeuren als we verder werken aan de kwaliteit van hetgeen er gebeurt in de periode die wél overblijft.

Werken aan kwaliteitsverbetering is natuurlijk niet een impliciete erkenning dat de kwaliteit nu onder de maat is. Dat geldt immers ook niet voor al die chirurgen, psychologen, advocaten, accountants, etcetera die vanuit hun beroepsgroep de verplichting kennen om met regelmaat te werken aan de verhoging van hun eigen professionaliteit. Zo’n systeem van permanente educatie zou binnen het onderwijs een vanzelfsprekendheid moeten zijn.

Binnen zo’n systeem moeten volgens mij in elk geval de volgende zaken gewaarborgd te zijn:

  1. Een transparante aanpak om de kwaliteiten en tekortkomingen van deelnemende professionals in beeld te brengen.
  2. Een cultuur waarin feedback geven en ontvangen vanzelfsprekend en gewenst is.
  3. Een eenvoudig systeem waarin de professional kan registreren dat hij voldoet aan de beroepseisen.
  4. Een hoogstaand en divers aanbod van opleidingen en opleidingsvormen langs welke weg de professional kan zorgen dat zijn kwaliteit op orde komt en blijft
Hopelijk houden we oog voor al deze zaken om te voorkomen dat we over enige jaren moeten erkennen dat het (weer) niet gelukt is.

Gedachten tijdens de terugreis

Op terugweg na bezoek aan Tweede Kamer. Kamercommissie besprak daar actieplan MBO van minister van Onderwijs. Het plan heeft de titel “Focus op vakmanschap”. Ik gaf al in eerder blog een samenvatting en commentaar. Dat hoeft geen tweede keer. Maar wat ik meemaakte blijft wel rondspoken in mijn hoofd, dus daarover probeer ik wat op een rijtje te zetten.

In het algmeen is iedereen, ook de sector zelf, wel te porren voor de ambities die in het plan verwoord worden. In het kort gaat het dan om verhoging van de kwaliteit, verbetering van de organisatie en realiseren van meer doelmatigheid (beetje kort door de bocht, maar voor nu voldoende). Mij lijken dit ook goede en terechte ambities:
1. Teveel studenten op ROC’s zijn ontevreden en hebben daar reden toe. Het onderwijs moet spannender, veeleisender, duidelijker. Daar wordt al hard aan gewerkt, maar logisch dat dat nog eens benadrukt wordt.
2. Er gaat in onze organisaties nog te veel mis. Op Twitter lees ik hoe studenten zich vervelen, veel tijd kwijt zijn aan uitzoeken hoe het zit qua rooster en planning, geconfronteerd worden met lesuitval, etcetera.
3. De huidige inrichting van ROC-land betekent dat te veel overheidsgeld beter besteed had kunnen (en dus moeten) worden. Vrij kleine opleidingen worden soms op meerdere plaatsen in een stad aangeboden, nieuwe opleidingen worden soms te makkelijk gestart. Uiteindelijk komt het er hierbij op neer dat concurrentieoverwegingen nog te vaak een te grote rol spelen. Gelukkig nemen we langzamerhand afscheid van het idee dat concurrentie altijd een positief effect heeft op ons onderwijsaanbod.

Mijn commentaar op de voorstellen heb ik dus al gegeven. Hier gaat het me om de teneur van de reactie van de politieke partijen. Die zou ik als volgt samenvatten:
1. Iedereen onderschrijft belang van goed MBO.
2. Velen zien dat het de goede kant opgaat.
3. Sommigen vrezen dat het nooit goed komt.
4. Enkelen wijten dat simplistisch aan grote instellingen en slechte bestuurders

Het wantrouwen tegen bestuurders zit bij enkele partijen inmiddels behoorlijk in de genen. Het lijkt wel onmogelijk dat mensen deze rol nog op zich nemen om een bijdrage aan goed onderwijs voor onze jongeren te leveren. Terwijl ik ze bijna dagelijks spreek, de bevlogen mensen die het echt doen voor die jongeren. En je komt ze op alle lagen tegen: bestuur, management, docenten, overige medewerkers.

Gaat het nou helpen als we alles dicht proberen te regelen? Of alle macht weer centraliseren naar het ministerie? Volgens mij niet dus. Heldere afspraken, kristalheldere resultaten definieren, stevig verantwoorden, ingrijpen als het mis gaat, allemaal zaken die met de huidige wetgeving mogelijk zijn. Ga dan gebruiken wat er is in plaats van bedenken wat erbij zou kunnen! Alsof meer altijd beter is!

Als de sector van het MBO zich achter de ambities van het ministerie stelt, zou je toch ruimte moeten bieden om die ambities waar te maken? Als de sector dat dan graag wil doen in samenwerking met het bedrijfsleven, dan ga je toch juichend overeind komen? Als beroepsonderwijs en bedrijfsleven dat willen doen in afstemming met de regionale situatie op de arbeidsmarkt, dan wordt het applaus toch oorverdovend?
Nee hoor, de minister moet het doen. Een oekaze uit Den Haag werkt beter. Bestuurders denken enkel en alleen aan eigenbelang. Als je uitwassen blijft zien als representanten van de gewone gang van zaken, dan blijf je inderdaad zo denken. Maar mag ik van onze volksvertegenwoordigers niet iets meer nuance en diepgang verwachten?

Op wiens vakmanschap is focus gericht?

Aanstaande woensdag bespreekt de tweede kamer het Actieplan MBO met de titel “Focus op vakmanschap”. Ik heb zojuist een samenvatting, inclusief commentaar op mijn weblog gezet.

Het wordt een spannende week voor het MBO. Kort gezegd komt het er wat mij betreft op neer dat met het plan goede ambities omgezet worden in een uitvoeringsagenda die onhaalbaar, want onuitvoerbaar en onbetaalbaar is.

Daar komt bij dat het plan wat mij betreft een ander element blootlegt: het gebrek aan vertrouwen van de politiek in de scholen die uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de realisatie van goed onderwijs.

Het vakmanschap, waar dus volgens de titel de focus op moet liggen, van alle betrokkenen wordt feitelijk miskend. De ontwikkeling van vakmanschap wordt onmogelijk gemaakt.

Op de eerste plaats geldt dat voor onze deelnemers. Het vakmanschap dat werkgevers van hen verwachten wordt vervangen door een verhoging van taal- en rekenvaardigheid in algemene zin. Alle initiatieven om deze vaardigheden aan te leren gekoppeld aan het beroep waarvoor deelnemers opgeleid worden, worden om zeep geholpen. Ik zie het gebeuren dat ze straks “gewoon” meedoen aan het HAVO-examen. Wel zo handig en wel zo goedkoop.

Het vakmanschap van onze docenten wordt ontkend. Dus gaan we over tot verdere standaardisering. Nu de examens, straks krijgen we staatspedagogiek die ook de programma’s voorschrijft.

Veel van ons onderwijs krijgt nu vorm in de praktijk. Logisch, want daar gebeurt het. Dat is waarvoor onze deelnemers gemotiveerd zijn: werken in de echte praktijk. Ze leren het meeste van het aanpakken van datgene wat ze daar tegenkomen. Maar ze komen er straks steeds minder tegen, want ze worden teruggestuurd naar de schoolbankjes (die ze vaak met een zucht van opluchting achter zich gelaten dachten te hebben).

Ook het vakmanschap van de mensen die deelnemers in die praktijk tegenkomen en die hen begeleiden, wordt door deze plannen ontkend. Anders zou je het toch niet in je hoofd halen om ze daar weg te halen?

Tenslotte wordt het vakmanschap van management en bestuur van onze scholen ontkend. Dus schrijft het plan en detail voor hoe het een en ander gerealiseerd moet worden.

Ik ontken niet dat er veel beter kan en moet op onze scholen. Die verantwoordelijkheid neem ik mét collega’s in school, mét de rest van onze sector en mét de partners in onze omgeving graag op me. Maar laat het ons dan ook even uitzoeken!


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën