Posts Tagged 'beroepsonderwijs'



Doelmatig beroepsonderwijs, makkelijk gezegd maar geen eenvoudige zaak

Morgen bespreekt de vaste Kamercommissie het wetsvoorstel “macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs”. Zie voor de onderliggende stukken http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2014A04749

Ik reageer hieronder (beetje fragmentarisch) op een aantal elementen van het voorstel:

Vooraf wil ik opmerken niet overtuigd te zijn van het feit dat we hier echt met een probleem te maken hebben. Is het feitelijk een probleem of is het de vertaling van een beleving die feitelijk stoelt op het oude beeld dat onderwijs en bedrijfsleven onvoldoende op elkaar aansluiten.

We moeten niet denken dat er sprake is (kan zijn) van een eenvoudige relatie tussen opleiding en werk. Ook het geven van voorlichting omtrent stage en werk is op zich prima, maar de situatie verandert sneller dan je denkt. Dus wat informatie voor aanvang van de studie zegt over het moment waarop iemand een diploma haalt, valt te bezien.
Daar komt nog bij dat werkgevers soms andere bronnen aanboren als het gaat om de zoektocht naar nieuwe werknemers (denk aan arbeidsmigranten uit oost-Europa, mensen die in andere sectoren werkloos raken, etc.) Daar is wellicht niets op tegen maar het beïnvloedt de kansen van afgestudeerden zonder dat dat te voorzien valt en zonder dat scholen daarvoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden.

Zowel de aansluiting met cq kansen op werk als het doelmatig inrichten van scholen zijn gebaat bij een forse vermindering van het aantal kwalificaties. De huidige operatie is daarin een stapje, maar niet meer dan dat. Waarom net, mede kijkend naar het buitenland, een echte vermindering. Naar 100-150 bijvoorbeeld?

Veel scholen hebben oplossingen voor de kleine deelnemersaantallen per opleiding. Er worden lessen gecombineerd en zo. Dat werkt prima en bij een al te getalsmatige benadering kan dat over het hoofd gezien worden.

Het aanpassen van de bekostiging in kader van doelmatigheid ligt genuanceerd. Zo lijkt het prima om de diplomabekostiging aan te passen, maar het is een illusie dat je door een betere intake tot veel betere plaatsing kunt komen. Waarom niet gewoon een eenvoudige doorstroomregeling, gebaseerd op het vmbo-diploma?
Een slechte zaak vind ik de cascade mbt verblijfsduur. Dat staat ook op gespannen voet met een leven lang leren. Je moet studenten niet te laag plaatsen. Je moet ook geen perverse prikkel inbouwen waardoor ze lager geplaatst worden dan nodig tbv hogere bekostiging van de studieduur. Maar je moet ook geen financiële drempel opwerpen voor scholen om degenen die het via een langere weg op een hoger niveau redden daarbij te hinderen.

Het invoeren van keuzedelen kan een goede stap zijn op weg naar een flexibel onderwijsaanbod. Van groot belang is dat regionale initiatieven daarbij alle kans krijgen en dat goedkeuring snel gebeurt op basis van een dusdanig beoordelingskader dat de uitslag voorspelbaar is voor de indieners.

Diploma’s, niet de sleutel maar het slot

In het laatste nummer van Socialisme & Democratie pleit Marijke Linthorst voor een forse investering in het beroepsonderwijs. Ze heeft het daarbij overigens met name over het vmbo. Die gewenste investering bestaat uit twee elementen:
• Moderne inrichting van en apparatuur in de gebouwen
• Extra ruimte voor ondersteuning van leerlingen, naast de cognitieve begeleiding die scholen al bieden
Het zijn pleidooien waar weinig tegen in te brengen is. Het vmbo is al te lang en te vaak de vergeten restpost in ons onderwijs. En daarmee bevestig je de beleving dat een gang naar het vmbo geen keuze maar een noodzaak is. “Je gaat niet naar het vmbo omdat je iets goed kunt, maar omdat je ‘niet goed genoeg’ bent voor havo of vwo”, aldus Linthorst. Herkenbaar voor iedereen die bij het onderwijs betrokken is.
Waarom dan deze reactie? Het is onwaarschijnlijk dat dat slechts gaat om het ondersteunen van het pleidooi dat hier gehouden wordt. Dat klopt. Hoe goed bedoeld ook, het artikel van Linthorst slaat qua analyse op een aantal punten de plank mis. En dat leidt tot oplossingen die mijns inziens onvoldoende ingaan op de fundamentele problematiek waar ons onderwijs mee worstelt. Dus daar probeer ik hier een steentje aan bij te dragen.

Waar gaat het mis bij Marijke? Op enkele punten doet zij uitspraken die leiden tot een verkeerd beeld van de huidige situatie. Daarmee voorkomen zij echte oplossingen.
1. In het artikel worden theoretisch onderwijs en een hoger niveau op een hoop gegooid. Zo wordt er makkelijk gesproken over “zo hoog mogelijk theoretisch onderwijs”. De tweedeling tussen theoretisch en praktisch onderwijs staat daarmee gelijk aan een indeling in twee niveaus.
2. Het mbo krijgt het adjectief “theoretisch”. Dat wordt nergens onderbouwd en mag volgens mij niet waar zijn.
3. Over de middenschool wordt gezegd dat “alle leerlingen tot hun vijftiende hetzelfde onderwijs zouden krijgen”. Dat is volgens mij nooit de bedoeling geweest.
4. Op meerdere plaatsen wordt gewezen op overschatting van leerlingen als het gaat om hun zelfstandigheid. Zij zouden “regisseur moeten zijn van (zijn) eigen leerproces”. En even later: “er wordt van leerlingen een veel grotere zelfstandigheid verwacht dan zij feitelijk aankunnen”. Alhoewel dit in de praktijk allebei het geval kan zijn, is dit niet wat we met ontwikkelingen in het onderwijs (moeten) beogen. Het gaat er om dat leerlingen zich wel in deze richting ontwikkelen, maar dat doen we niet door ze zonder meer in het diepe te gooien. De rol van leerkrachten is daarbij cruciaal en meer dan “deze moet geen kennis meer overdragen, maar zich opstellen als coach, …”.

Wat is er dan wél aan de hand?
Hierboven blijkt al wel dat er veel fundamentelere problemen spelen dan de materiële voorzieningen in het vmbo en de omvang van de ondersteuning. Ons onderwijs is van een behoorlijk niveau, maar niet in staat om antwoorden te formuleren die passen bij de huidige omgeving. Daarvoor zijn een paar oorzaken aan te wijzen:
• Het selectieve karakter van ons onderwijs, gestuurd door de overgangsmomenten tussen schoolsectoren waarop steeds weer stevige keuzes gemaakt moeten worden.
• Het systeem van toetsen en diplomeren wat steeds leidt tot keuzes voor datgene waar iemand het minst goed in is. De onderkant van iemands potentieel is bepalend voor de keuzemogelijkheden. De bovenkant en het groeipotentieel zijn niet van doorslaggevend belang.
• Verschillende leerstijlen worden zeer verschillend gewaardeerd en te makkelijk vertaald in verschillende niveaus van leren. Een praktische leerstijl krijgt daarbij al snel het etiket van een lager niveau dan een meer theoretische leerstijl. Hieraan gekoppeld is de overwaardering van theoretische, cognitieve vaardigheden terwijl we weten dat praktische en niet-cognitieve vaardigheden minstens zo belangrijk zijn voor een succesvolle (levens)loopbaan.

En wat moeten we dan doen?
Er moet en kan natuurlijk een hoop gebeuren om zaken te veranderen en verbeteren. De vraag is of we een ingreep kunnen bedenken die een échte verandering teweeg kan brengen, een omslag in ons hele systeem van leren en opleiden.
In mijn zoektocht naar zo’n ingreep kwam ik op het volgende:
LATEN WE DE DIPLOMA’S AFSCHAFFEN

Diploma’s zijn de symbolen van de gescheiden scholen in het vo. Zij verbeelden het onderscheid tussen sectoren van mbo, hbo en wo. Maar bovenal: zij zorgen dat we altijd bezig zijn met waar we niet zo goed in zijn. Het is immers belangrijker om van een 4 een 5 te maken dan van een 7 een 8 te maken.
Als we afscheid nemen van diploma’s kan iedereen zich op alle terreinen ontwikkelen tot het hoogst haalbare niveau. En kan daar ook op gewaardeerd worden! Die waardering kan blijken uit een portfolio, al dan niet (deels) gevuld met (erkende) certificaten per onderdeel/vak(gebied). Door- en opstromen kan gestuurd worden door heldere eisen t.a.v. niveaus voor verschillende relevante onderdelen. Er kan per vervolgopleiding gekeken worden naar die onderdelen die echt van belang zijn om succesvol te studeren (en later aan het werk te gaan).
De leerling die (op onderdelen) een hoger niveau aan kan, kan dat realiseren zonder van school te veranderen. In tegenstelling tot de invulling die Linthorst geeft aan de middenschool kunnen leerlingen dan wel langer op dezelfde school zitten, maar ze krijgen beslist niet hetzelfde onderwijs. Een losser systeem met iets van modulering en certificering biedt ruimte om maatwerkafspraken te maken met betrekking tot doorstroom naar hoger onderwijs en instroom op de arbeidsmarkt.
Voor jongeren betekent dit meer duidelijkheid omtrent de vraag wat nog van hen gevraagd wordt om bepaalde ambities te realiseren. Werkgevers kunnen op die manier duidelijk maken wat ze qua instapniveau van belang vinden voor nieuwe werknemers.
Maar ook een leven lang leren wordt hiermee een geïntegreerd onderdeel van het opleidingssysteem. Je weet immers wat op diverse plekken gevraagd wordt en dus ook wat jij nog moet doen om jezelf daarvoor te kwalificeren.
Een laatste voordeel hierbij …. We weten allemaal dat de omgeving tegenwoordig sneller verandert dan we gewend zijn. Dat betekent ook iets voor opleidingen. Een gedifferentieerd systeem van losse, maar wel samenhangende, onderdelen kan veel sneller reageren op die veranderingen. Daarmee kunnen we afscheid nemen van het logge systeem van vastgeroeste opleidingen en daarbijbehorende eisen.

Ruim baan voor het ambacht, maar verwacht geen wonderen

Onlangs las ik de reactie van het kabinet op het SER-advies “Handmade in Holland, vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie”. Een belangrijk advies (en dus ook een belangrijke reactie) want het gaat over de visie op onze economie van nu en straks. Die visie spitst zich hier toe op de positie van het ambacht in die economie.
Wie de reactie leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het ambacht de reddingsboei is die onze kwakkelende economie voor de verdrinkingsdood moet behoeden. Die indruk ontstaat met name door het taalgebruik aan het begin van de reactie:
“… dat de ambachtseconomie een onmisbaar onderdeel is van de Nederlandse (kennis)economie en samenleving. De ambachten leveren een substantiële bijdrage aan de economische ontwikkeling van ons land en vormen een bron van creativiteit en innovatie.”
“De ambachtelijke sector zorgt voor werkgelegenheid, creativiteit en innovatie.”
Wat hier staat ga ik niet ter discussie stellen. Waar ik wel aandacht voor vraag is het relatieve belang van deze sector. Een paar vragen daarover:
– hoe groot is het percentage werkenden in de ambachtseconomie?
– hoeveel banen staan op de tocht in andere economische sectoren?
– hoeveel van die verdwijnende banen kunnen vervangen worden door banen in de (wellicht groeiende) ambachtseconomie?
– hoeveel mensen hebben die talenten die noodzakelijk zijn om in de ambachtseconomie succesvol te opereren?
Het denken over ambachten lijkt soms gedreven te worden door een vorm van paniek over het uitblijven van antwoorden op prangende vragen rondom de economische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt en de relatie met het (beroeps)onderwijs.
En in paniek wordt vaak (of altijd) veel (of alles) door elkaar gehaald. Dat zien we terug in de terminologie in de kabinetsreactie. In deze wereld hangt veel natuurlijk met elkaar samen, maar die samenhang wordt een warboel als je alles door elkaar haalt.
Zo wordt de aandacht voor het ambacht gecombineerd met mogelijke tekorten op de arbeidsmarkt in de sector techniek. Dat laatste wordt inmiddels ook al weer ter discussie gesteld en lijkt in elk geval een stuk diverser te liggen dan we dachten. Maar de vraag is vooral of datgene wat in de techniek aan vakmanschap gezocht wordt overeenkomt met wat we onder ambachten verstaan.
En wat er wel of niet onder die term valt blijft in de reactie onbesproken. Ik kom wel expliciet tegen wat het NIET is. Daarmee worden de traditionele beelden van (oude) ambachten verwezen naar de geschiedenisboeken.
Maar ik lees nergens wat het WEL is, die moderne ambachtelijkheid.
Een tweede verwarrende zaak is het mengen van de begrippen ambachtelijkheid en vakmanschap. Nou vraagt een ambacht natuurlijk om vakmanschap. Maar we zouden het begrip vakmanschap veel breder moeten definiëren. Eerder schreef ik daarover naar aanleiding van een rapport van het SCP. (Zie: https://frankvanh.wordpress.com/2014/02/06/vakmanschap-het-probleem-of-de-oplossing/ )
Verder valt me op dat de ambachtseconomie soms gelijkgesteld wordt met de technieksector. Meer aandacht voor ambachtelijke vaardigheden in het onderwijs is hetzelfde als ruimte voor praktische vaardigheden en, erger nog, wordt verward met ruimte voor een praktische leerstijl.
Ook wordt de huidige aandacht voor excellentie in het onderwijs mijns inziens iets te makkelijk op één hoop gegooid met de gepredikte waardering voor het ambacht. Excellentie en ruimte voor talentontwikkeling zijn uitdagingen die we als scholen zeker aan moeten gaan. Maar dan wel in de volle breedte en op alle niveaus, niet alleen voor een, volgend mij relatief klein, deel van de arbeidsmarkt dat zich laat definiëren als ambachtseconomie.
Tenslotte … de redding voor de Nederlandse economie moeten we, volgens vele opinieleiders, zoeken in de maakindustrie. Ook dat begrip overlapt deels de ambachtelijke sector. Maar als het niet meer dan dat is, zal het die beloofde redding zeker niet brengen. Daar is meer voor nodig, en dat betekent dat we niet moeten kiezen of delen, maar optellen: we moeten het hebben van alle (kleine) beetjes die kunnen helpen. De ambachtelijke sector is er daar zeker ook één van, maar zeker niet de enige.

De arbeidsmarkt … misschien meer markt dan je denkt

Een collega vroeg me om even mee te denken ter voorbereiding op een presentatie. Hier het resultaat … veel vragen … wie heeft antwoorden?

Als ik je goed begrijp komt de vraag neer op het volgende:
– Werk een casus uit rondom de volgende vraagstelling: “vind de arbeidsmarkt en vertaal leerdoelen”
– Daarbij gaat het om een verkenning van factoren die groei en innovatie tegengaan
– Het moet uitmonden in drie werkvragen, gericht op (ik citeer:) “tegen welke problemen loopt u aan binnen het onderwijs en waarom houden deze problemen innovatie of groei tegen?”

Een eerste brainstorm roept onderstaande vragen en gedachten bij me op:
– Wie moet de arbeidsmarkt vinden (school, gemeente/overheid, student)
– Welke leerdoelen? Wiens leerdoelen? Waartoe leert de student?
– Kun je spreken van DE arbeidsmarkt? is duidelijk wat DE arbeidsmarkt wil?
– Een markt is een plaats waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Is de arbeidsmarkt te vergelijken met een zaterdagmarkt, waar veel verschillende soorten vraag en aanbod elkaar proberen te vinden? Of is het een automarkt, met een vooraf redelijk bekend aanbod en dus ook een meer omschreven doelgroep?
– Op een markt zijn vraag en aanbod actief op zoek naar elkaar. Denk maar aan de marktkoopman die zijn waar luidkeels aanprijst voor de zoekende klant. Op de markt koopt een klant, juist door dat aanprijzen, wel eens iets waarvoor hij niet de deur uitging. Het is dus niet alleen zaak dat onderwijs/student de arbeidsmarkt vindt, maar ook andersom “vindt het talent dat je zoekt” is een opdracht voor ondernemers.
– In de vraagstelling is sprake van groei en/of innovatie. Zijn dat twee begrippen die we door elkaar gebruiken? Wie moet er eigenlijk groeien? Groei van het bedrijf, van onze studenten, van de medewerkers van het bedrijf? Is een einde aan de groei, van wie of wat dan ook, denkbaar?

Waar lopen wij als beroepsopleiding tegenaan:
– Zeer uiteenlopende vragen vanuit ondernemers, gesimplificeerd in de tegenstelling tussen breed en smal opleiden, waarover ondernemers het niet eens zijn
– We weten allemaal dat de beroepen over vijf jaar anders zijn dan nu. We weten niet hoe ze er dan WEL uitzien. Dat maakt specifiek opleiden nagenoeg onmogelijk. Onderzoek wijst uit: voor korte termijn biedt specifiek opleiden meeste kans op werk, maar voor duurzame inzetbaarheid (en dus voor werk op lange termijn) zijn bredere opleidingen meer geschikt.
– Ondernemers die nu een acute vraag hebben naar werknemers (in opleiding) bedienen, betekent de vraag van vandaag beantwoorden. Maar bereiden we onze studenten dan voor op de vraag van morgen?
– In alle sectoren zien we banen uit het middensegment verdwijnen t.g.v. automatisering en outsourcing. Wat het middensegment is, qua opleidingsniveau, verschilt per sector. In grote lijnen gaat het om niveau 2 en 3. Naast de opdracht om toe te leiden naar de arbeidsmarkt, hebben wij de opdracht om de groep studenten uit dat middensegment op te leiden en toe te leiden naar een perspectiefrijke toekomst. Kunnen we die nog bieden aan degenenen die met dit niveau “aan hun plafond” zitten? Moeten zij straks onder hun niveau gaan werken omdat werk op hun niveau niet beschikbaar is en omdat ze niet op een hoger niveau kunnen komen? Wat betekent dat voor hun motivatie op langere termijn? En betekent dat dat zij anderen verdringen voor wie dat niveau wel passend is bij hun capaciteiten?
– Betekent groei/innovatie in bedrijven ook dat zij veranderen om op deze maatschappelijke ontwikkelingen een antwoord te geven? Zijn bedrijven bereid om processen anders in te richten ten behoeve van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod?

Tja, zoals gezegd, vragen genoeg …

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Samenwerken is meer … gedeelde ambitie

Samenwerking wordt vaak gemotiveerd vanuit het zogenaamde win-win principe. Daarmee bedoelen we dat ieder van de betrokken samenwerkingspartners op een of andere manier voordeel heeft van de samenwerking.
Volgens mij is dat niet genoeg. Dit gaat namelijk nog uit van het idee dat ieder de eigen ambities heeft en een deel van die ambities via de samenwerking kan realiseren. De samenwerking stopt zodra die ambitie ook zonder samenwerking of in samenwerking met een ander werkelijkheid kan worden.
Er is dan ook meer nodig voor duurzame samenwerking en dat noem ik: gedeelde ambitie. Met andere woorden er moet geen sprake zijn van (uitsluitend) win-win, maar van winnen: één ambitie die beide samenwerkingspartners nastreven. Daarnaast kan ieder natuurlijk ook nog verdere eigen ambities in ere houden, anders zou er waarschijnlijk een fusie volgen.
Het formuleren van die gedeelde ambitie is een belangrijke stap in de samenwerking. Een gedeelde ambitie is meer dan een te realiseren doelstelling. Doelstellingen en resultaten zijn min of meer instrumenten en meetpunten om aan die ambitie te werken.
De managementdenker Gary Hamel geeft in een college op Youtube drie kenmerken van organisaties die klaar zijn voor de toekomst. Die kenmerken zijn volgens mij ook van toepassing op ambities die passen bij duurzame samenwerking tussen school en bedrijf:
– flexibel: makkelijk aan te passen aan (steeds sneller) veranderende omstandigheden
– innovatief: in staat om steeds weer nieuwe oplossingen te verzinnen voor uitdagingen die zich voordoen in (de omgeving van) de samenwerking
– betrokken: medewerkers van de samenwerkende partijen moeten zich actief onderdeel weten van de samenwerking, hun mening moet relevant zijn en dat moeten zij terugzien in ambities, aanpak en activiteiten.
Als organisaties vanuit deze invalshoek een gedeelde ambitie formuleren die ze willen realiseren, dan ontstaan kansen die zonder samenwerking onhaalbaar zijn.

Het delen van visie en ambitie vormen belangrijke voorwaarden voor duurzame samenwerking. Als school voor beroepsonderwijs is het in dat kader van belang om op zoek te gaan naar partners met wie een gedeelde visie en ambitie te ontwikkelen zijn.
Als je die gevonden hebt, probeer je visie en ambitie om te zetten in concrete activiteiten. Het lijkt logisch dat daarbij de organisaties (op onderdelen) daadwerkelijk in elkaar schuiven. Daarover het volgende blog: “samenwerking bloeit bij integratie van aanpak en activiteiten”.

Samenwerken is meer …

Vakantietijd is natuurlijk ook nadenktijd. Iets meer rust dan gebruikelijk geeft je de kans om eens te bedenken hoe het beter zou kunnen. Voor mij blijft dat draaien om de zoektocht naar modern beroepsonderwijs.

Ik heb daar een aantal globale gedachten over die ik in de komende weken probeer uit te werken. of het een consistent en steekhoudend verhaal wordt, kan ik niet voorspellen. Hopelijk zijn er wat mensen die ondanks (of dankzij) de vakantie wat tijd nemen om te lezen en te reageren. Daar wordt het alleen maar sterken van.

Modern beroepsonderwijs vereist een verregaande samenwerking tussen scholen en bedrijven of andere organisaties waar de afgestudeerde vakmensen aan het werk willen/moeten kunnen komen. Alleen échte samenwerking voorkomt dat we naar elkaar kijken en denken dat de ánder het verkeerd aanpakt. Dat is immers het kenmerk van alle (volgens mij goeddeels mislukte) aansluitingsprojecten die we de afgelopen twintig jaar gezien hebben.

Maar echt samenwerken doe je niet zomaar! Dan moet je echt wat met elkaar willen delen. Ik heb het nu in drie delen benoemd:

  • gedeelde visie
  • gedeelde ambitie
  • verregaande integratie

Een korte uitwerking per onderdeel:

Gedeelde visie
Samenwerken is ook gewoon “werken”. En je manier van werken ontstaat niet zomaar. Die kun je ook niet zomaar even aanpassen, want dan wordt de kunst van het werken een “kunstje”.
In organisaties wordt op een bepaalde manier gewerkt. Die werkwijze wordt bepaald door de visie die men heeft op relevante aspecten. In het kader van beroepsonderwijs en samenwerking tussen school en bedrijven denk ik daarbij aan:

  • de visie op mensen (vanuit welk mensbeeld geef je het werk van de organisatie vorm)
  • de visie op bestuur en management (hoe geef je je organisatie vorm, welke functies zet je daarbij in en welke stijl van leidinggeven hanteer je?)
  • de visie op leren en werken (hoe leren mensen, hoe werken mensen in een bepaalde bedrijfstak, hoe verwacht men dat leren en werken zich in de toekomst ontwikkelen?)

Gedeelde ambitie
Samenwerken doe je niet zo maar. Je doet het (hopelijk) wel mét plezier, maar niet vóór je plezier. Je doet het om iets te bereiken en in die ambitie moet iets gemeenschappelijks zitten.
Dat vraagt om een gemeenschappelijke beantwoording van vragen als:

  • wat voor organisatie willen we zijn?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties onderling?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties en hun omgeving?
  • wat willen we betekenen? en voor wie?

Verregaande integratie
Samenwerken lijkt wel wat op samengaan. Met andere woorden, als je echt met elkaar aan het werk gaat, kun je maar beter een paar zaken met elkaar laten versmelten:

  • opleiding, na- en bijscholing
  • backoffice
  • HRM
  • huisvesting

Hoe dit er precies uit kan zien probeer ik nader onder woorden te brengen in volgende blogposts. Of het allemaal kan, moeten we meemaken door het te proberen. Wat mij betreft is het in elk geval een uitdaging die de moeite waard is. Voor onze studenten en natuurlijk voor de bedrijven en instellingen waar zij aan het werk gaan.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën