Posts Tagged 'bezuiniging'

Hoe sneller, hoe beter?

Ik maak me zorgen over een grote groep jongeren. Ik denk zelfs over de grote meerderheid van al onze jongeren. De belangrjkste reden daarvoor? Het onderwijsbeleid sluit niet aan bij de natuurlijke ontwikkeling van de jeugd.

In deze tijd van financiële krapte lijkt het alsof de titel van deze blogpost ook het motto van het ministerie is. We hebben hoge ambities als het gaat om het opleidingsniveau van de nederlandse jeugd, maar we hebben er niet heel veel geld voor over. Dus moet het allemaal zo snel (en dus goedkoop) mogelijk.

Ik geef een voorbeeld uit de sector waarin ik werkzaam ben, het MBO. Het onderwijs in het MBO is verdeeld in vier niveaus en in honderden opleidingen. Nou spelen er twee dingen:

  1. Jongeren worden geacht op hun 16e/17e uit die honderden opleidingen die ene te kiezen die bij hen past.
  2. Jongeren moeten direct instromen op het juiste niveau en op dat niveau het diploma te halen.
Waarom is dit onmogelijk en onwenselijk?
De meeste jongeren weten op die leeftijd nog niet zo nauwkeurig wat ze eigenlijk willen (worden). Voor degenenen die op een hoger niveau van het ondrwijssysteem actief zijn is dat probleem al iets minder. Zij kiezen later en vaak ook nog uit een wat bredere universitaire opleidingen, waarin de specialisatie pas later komt.
Binnen het MBO ontdekken jongeren vaak pas gedurende de rit wat ze nou eigenlijk gekozen hebben. En ook krijgen ze pas later scherp of hun keuze wel echt past bij hun ambitie, affiniteit en capaciteit.
En verder kennen we allemaal het verschijnsel van de “laatbloeiers”. Degenen die pas iets later “de geest krijgen” en daarmee de motivatie op kunnen brengen om er een schepje bovenop te gooien voor wat betreft de studie.
Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar in elk geval is duidelijk geworden dat de hersenen van jongeren zich zo ontwikkelen dat het vragen om een weldoordachte en toekomstbepalende keuze op zestienjarige leeftijd een onmogelijkheid is.
En waarom sta ik hier nu bij stil?
Het ministerie heeft aangekondigd dat er minder ruimte komt voor switchen (van opleiding) en stapelen (van niveau/diploma). Scholen krijgen in de toekomst minder bekostigd voor een deelnemer die, door een van deze oorzaken, langer over het MBO doet. Dat is overigens al lang geleden aangekondigd, maar langzaam maar zeker wordt nu duidelijk hoe dat uitpakt.
Daarmee zal het ministerie  de ruimte voor scholen om in te spelen op wat ik hierboven schets drastisch beperken.
Het ministerie lijkt de illusie te hebben dat een betere intake zal voorkomen dat jongeren ontdekken dat ze eigenlijk iets anders willen of dat ze eigenlijk best in staat zijn om dat hogere  niveau aan te kunnen.
Met de maatregelen die het ministerie hiervoor treft maakt men duidelijk jongeren en hun schoolloopbaan eigenlijk vooral als kostenpost te zien.
Wat mij betreft komt er weer ruimte voor beleid op basis van het uitgangspunt dat het hier gaat om investeringen in de toekomst.

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.

Met minder geld meer en beter onderwijs?

Het klinkt tegenstrijdig, maar toch lijkt de titel van dit blog de opdracht voor het MBO aardig weer te geven. Het actieplan MBO “Focus op vakmanschap” beschrijft maatregelen waarmee zowel kwaliteitsverbetering als besparingen gerealiseed zouden moeten worden. Is dit mogelijk?
We zullen manieren moeten vinden om beide zaken zo goed mogelijk voor elkaar te krijgen. In het blad Backstage werd een aantal mensen gevraagd om te reageren op deze paradox. Ik haal er enkele citaten uit die mij aan het denken zetten.
Aan het einde geef ik als conclusie de belangrijkste elementen weer als opdracht voor bestuurders.

Olaf McDaniel, directeur CBE Consultants
De leraren moeten beter en die leraren moeten een hogere productie leveren. Dat is nodig want het aantal productieve uren is erg laag.
Wil je naar de top-5 van de mondiale kenniseconomie, dan meoten de scholen 45 weken per jaar open zijn.
Ik zet in op de versterking van de professionaliteit van de docenten om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren en hun belastbaarheid omhoog te brengen.

Eric Zwaart, ABN AMRO, sector banker onderwijs
Als het aan het kabinet ligt zal de lengte van de opleidingen van het mbo van 4 naar 3 jaar gaan en kan een leerling niet zonder drempel van het vmbo naar het mbo. Dat zal leiden tot omzetvermindering, die niet kan worden opgevangen. Dat betekent opnieuw reorganiseren, Een slecht vooruitzicht, …
Minder deelnemers, minder geld. Het is dus belangrijk om rekening te houden met de regionale speerpunten en je als mbo te positioneren op je sterke punten. Gevolg van de krimp is dat het onderwijsnetwerk minder fijnmazig wordt. De juiste keuze in regioverband voor goed en goed bereikbaar onderwijs is van groot belang.

Frank Kalshoven, medeoprichter De Argumentenfabriek, initiator De Netwerkschool
De Netwerkschool denkt vanuit het belang van de student en niet dat van de organisatie of de docent.
Voor hem (=de student) kan de school 52 weken per jaar open zijn en kan die mbo-opleiding best in drie jaar worden gedaan. De heersende aanpak dateert in essentie nog uit de 19e eeuw.
Verder is de ICT-revolutie die het maatschappelijk leven heeft veranderd, grotendeels aan het onderwijs voorbij gegaan.
Docenten besteden volgens schattingen momenteel niet meer dan de helft van hun tijd aan het primaire proces. Als dat enige tientallen procenten omhoog kan, houdt het onderwijs bakken met geld over.

Ben Geerdink, voorzitter college van bestuur ROC RijnIJssel, lid raad van toezicht Kennisnet, voorzitter saMBO-ICT
De kracht om te veranderen komt neer op de rug van de docenten. Dat betekent een hogere werkdruk.
Met het slim inzetten van ICT is in het mbo nog veel te winnen.
(over co-financiering:) Een opleiding moet niet te afhankelijk zijn van de markt. Dat kan link zijn. Toch zal een mbo-school moeten beseffen wat de vraag is van het bedrijfsleven.

Lars Bovenberg, hoogleraar economie Universiteit van Tilburg
Ik zie veel in nieuwe financieringsvormen. Kijk naar de sponsoring van leerstoelen aan de universiteiten, Rijke mensen die een erfenis besteden aan onderwijs. De populariteit van het maatschappelijk ondernemen. Dat kan ook het mbo ten goede komen.

Concluderend, vat ik bovenstaande samen als opdracht aan bestuurders. Deze bestaat uit de volgende elementen:
– Zet in op verhoging van de productiviteit van docenten
– Zet in op professionalisering van docenten
– Zet in op meer en betere inzet van ICT in het onderwijs en de organisatie
– Kies voor een heldere positionering in de regio op basis van regionale speerpunten
– Onderzoek nieuwe financieringsmogelijkheden

Actieplan MBO, samenvatting en reacties

Hieronder volgt een samenvatting van het Actieplan MBO. Dit is overgenomen van het weblog van Frank Tromp (ROCVA), waarvoor dank.

De verschillende onderdelen worden gevolgd door een reactie waarvoor ikzelf, in overleg met enkele collega-bestuurders, verantwoordelijk ben.

Focus op vakmanschap

Het plan bevat de volgende doelstellingen:

– verhoging kwaliteit

– verbetering besturing en bedrijfsvoering

– vereenvoudiging van het BVE stelsel

Het is nog te vroeg om alle doelstellingen in het plan te vertalen naar concrete gevolgen voor de ROC’s. Getuige het aantal wijzigingen in het veld van het MBO, kan wel worden geconcludeerd dat alle ROC’s de gevolgen van het plan zullen gaan voelen. Niet alleen de toekenning van middelen zal sterk veranderen en nog meer afhankelijk zijn van de prestaties van het ROC. Ook de opzet van MBO-opleidingen zal veranderen.

Algemene reactie:

Het plan is gebaseerd op ambities die passen bij de ambities van de instellingen: we willen beter worden, we willen het beter doen, we moeten het eenvoudiger en beter uitvoerbaar maken. De sector moet de uitdaging aangaan om deze ambities te realiseren, ook in een tijd waarin bezuinigingen onontkoombaar lijken. De omvang van deze bezuinigingen is wellicht te dragen, de wijze van invulling roept grote vraagtekens op.

Het plan miskent de specifieke grondslag van de ROC-vorming en het Middelbaar Beroepsonderwijs. ROC’s zijn ingericht om integraal te kunnen werken op basis van de regionale context. Dat vraagt om een totaalpakket en om diversiteit. Het plan knabbelt aan het totaal en gaat uit van uniformiteit. Het knabbelt zowel aan het in 1996 beoogde ROC model (community college) als aan het beroepsonderwijs algemeen (zie ook daar waar wij ingaan op avo-isering ten gevolge van dit plan).

Het plan ademt een sfeer van wantrouwen uit jegens de ROC’s. Ze hebben er een puinhoop van gemaakt en we gebruiken deze bezuinigingsronde om weer meer grip te krijgen op deze instellingen.

Het plan is niet consistent met eerdere kabinetsreacties op bijvoorbeeld het rapport van de commissie Dijsselbloem (OCW is voor ‘wat’, de instellingen gaan over ‘hoe’) en de commissie Oudeman (bewaar rust in het veld, de instellingen zijn op de goede weg, geen reden tot forse ingrepen). In tegenstelling tot hetgeen deze commissies adviseren behelst het plan, gezien haar strekking en impact, een stelselwijziging.

Het plan discrimineert het MBO tov het HBO (bekostiging oudere deelnemers, ruimte voor invulling aan de instellingen).

De plannen van de minister kunnen worden samengevat in de volgende punten:

1. Verhoging kwaliteit

Meer onderwijstijd, intensiveren en verkorten opleidingen

De onderwijstijd voor het eerste leerjaar wordt verhoogd naar 1.000 uren waarvan 750 onder begeleiding. De overige leerjaren blijven gehandhaafd op 850 uren waarvan 600 onder begeleiding en 250 uren BPV.

Zonder in herhaling te vervallen, wijzen we hier nogmaals op het feit dat OCW zich op deze manier expliciet bezighoudt met de wijze waarop het beroepsonderwijs uitgevoerd dient te worden. Beter zou het zijn om de sector de opdracht te geven om met een plan te komen dat leidt tot intensievere en kortere opleidingen.

De ruimte voor BPV wordt hier drastisch beperkt. Dat is te zien als een stap terug. Het specifieke van beroepsonderwijs wordt ermee ontkend en de avo-isering doet zijn intrede. De verlaging van het maximum aandeel BPV frustreert de implementatie van CGO. Meer dan voorheen vindt het opdoen van inzicht, vaardigheden en beroepshouding plaats in de praktijk. Dat wordt hiermee miskent. In plaats van een generieke maatregel zou het een opdracht voor de ROC’s en het regionale bedirjfsleven meoten zijn om te komen tot een optimum ten aanzien van de omvang van de BPV, in combinatie met een inhoudelijk optimale invulling van dit deel van de opleiding.

De grote vrees is dat de minister op basis hiervan ook de discussie opstart over de vraag wat wel of niet onder begeleide onderwijstijd gaat vallen. Hoe zit het met tijd die doorgebracht wordt in interne of externe leerbedrijven, niet zijnde BPV-plaatsen? Aan welke eisen moet voldaan worden om dit als begeleide onderwijstijd te laten tellen? Of meotten die 750/600 uren doorgebracht worden in een klaslokaal met rijtjes schoolbanken? Wordt vernieuwing beperkt tot vervanging van het schoolboord door het digibord?

De opleidingsduur wordt verkort van 4 naar 3 jaar (niveau 4). De bekostiging gaat per leerjaar verschillen. Eerste jaars studenten tellen zwaarder mee in de bekostiging dan 2e jaars. 2e jaars tellen zwaarder mee dan  3e jaars studenten etc. In het plan wordt verondersteld dat de verkorting van de opleidingsduur het mogelijk moet maken om meer onderwijstijd te kunnen bieden.

Deze maatregel staat in elk geval op zeer gespannen voet met de ambitie om het onderwijs eenvoudiger en transparanter te maken. Onduidelijk is wat de effecten hiervan zijn.

Wat gebeurt er als een deelnemer na een jaar besluit om over te stappen naar een andere opleiding? Begint dan opnieuw zijn eerste jaar (van de opleiding) of gaat hij naar zijn tweede jaar (van de school)? En als hij overstapt naar een andere opleiding in een andere instelling?

Hoe zit het met een deelnemer die na zijn driejarige niveau 3 opleiding door wil naar niveau 4. Krijgt die het vierde jaar niet meer bekostigd?

Worden met deze maatregel geen verkeerde prikkels ingebouwd die leiden tot misstanden die we juist uit willen bannen?

Effectievere en efficientere opleidingen kunnen wellicht in een kortere periode uitgevoerd worden. Invoering van een dergelijke maatregel vraagt om nader onderzoek t.a.v. de vraag hoe dit het beste gerealiseerd kan worden. Het grote risico van het afkondigen van een dergelijke maatregel is dat een en ander met vallen en opstaan ingevoerd wordt. Deelnemers zullen hiervan de wrange vruchten plukken.

Betere examens

De minister wil de MBO examens verbeteren en zet het examenbeleid voort. Er komen landelijke examens voor de Nederlandse en Engelse taal en voor rekenen.

Uit de nul-metingen rekenen en taal blijkt dat landelijk ongeveer de helft van de instroom in het mbo niet het taalniveau heeft dat aan het einde van eht vmbo behaald moet zijn. Voor rekenen voldoet een nog groter deel niet aan de niveauvereisten. Er zijn dus afspraken met (of eisen aan) het vmbo nodig om de kwaliteit van de instroom omhoog te brengen.

Jammer is ook dat hiermee alle goede ontwikkelingen om taal en rekenen in de context van beroepsonderwijs te leren en te examineren verdwijnen.

Organisatorisch en financieel is niet duidelijk of het mogelijk en betaalbaar is. Het lijkt of voor het afnemen van examens volledige lokalen apart ingericht moeten worden, inclusief een forse investering qua automatisering. Vraag is of dit betaalbaar en organiseerbaar is.

Professionalisering docenten

De minister stelt het bij- en nascholen van leraren verplicht. Bovendien komt er een lerarenregister.

Het streven naar een register kan een impuls zijn voor verdere kwaliteitsverbetering. Tegelijk zijn er nog vele vragen die in dit kader om een antwoord vragen.

Regionaal aanbod opleidingen

De minister wil een einde maken aan de concurrentie tussen ROC’s en stelt een autoriteit in die overleg tussen de ROC’s mogelijk moet gaan maken. In de toekomst zal een stichting toezien op doelmatig aanbod in de regio’s. Dit betekent dat de ROC’s samen het opleidingenaanbod moeten gaan verdelen. De stichting zal tevens arbitreren bij eventuele geschillen tussen ROC’s.

Waarom wordt het niet aan de instellingen in de regio overgelaten om dit voor elkaar te krijgen. Zij moeten een en ander betaalbaar organiseren en in alle gevallen voldoen aan kwaliteitseisen. Laat bestuur en toezicht van de sector keuzes maken die ten goede komen aan deelnemers en het regionale bedrijfsleven. Laat hen aan die stakeholders verantwoording afleggen over gemaakte keuzes.

VM2

De VM2 regeling (combinatie van VMBO en MBO opleiding) wordt verlengd en per augustus 2012 omgezet in een wettelijk kader.

Omzetting in een wettelijk kader vraagt nadere evaluatie van lopende experimenten. Op basis daarvan dienen uitspraken gedaan te worden over de positie van VMBO en MBO in deze regeling.

2. Besturing en bedrijfsvoering op orde

Er komt een zogenaamde prestatiebox waarmee de prestaties op gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de tevredenheid van het bedrijfsleven in financiële middelen wordt omgezet. Hoe beter de prestaties, hoe meer geld de instelling ontvangt.

3. Vereenvoudiging van het BVE stelsel

30+ maatregel

De uitwerking van de 30+ maatregel is nog niet bekend is gemaakt in dit plan. Daarmee blijft onzekerheid bestaan over de financiering van onderwijs voor mensen van 30 jaar en ouder. De minister belooft dat deze maatregel in mei op de agenda van de ministerraad komt en in september in de 2e kamer zal worden behandeld. Beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2012.

Inmiddels heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen omtrent de compensatie die voor deze maatregel geboden wordt. Voor wat betreft de bezuiniging lijkt daarmee de kou uit de lucht, alhoewel het nog steeds zo is dat de compensatie een stuk lager is dan de omvang van de bezuiniging.

Bovendien roept de brief nog tal van vragen op:

  • Waarom alleen BBL-trajecten voor 30+? Ook hier weer in tegenstelling tot het HBO, waar voltijds trajecten voor oudere studenten gewoon bekostigd worden? Het lijkt dat met name de laaggeschoolden die op jonge leeftijd de stap naar de arbeidsmarkt gezet hebben de dupe van deze maatregel worden. Daarmee zijn het de zwakkeren die deze lasten dragen, terwijl (bijvoorbeeld in het HO) de sterke schouders alle kans krijgen om met volledige bekostiging “een leven lang leren” tot realiteit te maken.
  • Hoe valt de landelijke limiet aan het aantal deelnemers (gesteld op 47.000) te controleren, met het oog op de continue en decentrale in- en uitstroom van deze deelnemers?
  • Het ziet er naar uit dat de bekostiging per deelnemer via de compensatie lager is dan de reguliere bekostiging? Hoe valt dat te verklaren en te vertalen naar de bedrijfsvoering? Hoe kan de instelling onderscheid in het programma realiseren tussen een 29-jarige en een 30-jarige? Moeten er verschillende programma’s opgezet worden? Moeten deze deelnemers in verschillende groepen geplaatst worden?
  • De compenserende maatregel geldt per deelnemer slechts voor twee jaar. Betekent dit dat oudere deelnemers van niveau 3/4 onderwijs worden uitgesloten? Hoe verhoudt dit zich tot de ambitie om juist te investeren in kennis en een hoger kennisniveau? Voor deze doelgroep wordt afscheid genomen van het idee van een Leven Lang Leren.

De grote vrees is dat deze met gejuich onthaalde compensatie een doekje voor het bloeden zal blijken te zijn dat weer forse nieuwe vraagstukken oproept.

Einde drempelloze instroom

De drempelloze instroom in niveau 2 van het mbo wordt beëindigd. Voor toelating voor een niveau 2 opleiding hebben studenten voortaan een diploma voortgezet onderwijs nodig of een diploma niveau 1. Daarnaast wordt voor ongediplomeerde jongeren, die bijvoorbeeld na enkele jaren werken weer willen gaan leren, een toelatingsonderzoek op instellingsniveau ingevoerd. Als ze dit met positief resultaat afronden, kunnen ze instromen op niveau 2, anders op niveau 1. De beoogde inwerkingtreding is het schooljaar 2013-2014.

Dit is een van de maatregelen waarbij het MBO nadelig wordt behandeld tov het HBO. Om het niveau van het HBO omhoog te brengen worden eisen gesteld aan het voorafgaande traject. Dus moet het MBO deelnemers beter gaan voorbereiden op het HBO.

De instroom in het MBO wordt slechts gekoppeld aan een diploma, zonder dat gekeken wordt naar de vraag of daarmee inhoudelijk gezien de kwaliteit van de instroom daadwerkelijk beter wordt. Is het niet zo dat het grootste deel van de instroom wel degelijk over een VMBO-diploma beschikt? Is het niet zo dat deze diploma’s voor een deel onvoldoende de kwlaiteit representeren die nodig is voor succesvolle doorstroom? Waarom wordt daar niet naar gekeken? Is het werkelijk zo dat met de diploma-eis de kwaliteit van de instroom gewaarborgd is?

 Entree opleidingen

De MBO opleidingen op niveau 1 krijgen een nieuwe naam namelijk “entree opleidingen”. Deze opleidingen worden apart gefinancierd en er wordt een bindend studieadvies ingevoerd, waarmee scholen een leerprestatie kunnen afdwingen. De ROC’s ontvangen voor entree opleidingen een vast budget.

Betekent een apart budget ook aparte verantwoording. De MBO-raad stelt voor om dit budget uiteindelijk aan de lumpsum toe te voegen. Daarmee ontstaat vrijheid voor de instelling om het adequaat in te zetten. Verantwoording vindt dan niet plaats op de inzet van middelen, maar op de gerealiseerde prestaties.

Grote vraag is wat er gebeurt als zich meer deelnemers aanmelden voor deze opleiding, dan waar de bekostiging vanuit gaat. Het kan niet zo zijn dat vanwege het bereiken van een maximum jongeren op dit niveau geen toegang meer tot deze opleidingen hebben.

Vavo onder rijksaansturing

De bekostiging van het Vavo komt met ingang van 1 augustus 2014 vanuit het Rijk en is alleen beschikbaar voor mensen tot 30 jaar.

Grote onduidelijkheid over de wijze waarop dit precies geregeld zal worden, betekent dat een oordeel hier niet gegeven kan worden. Het uitgangspunt om dit onderwijs direct onder OC&W te brengen verdient steun.

Kaalslag

Ik zit te kijken naar de Schreeuw om Beschaving, het protest tegen de bezuinigingen op cultuur. En intussen worstel ik de hele tijd met de manier waarop we als school verstandig om kunnen gaan met bezuinigingen in de sector onderwijs.

Ook daar dreigt een kaalslag. Geen bekostiging voor onderwijs aan deelnemers ouder dan dertig en het inkorten van opleidingen staan op gespannen voet met de ambitie om als kenniseconomie hoger te scoren.

Onderwijs moet ook kritisch kijken naar de kosten en naar manieren om effectiever om te gaan met belastinggeld. Het is goed om te kijken of er ook op een andere manier gezorgd kan worden voor bekostiging. De opleidingsfondsen van diverse branches schijnen bijna over te stromen. Dus wellicht kan daar iets gebeuren.

Maar het kind dreigt ook nu weer met het badwater weggegooid te worden. Wij  hebbben op het ogenblik te maken met een groeiende groep volwassenen die zich inschrijft voor opleidingen in de zorg. Goede zaak met het oog op dreigende personeelstekorten in die sector. Maar die mensen zijn echt niet in staat om deze opleiding zelf te gaan betalen. Dus is deze groep, zo hard nodig voor de groeiende vraag naar zorg, straks voor deze markt verloren.

Hetzelfde geldt voor opleidingen die we momenteel in de sociale werkvoorziening verzorgen. Daarmee hopen we een groep in staat te stellen om zelfstandig(er) de arbeidsmarkt te betreden. De leeftijd maakt straks dat het niet meer bekostigd wordt. Daarnaast dreigen groepen SW-werknemers hun werk te verliezen. Resultaat: meer mensen die nog structureler aangewezen zijn op een uitkering.

Wie legt het uit? Zijn zij nou zo dom, of….?

Een spagaat in praktijk

Ik wist niet dat ik hem kon, maar word ertoe gedwongen: de spagaat! Sterker nog, ergens voel ik me gevierendeeld. Verschillende krachten proberen me uiteen te trekken en ik moet proberen de boel bij elkaar te houden (beetje besmette uitdrukking, maar het moet maar).

De regering snijdt fors in de bekostiging van het onderwijs, alsof er geen verkiezingen en verkiezingsprogramma’s waren. Inburgering, participatie, volwassenonderwijs, extra zorg en begeleiding .. alles staat ter discussie en ik houd mijn hart vast voor wat er komen gaat.

Tegelijk roept de omgeving om meer en betere opleidingen. Dreigende tekorten aan arbeidskrachten in diverse sectoren, onvoldoende kwalificatie van mensen in andere delen van de arbeidsmarkt, onvoldoende mogelijkheden voor mensen ondanks het bezit van een startkwalificatie.

En … we hebben een opleidingsmodel opgetuigd onder de noemer MBO dat volgens mij niet levensvatbaar blijkt te zijn. Het MBO biedt 600 verschillende opleidingen! Wie durft het aan om een zestienjarige deze keuze voor te houden? En dan klagen we dat ze zo vaak (en snel) overstappen. Als ik zelf mijn zak snoep samen moet stellen, denk ik ook steeds “die wil ik ook, die is nog lekkerder”. Het effect is dat allerlei opleidingen volstrekt onvoldoende deelnemers hebben en docenten alle zeilen bij moeten zetten om iedereen de opleiding te laten volgend die ze gekozen hebben.

Tenslotte hebben we te maken met een eigen arbeidsmarkt, die van onderwijzend personeel, die volledig is dichtgetimmerd. De rotsvaste rechtspositie maakt het onmogelijk om flexibel om te gaan met inzet van personeel. Het wordt bijkans onmogelijk om met het personeel soepel in te spelen op groei en krimp van opleidingen. De kosten die gemoeid zijn met mobiliteit zijn zo hoog dat het realiseren ervan ten koste dreigt te gaan van inzet van mensen in het primaire proces.

Dus inderdaad … gevierendeeld …. en dan toch de goede keuzes maken … mooie uitdaging om over in gesprek te gaan!

Heroverwegingen mbo gewogen

We zullen de tering naar de nering moeten zetten. Maar wel op een verstandige manier. Het lijkt dan ook goed als veel betrokkenen eens kijken naar de resultaten  van de commissies heroverwegingen. Niet om ze naar de prullenbak te verwijzen , maar om ze op haalbaarheid en wenselijkheid te beoordelen.
Volgens mij moeten we niet bezuinigen op het MBO. Dat neemt niet weg dat we, zeker in de huidige financiële krapte, goed moeten kijken of we middelen vrij kunnen maken om te besteden aan verdere kwaliteitsverbetering. Hieronder per maatregel mijn eerste reacties.
1. Samenvoegen Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
Lijkt in eerste instantie haalbaar. Past in streven naar vereenvoudiging kwalificatiestructuur.
ROC’s zorgen nu al vaak zelf voor stageplaatsen.
2. Verminderen aantal opleidingen
Lijkt goede optie.
Betreft vermindering van het aantal BOL-opleidingen door verbreding van het programma. Specialisering gebeurt in latere leerjaren (uitstroomdifferentiaties), dan wel middels BBL-opleiding.
Overheid bepaalt maximaal aantal opleidingen en uitstroomdifferentiaties.
Vermindering kwalificatiedossiers zorgt voor vereenvoudiging organisatie en vermindering (administratieve) lastendruk.
Van belang is om breder opleiden af te stemmen met branches.
3. Verbeteren transparantie middelbaar beroepsonderwijs
Deze maatregel is niet relevant als het gaat om het realiseren van bezuinigingen/ombuigingen.
Enkele aanvullende opmerkingen:
・ In principe is meer transparantie een wenselijke ontwikkeling
・ Het behoort bij het publieke karakter van het MBO dat verantwoording wordt afgelegd over bereikte resultaten.
・ Het verbreden van resultaatdenken van rendement naar leerwinst past bij de steeds groter wordende diversiteit van doelgroepen en aanbod van ROC’s.
・ De vraag is of centrale examens het gewenste middel daartoe zijn. Het versterkt de trend om meer en meer vakken in het MBO te gaan beschouwen zoals in het VO gebeurt. De verbinding van theoretische vakken (in het rapport wordt economie genoemd) en het beroep waarvoor opgeleid wordt, zal gaan ontbreken.
・ Het is de vraag of meer openheid over resultaten daadwerkelijk zal leiden tot “stemmen met de voeten”. Voor veel opleidingen is in de nabije omgeving geen alternatief. Dat kan op twee manieren wellicht versterkt worden:
・ bredere opleidingen zijn eerder betaalbaar aan te bieden
・ een OV-jaarkaart voor MBO-cursisten vergroot hun mobiliteit
4. Afschaffen drempelloze toegang mbo-2
Deze maatregel is niet relevant als het gaat om het realiseren van bezuinigingen/ombuigingen.
Voorstel gaat er vanuit dat voor instroom in mbo-2 aan een van de volgende voorwaarden voldaan moet worden:
・ vo-diploma
・ mbo-1 diploma
・ overgangsbewijs havo 3 naar havo 4
・ toelatingsonderzoek niveau 2
Voor wie niet aan een van deze toelatingsvoorwaarden voldoet, is mbo-1 beschikbaar.
Hiermee lijken bepaalde problemen binnen mbo-2 te verminderen.
Mbo-1 krijgt twee doelstellingen: doorstroom naar mbo-2 en toeleiding naar arbeidsmarkt. Afrekenen lijkt echter alleen te gebeuren op de tweede doelstelling: toeleiding naar arbeidsmarkt. Dit staat op gespannen voet met het feit dat daarmee geen startkwalificatie behaald wordt (en er dus sprake zal zijn van een zwakke positie op de arbeidsmarkt).
In de afwegingen wordt hiernaast aangegeven dat diverse doelgroepen binnen mbo-2 niet langer bij elkaar in de klas zullen zitten. Dat lijkt maar de vraag, gezien bovenstaande schets van vier wegen die naar instroom in mbo-2 leiden.
5. Aparte Vsv-gelden via een prestatiebox integreren in de bekostiging
Dit betreft een pure bezuiniging op wat in het algemeen gezien wordt als een van de prioriteiten waar in het onderwijs aan gewerkt moet worden. Bezuinigingen zullen de tot nu toe bereikte resultaten weer teniet doen, mede gezien het feit dat met het afnemen van het aantal vsv-ers scholen steeds dichter bij de harde kern komen waarvoor meer inspanning nodig zal zijn om het schoolverlaten succesvol te bestrijden.
Toekenning van de middelen aan reguliere bekostiging met nadere afspraken omtrent verrantwoording is m.i. geen probleem en kan leiden tot vermindering adfminsitratieve lasten.
6. Tegengaan studievertraging in het mbo
Bij deze maatregel worden scholen bekostigd voor een totale opleiding. Dit zou het aantrekkelijk moeten maken om opleidingen te bekorten. Daar moeten we echter niet naar streven. Het is namelijk in tegenspraak met het streven naar verhoging van niveau en kwaliteit van het mbo. En dat moet prioriteit hebben.
In het rapport staan enkele overige risico’s al aangegeven: afstroom, selectie aan de poort. Daar komt nog bij dat het aantekkelijk kan worden om makkelijker diploma’s af te geven.
Verder wordt aangegeven dat de maatregel zal samengaan met extra uitvoeringslasten. Als deze niet tot verhoging van het macro-budget mogen leiden, zullen deze middelen ten koste gaan van beschikbare middelen voor het primaire proces.
7. Vmbo-bl en mbo-2 tot startkwalificatie in 5 jaar (VM2)
Vooraf even de opmerking dat deze maatregel pas in 2018 een, vrij beperkt, financieel effect heeft.
Bij deze maatregel halen jongeren geen vmbo-diploma. Daarmee lijkt de maatregel in tegenspraak met de maatregel waarmee drempelloze instroom in mbo-2 beëindigd wordt. Wat gebeurt er met een leerling die uit het traject stapt? Die heeft geen instroomrechten meer. Daarmee wordt een zware keuze voorgelegd op zeer jeugdige leeftijd, terwijl we steeds beter weten dat keuzeprocessen dan bij de meeste jongeren juist nog niet afgerond zijn.
Hoe wordt deze maatregel afgestemd op het idee van bredere opleidingen?
Besluitvorming omtrent deze maatregel zou niet eerder plaats moeten vinden dan na beëindiging van de lopende VM2-experimenten.
De vraag is ook hier in hoeverre verkorting van de opleidingsduur nagestreefd moet worden in plaats van verhoging van (uitstroom)niveau en kwaliteit.
8. Mbo niveau 3 en 4 opleidingen intensiveren en verkorten
Maatregel lijkt ongewenst omdat het leidt tot verschraling van de opleidingsprogramma’s. Hoe kan dit gecombineerd worden met toenemende vraag om meer algemeen vormende elementen in programma’s op te nemen (llb, nederlands, engels, rekenen/wiskunde)? Hoe kan dit gecombineerd worden met verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Dat vraagt wel om intensiveren, maar niet om verkorten.
Mogelijke tijdswinst door samenwerking vmbo-mbo-hbo kan wel een optie zijn, maar is van een andere orde.
Er zijn inderdaad signalen dat intesivering mogelijk en zelfs wenselijk is. Maar de vraag is of met deze maatregel niet het verkeerde effect bereikt wordt.
9. Invoeren leeftijdsgrens mbo
Maatregel lijkt in strijd met streven naar leven lang leren.
Vergelijking publiek – privaat kan niet alleen op dit element gemaakt worden, maar moet dan breder gebeuren (arbeidsvoorwaarden, verantwoordingsverplichtingen, bekostigingsvoorwaarden, …).
Het tegengaan van oneigenlijk gebruik van publieke bekostiging moet gebeuren, maar niet via deze maatregel. Dat zou betekenen dat “goeden onder slechten lijden”. Daarnaast is oneigenlijk gebruik niet per definitie gebonden aan leeftijd van deelnemers.

Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën