Posts Tagged 'beroepsonderwijs'



Ruim baan voor het ambacht, maar verwacht geen wonderen

Onlangs las ik de reactie van het kabinet op het SER-advies “Handmade in Holland, vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie”. Een belangrijk advies (en dus ook een belangrijke reactie) want het gaat over de visie op onze economie van nu en straks. Die visie spitst zich hier toe op de positie van het ambacht in die economie.
Wie de reactie leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het ambacht de reddingsboei is die onze kwakkelende economie voor de verdrinkingsdood moet behoeden. Die indruk ontstaat met name door het taalgebruik aan het begin van de reactie:
“… dat de ambachtseconomie een onmisbaar onderdeel is van de Nederlandse (kennis)economie en samenleving. De ambachten leveren een substantiële bijdrage aan de economische ontwikkeling van ons land en vormen een bron van creativiteit en innovatie.”
“De ambachtelijke sector zorgt voor werkgelegenheid, creativiteit en innovatie.”
Wat hier staat ga ik niet ter discussie stellen. Waar ik wel aandacht voor vraag is het relatieve belang van deze sector. Een paar vragen daarover:
– hoe groot is het percentage werkenden in de ambachtseconomie?
– hoeveel banen staan op de tocht in andere economische sectoren?
– hoeveel van die verdwijnende banen kunnen vervangen worden door banen in de (wellicht groeiende) ambachtseconomie?
– hoeveel mensen hebben die talenten die noodzakelijk zijn om in de ambachtseconomie succesvol te opereren?
Het denken over ambachten lijkt soms gedreven te worden door een vorm van paniek over het uitblijven van antwoorden op prangende vragen rondom de economische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt en de relatie met het (beroeps)onderwijs.
En in paniek wordt vaak (of altijd) veel (of alles) door elkaar gehaald. Dat zien we terug in de terminologie in de kabinetsreactie. In deze wereld hangt veel natuurlijk met elkaar samen, maar die samenhang wordt een warboel als je alles door elkaar haalt.
Zo wordt de aandacht voor het ambacht gecombineerd met mogelijke tekorten op de arbeidsmarkt in de sector techniek. Dat laatste wordt inmiddels ook al weer ter discussie gesteld en lijkt in elk geval een stuk diverser te liggen dan we dachten. Maar de vraag is vooral of datgene wat in de techniek aan vakmanschap gezocht wordt overeenkomt met wat we onder ambachten verstaan.
En wat er wel of niet onder die term valt blijft in de reactie onbesproken. Ik kom wel expliciet tegen wat het NIET is. Daarmee worden de traditionele beelden van (oude) ambachten verwezen naar de geschiedenisboeken.
Maar ik lees nergens wat het WEL is, die moderne ambachtelijkheid.
Een tweede verwarrende zaak is het mengen van de begrippen ambachtelijkheid en vakmanschap. Nou vraagt een ambacht natuurlijk om vakmanschap. Maar we zouden het begrip vakmanschap veel breder moeten definiëren. Eerder schreef ik daarover naar aanleiding van een rapport van het SCP. (Zie: https://frankvanh.wordpress.com/2014/02/06/vakmanschap-het-probleem-of-de-oplossing/ )
Verder valt me op dat de ambachtseconomie soms gelijkgesteld wordt met de technieksector. Meer aandacht voor ambachtelijke vaardigheden in het onderwijs is hetzelfde als ruimte voor praktische vaardigheden en, erger nog, wordt verward met ruimte voor een praktische leerstijl.
Ook wordt de huidige aandacht voor excellentie in het onderwijs mijns inziens iets te makkelijk op één hoop gegooid met de gepredikte waardering voor het ambacht. Excellentie en ruimte voor talentontwikkeling zijn uitdagingen die we als scholen zeker aan moeten gaan. Maar dan wel in de volle breedte en op alle niveaus, niet alleen voor een, volgend mij relatief klein, deel van de arbeidsmarkt dat zich laat definiëren als ambachtseconomie.
Tenslotte … de redding voor de Nederlandse economie moeten we, volgens vele opinieleiders, zoeken in de maakindustrie. Ook dat begrip overlapt deels de ambachtelijke sector. Maar als het niet meer dan dat is, zal het die beloofde redding zeker niet brengen. Daar is meer voor nodig, en dat betekent dat we niet moeten kiezen of delen, maar optellen: we moeten het hebben van alle (kleine) beetjes die kunnen helpen. De ambachtelijke sector is er daar zeker ook één van, maar zeker niet de enige.

De arbeidsmarkt … misschien meer markt dan je denkt

Een collega vroeg me om even mee te denken ter voorbereiding op een presentatie. Hier het resultaat … veel vragen … wie heeft antwoorden?

Als ik je goed begrijp komt de vraag neer op het volgende:
– Werk een casus uit rondom de volgende vraagstelling: “vind de arbeidsmarkt en vertaal leerdoelen”
– Daarbij gaat het om een verkenning van factoren die groei en innovatie tegengaan
– Het moet uitmonden in drie werkvragen, gericht op (ik citeer:) “tegen welke problemen loopt u aan binnen het onderwijs en waarom houden deze problemen innovatie of groei tegen?”

Een eerste brainstorm roept onderstaande vragen en gedachten bij me op:
– Wie moet de arbeidsmarkt vinden (school, gemeente/overheid, student)
– Welke leerdoelen? Wiens leerdoelen? Waartoe leert de student?
– Kun je spreken van DE arbeidsmarkt? is duidelijk wat DE arbeidsmarkt wil?
– Een markt is een plaats waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Is de arbeidsmarkt te vergelijken met een zaterdagmarkt, waar veel verschillende soorten vraag en aanbod elkaar proberen te vinden? Of is het een automarkt, met een vooraf redelijk bekend aanbod en dus ook een meer omschreven doelgroep?
– Op een markt zijn vraag en aanbod actief op zoek naar elkaar. Denk maar aan de marktkoopman die zijn waar luidkeels aanprijst voor de zoekende klant. Op de markt koopt een klant, juist door dat aanprijzen, wel eens iets waarvoor hij niet de deur uitging. Het is dus niet alleen zaak dat onderwijs/student de arbeidsmarkt vindt, maar ook andersom “vindt het talent dat je zoekt” is een opdracht voor ondernemers.
– In de vraagstelling is sprake van groei en/of innovatie. Zijn dat twee begrippen die we door elkaar gebruiken? Wie moet er eigenlijk groeien? Groei van het bedrijf, van onze studenten, van de medewerkers van het bedrijf? Is een einde aan de groei, van wie of wat dan ook, denkbaar?

Waar lopen wij als beroepsopleiding tegenaan:
– Zeer uiteenlopende vragen vanuit ondernemers, gesimplificeerd in de tegenstelling tussen breed en smal opleiden, waarover ondernemers het niet eens zijn
– We weten allemaal dat de beroepen over vijf jaar anders zijn dan nu. We weten niet hoe ze er dan WEL uitzien. Dat maakt specifiek opleiden nagenoeg onmogelijk. Onderzoek wijst uit: voor korte termijn biedt specifiek opleiden meeste kans op werk, maar voor duurzame inzetbaarheid (en dus voor werk op lange termijn) zijn bredere opleidingen meer geschikt.
– Ondernemers die nu een acute vraag hebben naar werknemers (in opleiding) bedienen, betekent de vraag van vandaag beantwoorden. Maar bereiden we onze studenten dan voor op de vraag van morgen?
– In alle sectoren zien we banen uit het middensegment verdwijnen t.g.v. automatisering en outsourcing. Wat het middensegment is, qua opleidingsniveau, verschilt per sector. In grote lijnen gaat het om niveau 2 en 3. Naast de opdracht om toe te leiden naar de arbeidsmarkt, hebben wij de opdracht om de groep studenten uit dat middensegment op te leiden en toe te leiden naar een perspectiefrijke toekomst. Kunnen we die nog bieden aan degenenen die met dit niveau “aan hun plafond” zitten? Moeten zij straks onder hun niveau gaan werken omdat werk op hun niveau niet beschikbaar is en omdat ze niet op een hoger niveau kunnen komen? Wat betekent dat voor hun motivatie op langere termijn? En betekent dat dat zij anderen verdringen voor wie dat niveau wel passend is bij hun capaciteiten?
– Betekent groei/innovatie in bedrijven ook dat zij veranderen om op deze maatschappelijke ontwikkelingen een antwoord te geven? Zijn bedrijven bereid om processen anders in te richten ten behoeve van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod?

Tja, zoals gezegd, vragen genoeg …

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Samenwerken is meer … gedeelde ambitie

Samenwerking wordt vaak gemotiveerd vanuit het zogenaamde win-win principe. Daarmee bedoelen we dat ieder van de betrokken samenwerkingspartners op een of andere manier voordeel heeft van de samenwerking.
Volgens mij is dat niet genoeg. Dit gaat namelijk nog uit van het idee dat ieder de eigen ambities heeft en een deel van die ambities via de samenwerking kan realiseren. De samenwerking stopt zodra die ambitie ook zonder samenwerking of in samenwerking met een ander werkelijkheid kan worden.
Er is dan ook meer nodig voor duurzame samenwerking en dat noem ik: gedeelde ambitie. Met andere woorden er moet geen sprake zijn van (uitsluitend) win-win, maar van winnen: één ambitie die beide samenwerkingspartners nastreven. Daarnaast kan ieder natuurlijk ook nog verdere eigen ambities in ere houden, anders zou er waarschijnlijk een fusie volgen.
Het formuleren van die gedeelde ambitie is een belangrijke stap in de samenwerking. Een gedeelde ambitie is meer dan een te realiseren doelstelling. Doelstellingen en resultaten zijn min of meer instrumenten en meetpunten om aan die ambitie te werken.
De managementdenker Gary Hamel geeft in een college op Youtube drie kenmerken van organisaties die klaar zijn voor de toekomst. Die kenmerken zijn volgens mij ook van toepassing op ambities die passen bij duurzame samenwerking tussen school en bedrijf:
– flexibel: makkelijk aan te passen aan (steeds sneller) veranderende omstandigheden
– innovatief: in staat om steeds weer nieuwe oplossingen te verzinnen voor uitdagingen die zich voordoen in (de omgeving van) de samenwerking
– betrokken: medewerkers van de samenwerkende partijen moeten zich actief onderdeel weten van de samenwerking, hun mening moet relevant zijn en dat moeten zij terugzien in ambities, aanpak en activiteiten.
Als organisaties vanuit deze invalshoek een gedeelde ambitie formuleren die ze willen realiseren, dan ontstaan kansen die zonder samenwerking onhaalbaar zijn.

Het delen van visie en ambitie vormen belangrijke voorwaarden voor duurzame samenwerking. Als school voor beroepsonderwijs is het in dat kader van belang om op zoek te gaan naar partners met wie een gedeelde visie en ambitie te ontwikkelen zijn.
Als je die gevonden hebt, probeer je visie en ambitie om te zetten in concrete activiteiten. Het lijkt logisch dat daarbij de organisaties (op onderdelen) daadwerkelijk in elkaar schuiven. Daarover het volgende blog: “samenwerking bloeit bij integratie van aanpak en activiteiten”.

Samenwerken is meer …

Vakantietijd is natuurlijk ook nadenktijd. Iets meer rust dan gebruikelijk geeft je de kans om eens te bedenken hoe het beter zou kunnen. Voor mij blijft dat draaien om de zoektocht naar modern beroepsonderwijs.

Ik heb daar een aantal globale gedachten over die ik in de komende weken probeer uit te werken. of het een consistent en steekhoudend verhaal wordt, kan ik niet voorspellen. Hopelijk zijn er wat mensen die ondanks (of dankzij) de vakantie wat tijd nemen om te lezen en te reageren. Daar wordt het alleen maar sterken van.

Modern beroepsonderwijs vereist een verregaande samenwerking tussen scholen en bedrijven of andere organisaties waar de afgestudeerde vakmensen aan het werk willen/moeten kunnen komen. Alleen échte samenwerking voorkomt dat we naar elkaar kijken en denken dat de ánder het verkeerd aanpakt. Dat is immers het kenmerk van alle (volgens mij goeddeels mislukte) aansluitingsprojecten die we de afgelopen twintig jaar gezien hebben.

Maar echt samenwerken doe je niet zomaar! Dan moet je echt wat met elkaar willen delen. Ik heb het nu in drie delen benoemd:

  • gedeelde visie
  • gedeelde ambitie
  • verregaande integratie

Een korte uitwerking per onderdeel:

Gedeelde visie
Samenwerken is ook gewoon “werken”. En je manier van werken ontstaat niet zomaar. Die kun je ook niet zomaar even aanpassen, want dan wordt de kunst van het werken een “kunstje”.
In organisaties wordt op een bepaalde manier gewerkt. Die werkwijze wordt bepaald door de visie die men heeft op relevante aspecten. In het kader van beroepsonderwijs en samenwerking tussen school en bedrijven denk ik daarbij aan:

  • de visie op mensen (vanuit welk mensbeeld geef je het werk van de organisatie vorm)
  • de visie op bestuur en management (hoe geef je je organisatie vorm, welke functies zet je daarbij in en welke stijl van leidinggeven hanteer je?)
  • de visie op leren en werken (hoe leren mensen, hoe werken mensen in een bepaalde bedrijfstak, hoe verwacht men dat leren en werken zich in de toekomst ontwikkelen?)

Gedeelde ambitie
Samenwerken doe je niet zo maar. Je doet het (hopelijk) wel mét plezier, maar niet vóór je plezier. Je doet het om iets te bereiken en in die ambitie moet iets gemeenschappelijks zitten.
Dat vraagt om een gemeenschappelijke beantwoording van vragen als:

  • wat voor organisatie willen we zijn?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties onderling?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties en hun omgeving?
  • wat willen we betekenen? en voor wie?

Verregaande integratie
Samenwerken lijkt wel wat op samengaan. Met andere woorden, als je echt met elkaar aan het werk gaat, kun je maar beter een paar zaken met elkaar laten versmelten:

  • opleiding, na- en bijscholing
  • backoffice
  • HRM
  • huisvesting

Hoe dit er precies uit kan zien probeer ik nader onder woorden te brengen in volgende blogposts. Of het allemaal kan, moeten we meemaken door het te proberen. Wat mij betreft is het in elk geval een uitdaging die de moeite waard is. Voor onze studenten en natuurlijk voor de bedrijven en instellingen waar zij aan het werk gaan.

Beroepsonderwijs is van de regio!

De afgelopen dagen had ik in allerlei samenstellingen de nodige gesprekken over hoe het verder moet met het beroepsonderwijs.In dit blog ga ik niet in op alle  gesignaleerde problemen. Wel probeer ik een perspectief te schetsen waar we volgens mij naar toe zouden kunnen/moeten werken om beroepsonderwijs te moderniseren en te verduurzamen.

Dat perspectief heeft als uitgangspunt dat een perspectief voor beroepsonderwijs alleen zinvol is als het alle sectoren van beroepsonderwijs erbij betrekt en aan elkaar verbindt: VMBO, MBO, HBO.

Dat perspectief wordt sterk gekleurd door kenmerken van de regio waarin ik werkzaam ben: Friesland, relatief dun bevolkt, veel kleine kernen, behoorlijk verspreide voorzieningen voor VMBO, redelijk geconcentreerde voorzieningen voor MBO en HBO.

Het beroepsonderwijs moet “twee meesters dienen”:

  1. jongeren die een schoolloopbaan in het beroepsonderwijs kiezen
  2. bedrijven en instellingen die hun werknemers uit dat beroepsonderwijs zien komen

Zolang we denken dat we tussen deze twee moeten kiezen komt het niet goed. We krijgen dan onvoldoende oog voor een van beide zaken:

  • voor de keuzes, motivering, levens van de desbetreffende jongeren

Een eenduidige keuze voor de instroomwens van bedrijven, betekent dat we onvoldoende aandacht schenken aan keuzegedrag en motieven van jongeren. Jongeren in een richting dwingen die ze niet zien zitten leidt tot demotivatie, gedragsproblemen, leerproblemen, schooluitval. Het hoeft geen betoog dat de effecten hiervan op de jongeren zelf, maar ook op de omgeving van die jongeren zeer ongewenst zijn.

  • voor de noodzaak in de bedrijven, maar ook in de regio daaromheen om een adequate instroom van werknemers te realiseren

Alleen maar kijken naar “wat willen jongeren” is eveneens te simpel. Het is ook de taak van het onderwijs om jongeren duidelijk te maken dat ze opgroeien in een omgeving waarin van alles gebeurt. Keuzes maken zonder oog voor die omgeving kan voor de korte termijn erg prettig zijn, maar langzaam maar zeker komt het er ook op aan die keuzes te verbinden met die omgeving.

Modern en duurzaam beroepsonderwijs verbindt dus deze twee invalshoeken:

  1. Het biedt leertrajecten die passen bij de verschillende doelgroepen in het onderwijs. Niet alleen met het oog op het niveau, maar juist ook met het oog op de vraag hoe ver jongeren zijn in hun oriëntatie- en keuzeproces. Wie weet wat hij wil, moet de kans krijgen daarin te groeien. Wie dat niet weet, moet de kans krijgen het te ontdekken. En wie van keuze verandert moet de kans krijgen om zonder al te veel verlies van energie en tijd over te stappen.
  2. Het biedt leertrajecten die passen bij ontwikkelingen in de omgeving. Die ontwikkelingen zijn moeilijk te voorspellen, maar het is goed om in de driehoek onderwijs-ondernemers-overheid speerpunten vast te stellen die herkenbaar terugkomen in zowel de economische ontwikkeling van de regio als de inhoudelijke programmering van het beroepsonderwijs.

De uitdaging is om vanuit bovenstaande invalshoeken met álle betrokken partijen te komen tot een wenkend perspectief voor het beroepsonderwijs én het bedrijfsleven, dat we met elkaar kunnen realiseren en waar we ons met elkaar ook hard voor maken.

Kiezen voor beter

Vandaag had ik een paar gesprekken over onderwijs in relatie tot de omgeving. Die omgeving was verschillend: een sportbond, een werkconcept, enkele collegascholen. En weer is de conclusie: door samenwerking kan ons onderwijs beter worden, motiverender, spannender, betekenisvoller voor alle betrokkenen.

Maar dan moeten we wel durven te kiezen! Als we blijven doen wat we deden blijven veranderingen beperkt tot de marges. Het onderzoek van het SCP dat deze week bekend werd, maakt dat ook duidelijk. De conclusie daarvan was dat het vele extra geld dat in onderwijs gestoken werd niet tot daadwerkelijk betere resultaten geleid heeft. Als voorbeeld daarbij werd de verkleining van klassen genoemd. Maar het was al lang duidelijk dat de marginale verkleining als geïsoleerde maatregel nooit zou werken. Daar horen maatregelen omheen, zoals beter toegeruste docenten. Maar bovenal moet je dan écht kiezen voor verkleining. Halvering bijvoorbeeld! De laatste tijd worden er steeds weer vergelijkingen gemaakt met het onderwijssysteem in Finland. Dat soort vergelijkingen gaat altijd mank omat er spake is van een hele andere geschiedenis en een heel andere cultuur. Maar echt profijt van die vergelijking hebben we pas als we radicale keuzes durven maken. Docenten moeten dan niet een uurtje meer of minder gaan werken, maar echt een andere weekinvulling krijgen.

Voor het beroepsonderwijs zie ik een aantal keuzes als manieren om tot fundamentele verbetering te komen. Die verbetering moet zich wat mij betreft richten op een beperkt aantal zaken:
– Studenten die met motivatie en passie aan de slag zijn.
– Een school die voortdurend meerwaarde levert voor haar omgeving en stakeholders
– Onderwijs dat ontwikkeld én uitgevoerd wordt in volledige samenwerking tussen school en omgeving (overheid, bedrijven, instellingen, zelfstandige professionals, …)

Als we dat willen realiseren moeten we definitief afscheid nemen van de hokjesgeest die ons onderwijs gemaakt heeft tot wat het is. De wereld van arbeidsdeling, zoals die door mensen als Ford en Taylor bedacht werd, laten we steeds meer achter ons. Maar in de wereld van school zien we die nog helemaal terug in onze opleidingen, onze gebouwen en ons personeelsbeleid.
In de “echte” wereld werken mensen maar zeer beperkt samen met mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. De kwaliteit van een receptioniste wordt vooral bepaald door de kwaliteit die zij levert in het samenwerken met gasten en de mensen voor wie die gasten zich melden bij de receptie. Daar bevinden in het algemeen weinig receptionistes onder! Maar in je opleiding werk je vooral samen met receptionistes in spé.
En ook degenen die verantwoordelijk zijn voor die opleiding werken voortdurend samen met “vakbroeders”. Dat eiland houdt zich op die manier keurig in stand!
Dat moet toch anders kunnen.

Hoe sneller, hoe beter?

Ik maak me zorgen over een grote groep jongeren. Ik denk zelfs over de grote meerderheid van al onze jongeren. De belangrjkste reden daarvoor? Het onderwijsbeleid sluit niet aan bij de natuurlijke ontwikkeling van de jeugd.

In deze tijd van financiële krapte lijkt het alsof de titel van deze blogpost ook het motto van het ministerie is. We hebben hoge ambities als het gaat om het opleidingsniveau van de nederlandse jeugd, maar we hebben er niet heel veel geld voor over. Dus moet het allemaal zo snel (en dus goedkoop) mogelijk.

Ik geef een voorbeeld uit de sector waarin ik werkzaam ben, het MBO. Het onderwijs in het MBO is verdeeld in vier niveaus en in honderden opleidingen. Nou spelen er twee dingen:

  1. Jongeren worden geacht op hun 16e/17e uit die honderden opleidingen die ene te kiezen die bij hen past.
  2. Jongeren moeten direct instromen op het juiste niveau en op dat niveau het diploma te halen.
Waarom is dit onmogelijk en onwenselijk?
De meeste jongeren weten op die leeftijd nog niet zo nauwkeurig wat ze eigenlijk willen (worden). Voor degenenen die op een hoger niveau van het ondrwijssysteem actief zijn is dat probleem al iets minder. Zij kiezen later en vaak ook nog uit een wat bredere universitaire opleidingen, waarin de specialisatie pas later komt.
Binnen het MBO ontdekken jongeren vaak pas gedurende de rit wat ze nou eigenlijk gekozen hebben. En ook krijgen ze pas later scherp of hun keuze wel echt past bij hun ambitie, affiniteit en capaciteit.
En verder kennen we allemaal het verschijnsel van de “laatbloeiers”. Degenen die pas iets later “de geest krijgen” en daarmee de motivatie op kunnen brengen om er een schepje bovenop te gooien voor wat betreft de studie.
Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar in elk geval is duidelijk geworden dat de hersenen van jongeren zich zo ontwikkelen dat het vragen om een weldoordachte en toekomstbepalende keuze op zestienjarige leeftijd een onmogelijkheid is.
En waarom sta ik hier nu bij stil?
Het ministerie heeft aangekondigd dat er minder ruimte komt voor switchen (van opleiding) en stapelen (van niveau/diploma). Scholen krijgen in de toekomst minder bekostigd voor een deelnemer die, door een van deze oorzaken, langer over het MBO doet. Dat is overigens al lang geleden aangekondigd, maar langzaam maar zeker wordt nu duidelijk hoe dat uitpakt.
Daarmee zal het ministerie  de ruimte voor scholen om in te spelen op wat ik hierboven schets drastisch beperken.
Het ministerie lijkt de illusie te hebben dat een betere intake zal voorkomen dat jongeren ontdekken dat ze eigenlijk iets anders willen of dat ze eigenlijk best in staat zijn om dat hogere  niveau aan te kunnen.
Met de maatregelen die het ministerie hiervoor treft maakt men duidelijk jongeren en hun schoolloopbaan eigenlijk vooral als kostenpost te zien.
Wat mij betreft komt er weer ruimte voor beleid op basis van het uitgangspunt dat het hier gaat om investeringen in de toekomst.

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.

Over beroepsonderwijs: modern, effectief en aantrekkelijk

Vandaag besprak ik bij de MBO-raad de stand van zaken met betrekking tot “Focus op vakmanschap”, het actieplan van de minister van Onderwijs dat moet zorgen voor de noodzakelijk geachte kwaliteitsverbetering van het middelbaar beroepsonderwijs. Elders op mijn weblog heb ik al een samenvatting van dit actieplan geplaatst. Nu ging het gesprek over het resultaat van de gesprekken tussen ministerie en de MBO-raad over de uitwerking en invoering van het actieplan.

Het resultaat zal later beoordeeld worden, maar nu al kun je constateren dat dat oordeel makkelijk twee kanten uit kan gaan. Zoals vaker na afloop van onderhandelingen is ook hier sprake van een glas dat halfvol of halfleeg is. Tja, dat kun je van een en hetzelfde glas zeggen en zegt meestal iets meer over de spreker dan over het glas. Los van het exacte resultaat zet het onderwerp in elk geval weer eens aan tot nadenken over de toekomst van het (middelbaar) beroepsonderwijs. Aan de hand van enkele maatregelen uit het actieplan, probeer ik wat beelden over die toekomst te schetsen.

Het actieplan is gebaseerd op een toekomst van het beroepsonderwijs waarin sprake is van een forse toename van kwaliteit. Dat is een ambitie waar je het volgens mij alleen maar heel erg mee eens kunt zijn. Los van je huidige oordeel over die kwaliteit, kun je moeilijk tegen een verhoging daarvan zijn.

Het belangrijkste en in mijn ogen meest bijzondere instrument om die kwaliteit te verhogen is de zogenaamde “intensivering”. Die intensivering krijgt vorm via een paar ingrepen:

  • opleidingen worden ingekort (van 4 naar 3 jaar)
  • de hoeveelheid onderwijstijd in het eerste jaar wordt uitgebreid (van 850 naar 1000 uur)
  • de hoeveelheid BPV (lees: stage) wordt verminderd ten gunste van begeleide onderwijstijd (lees: les)

In grote lijnen zijn dit niet perse slechte ingrepen. Gesprekken met docenten maken me de afgelopen tijd al duidelijk dat de verlenging van MBO-opleidingen van drie naar vier jaar vaak geleid heeft tot verdunning van de opleidingen. Ook van deelnemers hoor en lees ik te vaak dat ze zich vervelen tijdens de opleiding.

Uitbreiding van de onderwijstijd in het eerste jaar lijkt me enigszins symboolpolitiek. Veel ROC’s hebben al programma’s waarin jaarlijks aan deze voorwaarde voldaan wordt, dus het effect hiervan zal gering zijn.

Het grootste dilemma ervaar ik bij de verschuiving in de verdeling tussen BPV en begeleide onderwijstijd. Dat heeft een paar invalshoeken.

Zo is men in Den Haag blijkbaar ontevreden over het leerrendement van de BPV. Blijkbaar denkt men dat meer begeleide onderwijstijd een hoger rendement op zal leveren. Volgens mij zijn dit aannames die niet onderbouwd zijn. Zoals zo vaak zijn het hier ook weer indrukken en emoties op basis waarvan beleid gemaakt wordt, in plaats van onderzoek en analyse. Verder is het natuurlijk ook een makkelijke manier om iets dat je niet goed vindt, gewoon maar minder toe te staan.

Wat gaat nou maken of ik dat glas als half vol of half leeg zie? Ik ben er (ongeveer) uit! De vraag is voor mij of we de ruimte krijgen om die grotere hoeveelheid begeleide onderwijstijd in te vullen op een manier die past bij modern beroepsonderwijs:

  • modern, dus met gebruikmaking van alle moderne middelen die daarvoor beschikbaar zijn
  • beroepsonderwijs, dus wat mij betreft zoveel mogelijk in de context van het beroep

En daarmee kom ik ook uit bij mijn angst. Het lijkt er zo vaak op dat onderwijstijd alleen maar als goed gezien wordt wanneer die ingevuld wordt door een leraar voor het bord  met een krijtje in een klaslokaal met 25 jongeren. Als dat het gevolg is, betekent dat niet alleen een  half leeg glas. Het betekent ook dat we de verworvenheden van de afgelopen jaren verkwisten en dat het beroepsonderwijs teruggaat in de tijd. Dat past bij het sentiment dat het onderwijs momenteel omsingelt, maar het past niet bij een maatshappij die behoefte heeft aan modern en hoog opgeleide jongeren.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën