Posts Tagged 'bestuurbaarheid'

Gewoon, een kwestie van hard werken

Via Twitter stuitte ik afgelopen weekend op een brief van het LAKS aan de minister van onderwijs. Je kunt hem lezen via de volgende link: http://www.laks.nl/nieuws/nieuwsbericht/laks_stuurt_tweede_kamer_brief_over_onderwijstijd/ Het gaat me er nu niet om of ik het met alles in de brief eens ben, maar het is een verstandige, afgewogen brief. De mate van nuance is er een waar velen jaloers op kunnen zijn. En één passage zette me aan tot verder denken. In die passage betreurt het LAKS het dat de opdracht om binnen scholen een brede en informele dialoog op te zetten is losgelaten.

Daarmee kom je op een verschijnsel dat momenteel steeds grotere vormen aanneemt: de formalisering van ons onderwijs (en waarschijnlijk van een groter deel van de publieke sector). Een paar voorbeelden:

Binnen het MBO is een professioneel statuut opgesteld dat docenten een stevige positie geeft als het gaat om de inhoudelijke en personele invulling van het onderwijs. Hoe graag zou ik daarover op allerlei manieren met hen in gesprek gaan. Dat doe ik overigens ook, al zou het mooi zijn als het meer gebeurde. Maar wat moeten we nu doen: we moeten een reglement werkoverleg opstellen dat duidelijk maakt via welke spelregels dat gesprek gevoerd moet worden.

Op dezelfde manier is zijn de wet op de ondernemingsraad en de wet op de deelnemersraad aanleiding tot veel procedurele gesprekken. Vaak doen we dingen omdat de wet het voorschrijft. De vraag wat we echt nodig vinden als school, het gesprek over wat goed gaat en wat beter moet, wordt maar al te vaak vertroebeld door wet- en regelgeving. We doen dan wat we moeten doen in plaats van wat we willen doen.

De normen op onderwijstijd zijn deels terecht. Scholen worden bekostigd om een prestatie te leveren en dat dient dus ook te gebeuren. Maar we zijn intussen wel erg bezig om aan het juiste getal te komen. Moet het werken aan kwaliteit niet hoger op de agenda?

De eis om bevoegde docenten onderwijs te laten verzorgen lijkt logisch. Toch is het tevens zo dat je daarmee kijkt naar het bezit van een papieren kwalificatie in plaats van het echt waarnemen van kwaliteit. Als we studenten vragen van wie ze het meest leren, komen dan ook de bevoegde docenten om de hoek kijken? Of scoren de bevlogen ondernemers en andere ervaringsdeskundigen dan hoge(re) ogen?

Tenslotte, het gesprek over organisatiestructuur, CAO en functieprofielen leidt de aandacht vaak af van de echte opdracht die we onszelf moeten stellen: hoe klaren we met elkaar de klus waarvoor we school zijn: studenten op de beste manier zoveel mogelijk leren?

Ik ben zo bang dat we het hiermee niet gaan redden. Dat deze formalisering de ziel uit ons onderwijs haalt. Dat het juist dit is waar docenten op afknappen. Dat we dat niet kunnen repareren door een fenomeen als prestatiebeloning.

Gelukkig kwam ik in hetzelfde weekend een blog tegen waarin gepleit wordt voor goed teamwork om tot optimale prestaties te komen. Daarvoor zijn geen ingewikkelde procedures, regels en sturcturen nodig. Daarvoor zijn drie elementen van belang: inhoud, proces en relatie. En daar moet je gewoon met elkaar hard aan werken. Zie verder: http://xanderjongejan.nl/2011/10/de-3-onderdelen-van-goedteamwork/

Een nota van en voor miljoenen

Iets eerder dan gepland lag afgelopen week de miljoenennota op straat. Wat een heerlijke verrassing! Zowel journalisten als politici moesten plotseling aan de bak en werden daarmee gedwongen om hun vakmanschap te tonen. Geen voorbereide verhalen, antwoorden tijdens het lezen, vragen bedenken over wat je nog niet begrijpt. Ik vond het prachtig, dus wat mij betreft mag die miljoenennota vaker op een onverwacht moment verschijnen.

De boodschap van de miljoenennota is geen fijne. Iedereen krijgt last van de crisis, die voorlopig nog niet voorbij lijkt te zijn. Het beleid doet me sterk denken aan een presentatie die ik afgelopen week zag op TED. Daarop sprak Tim Harford over de meest succesvolle manier om innovaties te realiseren: “trial and error”: http://www.ted.com/talks/tim_harford.html?awesm=on.ted.com_9ecC

De kern van zijn boodschap probeer ik samen te vatten in enkele uitspraken:

  • De wereld is te complex om daadwerkelijk te begrijpen
  • In veel situaties spelen mensen de hoofdrol die pretenderen deze complexiteit wél te begrijpen
  • De enige manier om die pretentie waar te maken is door de complexiteit te ontkennen en een simplistische voorstelling te maken van de werkelijkheid
  • Alleen vanuit dat simplisme kunnen voorstellen gedaan worden in de verwachting dat ze de problemen zeker op zullen lossen
  • Erkenning van de complexiteit betekent dat oplossingen alleen via trial and error onderzocht en uitgeprobeerd kunnen worden

Hoe heerlijk zou het zijn als Mark Rutte de koningin dinsdag laat zeggen “We weten het niet!. We doen ons uiterste best en hebben ook wel wat ideeën om uit dit dal te komen, maar of onze voorstellen gaan werken … daar durven we onze handen niet voor in het vuur te steken!”

Onbeantwoorde vragen

Al vaker had ik het over groot- en kleinschaligheid in (onderwjis)organisaties. In een van mijn recentere blogs benoem ik decentralisatie als een van de kenmerken van “menselijk onderwijs” . In een reactie schrijft een collega-bestuurder daarover: “Sommige zaken zijn volgens mij beter en efficienter wanneer ze centraal worden aangepakt.”

Klinkt logisch, maar deze (natuurlijk niet onbekende) stelling plaats mij als bestuurder voor de nodige dilemma’s die ik graag met de lezer deel. Natuurlijk in de hoop op reacties.

Een organisatie kan niet zonder centralisatie. Het centrale is immers wat de verschillende organisatieonderdelen aan elkaar bindt. Zonder centrale elementen valt de organisatie uiteen in meerdere onderdelen. Maar wat bevindt zich in dat centrale gedeelte van de organisatie? In grote lijnen zie ik daarvoor twee mogelijkheden:

  1. De organisatie heeft een aantal centrale, inhoudelijke kenmerken.
  2. De organisatie heeft in haar backoffice een aantal zaken gecentraliseerd.

Uiteraard kun je ook voor beide mogelijkheden gaan. Maar tenminste één ervan lijkt me minimaal.

MAAR … een organisatie kan ook niet zonder decentralisatie. Ik vul het maar even in voor een school:

  • Studenten willen gekend worden. Dat vraagt om een redelijk kleine schaal.
  • Docenten willen ruimte hebben. Dat geeft hen kansen als professional en vergroot hun eigenaarschap.
  • Verschillende onderdelen hebben te maken met verschillende stakeholders. Decentralisatie vergroot de mogelijkheden om daar adequaat op in te spelen.

Daarmee ontstaat een waarachtig dilemma: een keuzemogelijkheid waaruit geen mogelijkheid tot kiezen bestaat. Ofwel … het blijft altijd schipperen tussen deze twee uitersten. En schipperen kan goed aangepakt worden, dan heet het laveren, of slecht. In dat laatste geval spreken we over zwalken.

Als bestuurder moet je dus niet kiezen, maar laveren tussen centraal en decentraal.

Het kan dus toch anders!

De uitzending van Nieuwsuur over het Zweedse Handelsbanken houdt me stevig bezig. Nooit eerder bekeek ik een item twee keer via uitzendinggemist, waarvan de tweede keer met aantekenblokje erbij. Voor de volledigheid hier een link naar deze uitzending: http://nieuwsuur.nl/video/248713-portret-van-een-bijzondere-bank.html
Op verschillende manieren zien we dat we momenteel in allerlei sectoren een crisis kennen. Daar is die grote internationale, economische en financiële crisis, die zich toespitst op de situatie in en rond Griekenland. Tegelijk zien we in Arabische landen een opstand van, met name jonge, mensen die volwaardig deel willen nemen aan de moderne wereld. Maar ook binnen ons eigen land zien we natuurlijk dat het nog steeds niet goed gaat. De banken en andere financiële instellingen lijken hun gedrag van enkele jaren geleden weer even snel op te pakken als ze het lieten vallen toen het even niet meer kon. Binnen de publieke sector kunnen we de ogen niet blijven sluiten voor het feit dat belastinggeld niet direct gebruikt wordt voor datgene waar het voor bedoeld is, maar (tot ergernis van velen) voor zelfverrijking aan de top, terwijl de werkvloer soms lijdt onder steedskleinere budgetten . Het kan, een bank zonder bonus

De genoemde uitzending maakt duidelijk dat het mogelijk is om afscheid te nemen van vanzelfsprekendheden. Bankiers kunnen prima functioneren zonder bonussen. Banken kunnen prima renderen zonder de verkoop van producten die vooral bedoeld zijn om klanten op kosten te jagen. Banken kunnen overleven als ze vooral denken aan wat goed is voor de klant inplaats van aan wat geld oplevert voor de bank.

Maar de bankenwereld is mijn wereld niet, ook al bekijk ik hem met interesse. De reportage bracht mij vooral op de vraag wat we in de publieke sector kunnen leren van Handelsbanken uit Zweden. Naast de uitzending van Nieuwsuur vond ik een wat ouder artikel in VKbanen: “Het kan, een bank zonder bonus”http://www.vkbanen.nl/banen/artikel/Het-kan-een-bank-zonder-bonus/100064.html
Op basis van deze twee bronnen haal ik een aantal elementen naar voren die we zouden kunnen vertalen naar de publieke sector.
  1. Er is geen sprake van bonussen en/of van overbodige producten. Op die manier kan het belang van de klant centraal blijven staan. Het gaat om de vraag wat goed is voor de klant, niet om de vraag wat je aan een klant kunt verdienen.
  2. Werken volgens het “kerktorenprincipe” betekent dat je vanaf de kerktoren alle klanten moet kunnen zien. “Als je je klant niet kent, kun je ook geen zaken voor hem doen”.
  3. Keep it simple! Beoordeling gebeurt aan de hand van drie overzichtelijke criteria. Bji de handelsbanken is dat:
    1. Zijn de klanten tevreden?
    2. Zijn de inkomsten hoger dan de kosten?
    3. Is de boel administratief op orde?
  4. Er is sprake van verregaande decentralisatie, waarbij de macht bij de filialen ligt.
  5. Er is sprake van transparantie en “menselijkheid:
    1. Filialen hebben inzicht in elkaars kosten
    2. De prestaties worden gepubliceerd, niet om af te rekenen, maar om elkaar tot steun te zijn.”
    3. De directeur die niet verbeterd wordt eerst geholpen en dan eventueel in een andere functie geplaatst. Ontslaan doen ze niet aan!
    4. Je hoeft niet de beste te zijn, als je maar progressie boekt.
Het moet toch te doen zijn om ook een school (ziekenhuis, verzorgingshuis, woningcorporatie, ….) op basis van deze elementen te organiseren. Ik ga er eens stevig over nadenken en hoop op suggesties en natuurlijk op kanttekeningen!

Op wiens vakmanschap is focus gericht?

Aanstaande woensdag bespreekt de tweede kamer het Actieplan MBO met de titel “Focus op vakmanschap”. Ik heb zojuist een samenvatting, inclusief commentaar op mijn weblog gezet.

Het wordt een spannende week voor het MBO. Kort gezegd komt het er wat mij betreft op neer dat met het plan goede ambities omgezet worden in een uitvoeringsagenda die onhaalbaar, want onuitvoerbaar en onbetaalbaar is.

Daar komt bij dat het plan wat mij betreft een ander element blootlegt: het gebrek aan vertrouwen van de politiek in de scholen die uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de realisatie van goed onderwijs.

Het vakmanschap, waar dus volgens de titel de focus op moet liggen, van alle betrokkenen wordt feitelijk miskend. De ontwikkeling van vakmanschap wordt onmogelijk gemaakt.

Op de eerste plaats geldt dat voor onze deelnemers. Het vakmanschap dat werkgevers van hen verwachten wordt vervangen door een verhoging van taal- en rekenvaardigheid in algemene zin. Alle initiatieven om deze vaardigheden aan te leren gekoppeld aan het beroep waarvoor deelnemers opgeleid worden, worden om zeep geholpen. Ik zie het gebeuren dat ze straks “gewoon” meedoen aan het HAVO-examen. Wel zo handig en wel zo goedkoop.

Het vakmanschap van onze docenten wordt ontkend. Dus gaan we over tot verdere standaardisering. Nu de examens, straks krijgen we staatspedagogiek die ook de programma’s voorschrijft.

Veel van ons onderwijs krijgt nu vorm in de praktijk. Logisch, want daar gebeurt het. Dat is waarvoor onze deelnemers gemotiveerd zijn: werken in de echte praktijk. Ze leren het meeste van het aanpakken van datgene wat ze daar tegenkomen. Maar ze komen er straks steeds minder tegen, want ze worden teruggestuurd naar de schoolbankjes (die ze vaak met een zucht van opluchting achter zich gelaten dachten te hebben).

Ook het vakmanschap van de mensen die deelnemers in die praktijk tegenkomen en die hen begeleiden, wordt door deze plannen ontkend. Anders zou je het toch niet in je hoofd halen om ze daar weg te halen?

Tenslotte wordt het vakmanschap van management en bestuur van onze scholen ontkend. Dus schrijft het plan en detail voor hoe het een en ander gerealiseerd moet worden.

Ik ontken niet dat er veel beter kan en moet op onze scholen. Die verantwoordelijkheid neem ik mét collega’s in school, mét de rest van onze sector en mét de partners in onze omgeving graag op me. Maar laat het ons dan ook even uitzoeken!

Actieplan MBO, samenvatting en reacties

Hieronder volgt een samenvatting van het Actieplan MBO. Dit is overgenomen van het weblog van Frank Tromp (ROCVA), waarvoor dank.

De verschillende onderdelen worden gevolgd door een reactie waarvoor ikzelf, in overleg met enkele collega-bestuurders, verantwoordelijk ben.

Focus op vakmanschap

Het plan bevat de volgende doelstellingen:

– verhoging kwaliteit

– verbetering besturing en bedrijfsvoering

– vereenvoudiging van het BVE stelsel

Het is nog te vroeg om alle doelstellingen in het plan te vertalen naar concrete gevolgen voor de ROC’s. Getuige het aantal wijzigingen in het veld van het MBO, kan wel worden geconcludeerd dat alle ROC’s de gevolgen van het plan zullen gaan voelen. Niet alleen de toekenning van middelen zal sterk veranderen en nog meer afhankelijk zijn van de prestaties van het ROC. Ook de opzet van MBO-opleidingen zal veranderen.

Algemene reactie:

Het plan is gebaseerd op ambities die passen bij de ambities van de instellingen: we willen beter worden, we willen het beter doen, we moeten het eenvoudiger en beter uitvoerbaar maken. De sector moet de uitdaging aangaan om deze ambities te realiseren, ook in een tijd waarin bezuinigingen onontkoombaar lijken. De omvang van deze bezuinigingen is wellicht te dragen, de wijze van invulling roept grote vraagtekens op.

Het plan miskent de specifieke grondslag van de ROC-vorming en het Middelbaar Beroepsonderwijs. ROC’s zijn ingericht om integraal te kunnen werken op basis van de regionale context. Dat vraagt om een totaalpakket en om diversiteit. Het plan knabbelt aan het totaal en gaat uit van uniformiteit. Het knabbelt zowel aan het in 1996 beoogde ROC model (community college) als aan het beroepsonderwijs algemeen (zie ook daar waar wij ingaan op avo-isering ten gevolge van dit plan).

Het plan ademt een sfeer van wantrouwen uit jegens de ROC’s. Ze hebben er een puinhoop van gemaakt en we gebruiken deze bezuinigingsronde om weer meer grip te krijgen op deze instellingen.

Het plan is niet consistent met eerdere kabinetsreacties op bijvoorbeeld het rapport van de commissie Dijsselbloem (OCW is voor ‘wat’, de instellingen gaan over ‘hoe’) en de commissie Oudeman (bewaar rust in het veld, de instellingen zijn op de goede weg, geen reden tot forse ingrepen). In tegenstelling tot hetgeen deze commissies adviseren behelst het plan, gezien haar strekking en impact, een stelselwijziging.

Het plan discrimineert het MBO tov het HBO (bekostiging oudere deelnemers, ruimte voor invulling aan de instellingen).

De plannen van de minister kunnen worden samengevat in de volgende punten:

1. Verhoging kwaliteit

Meer onderwijstijd, intensiveren en verkorten opleidingen

De onderwijstijd voor het eerste leerjaar wordt verhoogd naar 1.000 uren waarvan 750 onder begeleiding. De overige leerjaren blijven gehandhaafd op 850 uren waarvan 600 onder begeleiding en 250 uren BPV.

Zonder in herhaling te vervallen, wijzen we hier nogmaals op het feit dat OCW zich op deze manier expliciet bezighoudt met de wijze waarop het beroepsonderwijs uitgevoerd dient te worden. Beter zou het zijn om de sector de opdracht te geven om met een plan te komen dat leidt tot intensievere en kortere opleidingen.

De ruimte voor BPV wordt hier drastisch beperkt. Dat is te zien als een stap terug. Het specifieke van beroepsonderwijs wordt ermee ontkend en de avo-isering doet zijn intrede. De verlaging van het maximum aandeel BPV frustreert de implementatie van CGO. Meer dan voorheen vindt het opdoen van inzicht, vaardigheden en beroepshouding plaats in de praktijk. Dat wordt hiermee miskent. In plaats van een generieke maatregel zou het een opdracht voor de ROC’s en het regionale bedirjfsleven meoten zijn om te komen tot een optimum ten aanzien van de omvang van de BPV, in combinatie met een inhoudelijk optimale invulling van dit deel van de opleiding.

De grote vrees is dat de minister op basis hiervan ook de discussie opstart over de vraag wat wel of niet onder begeleide onderwijstijd gaat vallen. Hoe zit het met tijd die doorgebracht wordt in interne of externe leerbedrijven, niet zijnde BPV-plaatsen? Aan welke eisen moet voldaan worden om dit als begeleide onderwijstijd te laten tellen? Of meotten die 750/600 uren doorgebracht worden in een klaslokaal met rijtjes schoolbanken? Wordt vernieuwing beperkt tot vervanging van het schoolboord door het digibord?

De opleidingsduur wordt verkort van 4 naar 3 jaar (niveau 4). De bekostiging gaat per leerjaar verschillen. Eerste jaars studenten tellen zwaarder mee in de bekostiging dan 2e jaars. 2e jaars tellen zwaarder mee dan  3e jaars studenten etc. In het plan wordt verondersteld dat de verkorting van de opleidingsduur het mogelijk moet maken om meer onderwijstijd te kunnen bieden.

Deze maatregel staat in elk geval op zeer gespannen voet met de ambitie om het onderwijs eenvoudiger en transparanter te maken. Onduidelijk is wat de effecten hiervan zijn.

Wat gebeurt er als een deelnemer na een jaar besluit om over te stappen naar een andere opleiding? Begint dan opnieuw zijn eerste jaar (van de opleiding) of gaat hij naar zijn tweede jaar (van de school)? En als hij overstapt naar een andere opleiding in een andere instelling?

Hoe zit het met een deelnemer die na zijn driejarige niveau 3 opleiding door wil naar niveau 4. Krijgt die het vierde jaar niet meer bekostigd?

Worden met deze maatregel geen verkeerde prikkels ingebouwd die leiden tot misstanden die we juist uit willen bannen?

Effectievere en efficientere opleidingen kunnen wellicht in een kortere periode uitgevoerd worden. Invoering van een dergelijke maatregel vraagt om nader onderzoek t.a.v. de vraag hoe dit het beste gerealiseerd kan worden. Het grote risico van het afkondigen van een dergelijke maatregel is dat een en ander met vallen en opstaan ingevoerd wordt. Deelnemers zullen hiervan de wrange vruchten plukken.

Betere examens

De minister wil de MBO examens verbeteren en zet het examenbeleid voort. Er komen landelijke examens voor de Nederlandse en Engelse taal en voor rekenen.

Uit de nul-metingen rekenen en taal blijkt dat landelijk ongeveer de helft van de instroom in het mbo niet het taalniveau heeft dat aan het einde van eht vmbo behaald moet zijn. Voor rekenen voldoet een nog groter deel niet aan de niveauvereisten. Er zijn dus afspraken met (of eisen aan) het vmbo nodig om de kwaliteit van de instroom omhoog te brengen.

Jammer is ook dat hiermee alle goede ontwikkelingen om taal en rekenen in de context van beroepsonderwijs te leren en te examineren verdwijnen.

Organisatorisch en financieel is niet duidelijk of het mogelijk en betaalbaar is. Het lijkt of voor het afnemen van examens volledige lokalen apart ingericht moeten worden, inclusief een forse investering qua automatisering. Vraag is of dit betaalbaar en organiseerbaar is.

Professionalisering docenten

De minister stelt het bij- en nascholen van leraren verplicht. Bovendien komt er een lerarenregister.

Het streven naar een register kan een impuls zijn voor verdere kwaliteitsverbetering. Tegelijk zijn er nog vele vragen die in dit kader om een antwoord vragen.

Regionaal aanbod opleidingen

De minister wil een einde maken aan de concurrentie tussen ROC’s en stelt een autoriteit in die overleg tussen de ROC’s mogelijk moet gaan maken. In de toekomst zal een stichting toezien op doelmatig aanbod in de regio’s. Dit betekent dat de ROC’s samen het opleidingenaanbod moeten gaan verdelen. De stichting zal tevens arbitreren bij eventuele geschillen tussen ROC’s.

Waarom wordt het niet aan de instellingen in de regio overgelaten om dit voor elkaar te krijgen. Zij moeten een en ander betaalbaar organiseren en in alle gevallen voldoen aan kwaliteitseisen. Laat bestuur en toezicht van de sector keuzes maken die ten goede komen aan deelnemers en het regionale bedrijfsleven. Laat hen aan die stakeholders verantwoording afleggen over gemaakte keuzes.

VM2

De VM2 regeling (combinatie van VMBO en MBO opleiding) wordt verlengd en per augustus 2012 omgezet in een wettelijk kader.

Omzetting in een wettelijk kader vraagt nadere evaluatie van lopende experimenten. Op basis daarvan dienen uitspraken gedaan te worden over de positie van VMBO en MBO in deze regeling.

2. Besturing en bedrijfsvoering op orde

Er komt een zogenaamde prestatiebox waarmee de prestaties op gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de tevredenheid van het bedrijfsleven in financiële middelen wordt omgezet. Hoe beter de prestaties, hoe meer geld de instelling ontvangt.

3. Vereenvoudiging van het BVE stelsel

30+ maatregel

De uitwerking van de 30+ maatregel is nog niet bekend is gemaakt in dit plan. Daarmee blijft onzekerheid bestaan over de financiering van onderwijs voor mensen van 30 jaar en ouder. De minister belooft dat deze maatregel in mei op de agenda van de ministerraad komt en in september in de 2e kamer zal worden behandeld. Beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2012.

Inmiddels heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen omtrent de compensatie die voor deze maatregel geboden wordt. Voor wat betreft de bezuiniging lijkt daarmee de kou uit de lucht, alhoewel het nog steeds zo is dat de compensatie een stuk lager is dan de omvang van de bezuiniging.

Bovendien roept de brief nog tal van vragen op:

  • Waarom alleen BBL-trajecten voor 30+? Ook hier weer in tegenstelling tot het HBO, waar voltijds trajecten voor oudere studenten gewoon bekostigd worden? Het lijkt dat met name de laaggeschoolden die op jonge leeftijd de stap naar de arbeidsmarkt gezet hebben de dupe van deze maatregel worden. Daarmee zijn het de zwakkeren die deze lasten dragen, terwijl (bijvoorbeeld in het HO) de sterke schouders alle kans krijgen om met volledige bekostiging “een leven lang leren” tot realiteit te maken.
  • Hoe valt de landelijke limiet aan het aantal deelnemers (gesteld op 47.000) te controleren, met het oog op de continue en decentrale in- en uitstroom van deze deelnemers?
  • Het ziet er naar uit dat de bekostiging per deelnemer via de compensatie lager is dan de reguliere bekostiging? Hoe valt dat te verklaren en te vertalen naar de bedrijfsvoering? Hoe kan de instelling onderscheid in het programma realiseren tussen een 29-jarige en een 30-jarige? Moeten er verschillende programma’s opgezet worden? Moeten deze deelnemers in verschillende groepen geplaatst worden?
  • De compenserende maatregel geldt per deelnemer slechts voor twee jaar. Betekent dit dat oudere deelnemers van niveau 3/4 onderwijs worden uitgesloten? Hoe verhoudt dit zich tot de ambitie om juist te investeren in kennis en een hoger kennisniveau? Voor deze doelgroep wordt afscheid genomen van het idee van een Leven Lang Leren.

De grote vrees is dat deze met gejuich onthaalde compensatie een doekje voor het bloeden zal blijken te zijn dat weer forse nieuwe vraagstukken oproept.

Einde drempelloze instroom

De drempelloze instroom in niveau 2 van het mbo wordt beëindigd. Voor toelating voor een niveau 2 opleiding hebben studenten voortaan een diploma voortgezet onderwijs nodig of een diploma niveau 1. Daarnaast wordt voor ongediplomeerde jongeren, die bijvoorbeeld na enkele jaren werken weer willen gaan leren, een toelatingsonderzoek op instellingsniveau ingevoerd. Als ze dit met positief resultaat afronden, kunnen ze instromen op niveau 2, anders op niveau 1. De beoogde inwerkingtreding is het schooljaar 2013-2014.

Dit is een van de maatregelen waarbij het MBO nadelig wordt behandeld tov het HBO. Om het niveau van het HBO omhoog te brengen worden eisen gesteld aan het voorafgaande traject. Dus moet het MBO deelnemers beter gaan voorbereiden op het HBO.

De instroom in het MBO wordt slechts gekoppeld aan een diploma, zonder dat gekeken wordt naar de vraag of daarmee inhoudelijk gezien de kwaliteit van de instroom daadwerkelijk beter wordt. Is het niet zo dat het grootste deel van de instroom wel degelijk over een VMBO-diploma beschikt? Is het niet zo dat deze diploma’s voor een deel onvoldoende de kwlaiteit representeren die nodig is voor succesvolle doorstroom? Waarom wordt daar niet naar gekeken? Is het werkelijk zo dat met de diploma-eis de kwaliteit van de instroom gewaarborgd is?

 Entree opleidingen

De MBO opleidingen op niveau 1 krijgen een nieuwe naam namelijk “entree opleidingen”. Deze opleidingen worden apart gefinancierd en er wordt een bindend studieadvies ingevoerd, waarmee scholen een leerprestatie kunnen afdwingen. De ROC’s ontvangen voor entree opleidingen een vast budget.

Betekent een apart budget ook aparte verantwoording. De MBO-raad stelt voor om dit budget uiteindelijk aan de lumpsum toe te voegen. Daarmee ontstaat vrijheid voor de instelling om het adequaat in te zetten. Verantwoording vindt dan niet plaats op de inzet van middelen, maar op de gerealiseerde prestaties.

Grote vraag is wat er gebeurt als zich meer deelnemers aanmelden voor deze opleiding, dan waar de bekostiging vanuit gaat. Het kan niet zo zijn dat vanwege het bereiken van een maximum jongeren op dit niveau geen toegang meer tot deze opleidingen hebben.

Vavo onder rijksaansturing

De bekostiging van het Vavo komt met ingang van 1 augustus 2014 vanuit het Rijk en is alleen beschikbaar voor mensen tot 30 jaar.

Grote onduidelijkheid over de wijze waarop dit precies geregeld zal worden, betekent dat een oordeel hier niet gegeven kan worden. Het uitgangspunt om dit onderwijs direct onder OC&W te brengen verdient steun.

De onherkenbaarheid van de politiek

Met velen volg ik de ontwikkelingen rondom de kabinetsformatie. Het ziet er naar uit dat we afstevenen op een rechts kabinet. Volgens mij is dat slecht voor het land en met name voor bepaalde groepen in het land. Maar daar gaat dit blog niet over.
Ik wil even stilstaan bij de manier waarop ee in ons land omgaan met kabinetsformaties. Als we de peilingen een beetje serieus nemen zijn de kiezers alleen maar meer op drift geraakt in deze periode na de verkiezingen. Dat kan niet komen door beleid, want dat wordt momenteel niet gemaakt.
Dus ook nu bepalen andere zaken het stemgedrag van mensen. Het lijkt meer te gaan om de manier waarop politieke leiders hun formatiegedrag weten te verkopen dan om inhoudelijke keuzes die gemaakt worden.
Integendeel, standpunten worden ingewisseld en dat is niet meer dan een tussenkopje in de krant waard. Zouden kiezers straks bijvoorbeeld het onderstaande accepteren:
– PVV accepteert verhoging AOW-leeftijd
– CDA accepteert bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking
Willen kiezers zo graag dat hun partij gaat regeren? Zijn zij ook zo machtsgeil als de politici zelf?
Ik ben wel blij dat de PvdA een aantal zaken als onacceptabel heeft benoemd tijdens de paarsplus onderhandelingen. Je moet als partij immers ook op inhoud een akkoord kunnen verkopen.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën