Posts Tagged 'docenten'

Onderwijsteams – geen panacé of wondermiddel, wel een belangrijk instrument

Ik weet niet hoe het in andere sectoren zit, maar in het mbo is ondubbelzinnig gekozen voor het onderwijsteam als kern van de organisatie. Dat is zelfs vastgelegd in de CAO en nader uitgewerkt in een professioneel statuut dat onder andere een aantal bevoegdheden van het onderwijsteam regelt.
Een goede zaak dat de kern van het werk neergelegd bij de professionals. Maar tegelijk een stevige opdracht voor diezelfde professional. Het geven van bevoegdheden gaat immers altijd gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid en het afleggen van verantwoording. Voor de individuele docent betekent dat:
– Ik mag iets.
– Ik moet zorgen dat ik het dan ook goed kan.
– Ik moet laten zien dat het dan ook goed gebeurt
Daarmee wordt het werk van de docent steeds meer vergelijkbaar met dat van professionals in andere beroepen. Maar er zit nog een addertje onder het gras. In deze drie zinnen zitten twee woorden die om inhoud vragen:
– “iets”: wat is het dan wat de docent/het team mag? Met andere woorden, welke bevoegdheden komen daar nu precies te liggen?
– “goed”: wanneer is het goed? Met andere woorden, welke normen hanteren we om de kwaliteit van het werk in beeld te brengen? En niet te vergeten … wie bepaalt die normen?
Ondanks deze vragen en onzekerheden beschouw ik mezelf als een verklaard voorstander van onderwijsteams die het voortouw nemen bij onderwijsontwikkeling en –uitvoering. Dat vraagt een omslag in de organisatie die ik weergeef met de transitie “van regisseren naar faciliteren”. Daarbij weet ik dat, zoals alles wat je kort probeert te zeggen, ook dit weer vervormd zal worden als mensen proberen hun gelijk te halen.

Vanuit deze invalshoek zal ik ook denken als ik ten behoeve van een artikel over onderwijsteams in het mbo binnenkort geïnterviewd wordt. Daarvoor heb ik hieronder op basis van enkele vragen nog wat gedachten proberen te ordenen.

Wat zijn de ervaringen uit de praktijk?
De onderwijsteams een centrale positie geven in de organisatie brengt een aantal voordelen met zich mee:
– Docenten worden (weer) (meer) eigenaar van het primaire proces en minder uitvoerder van andermans ideeën.
– Docenten gaan meer samenwerken, waardoor de nadruk minder op het geïsoleerde vak ligt, maar meer op de relatie van dat vak met het beroep waarvoor opgeleid wordt.
– Samenwerking kan vrij snel leiden tot minder dubbelingen en betere afstemming van lesinhouden. Daardoor wordt het bestaande aanbod efficiënter en ontstaat ruimte voor nieuwe inhouden die het programma uitdagender (kunnen) maken.
Wat het lastig maakt is dat teams, hoe zorgvuldig je ze ook samenstelt, onderling sterk verschillen. In je beleid kun je niet net doen alsof die verschillen er niet zijn, of (gemakshalve) maar kiezen voor “het gemiddelde”. Die uitdaging is te vergelijken met de uitdaging voor docenten om rekening te houden met de verschillen tussen studenten. Die verschillen vragen om een andere vorm van begeleiding/leiderschap, maar stellen ook grenzen aan ambities op het gebied van haalbaarheid en wenselijkheid.

Worden de resultaten van scholen beter nu onderwijsteams verantwoordelijk zijn voor het onderwijsproces?
– Daadwerkelijke verbetering van resultaten is geen kwestie van een snelle verandering van de organisatie. Dat vraagt om een cultuurverandering die tijd kost.
– Tegelijk zie je wel dat teams een belangrijke rol (kunnen) spelen, bijvoorbeeld bij het verminderen van voortijdig schoolverlaten. Juist in een team kan snel gesignaleerd worden dat iemand dreigt af te haken. Daar kunnen dan ook afspraken gemaakt worden over een (gezamenlijke) aanpak om dat afhaken te voorkomen.
– Daarnaast zijn met teams beter afspraken te maken over onderwijsontwikkeling. Die moet immers juist de grenzen van vakken overstijgen, als je wilt dat ontwikkelingen inspelen op datgene wat zich in de omgeving van de school voordoet.

Hoe zorgen schoolbestuurders ervoor dat onderwijsteams voldoende professionele ruimte hebben om invulling te geven aan het Professioneel Statuut?
Als schoolbestuurder mag van je verwacht worden dat je alles in het werk stelt om studenten het best mogelijke onderwijs te bieden. Zoals hierboven gesteld, denk ik dat werken in teams daarbij een belangrijke rol kan spelen. Om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken is het van belang dat zorggedragen wordt voor een aantal zaken:
– Duidelijke afspraken m.b.t. “wie gaat waarover” (CvB – leidinggevende(n) – OR – teams)
– Continuïteit qua teamsamenstelling
– Diversiteit qua teamsamenstelling, op veel vlakken (leeftijden, achtergronden, ervaring, teamrollen/affiniteit/deskundigheid)
– Continuïteit qua en kwaliteit van leidinggevende(n)
Dit klinkt volgens mij heel logisch en tegelijk zien we in de praktijk dat het soms moeilijk is om deze vanzelfsprekendheden voor elkaar te krijgen. Het blijft mensenwerk en de omgeving van scholen kan vrij turbulent zijn. Dat betekent dat je nog zo zorgvuldig kunt plannen, samenstellen, etcetera, maar steeds weer doen zich dingen voor, hetzij in persoonlijke sfeer, hetzij in de omgeving van de school, die nopen tot aanpassing. Los van de genoemde zorg voor duidelijkheid is het dus nodig om flexibel te blijven in de organisatie, maar ook in de houding van mensen die steeds weer om moeten kunnen blijven gaan met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen.
Dat lukt alleen als we vertrouwen in elkaar houden en vanuit dat vertrouwen met elkaar een open en professioneel gesprek aan (blijven) gaan.

Nationaal Onderwijsakkoord … nog even adem inhouden

Zojuist werd bekend dat het nationaal onderwijsakkoord is gesloten. Na lang onderhandelen en het ahaken van de Aob, kwamen ministerie, werkgevers en werknemers een aantal maatregelen overeen die moeten bevorderen dat de komende jaren verder gewerkt kan worden aan kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Een eerste reactie …

De Volkskrant zette de belangrijke maatregelen op een rijtje:
• een impuls voor de werkgelegenheid in het primair en voortgezet onderwijs, waardoor in 2014 3000 jonge leraren extra een baan kunnen krijgen of behouden;
• tijd en middelen voor leraren voor nascholing;
• wettelijke verankering van het lerarenregister; in 2017 moet gewaarborgd zijn dat iedere onderwijsgevende gekwalificeerd en bevoegd is;
• versterking van de positie van de leraar onder andere door een professioneel statuut in het primair en voortgezet onderwijs waarmee de zeggenschap van onderwijsteams wettelijk wordt geregeld;
• vermindering van werkdruk en van administratieve verplichtingen voor de leraar; er komt een onderzoek naar administratieve rompslomp in het onderwijs;
• de inzet van de intensiveringsmiddelen voor het onderwijs uit het regeerakkoord, oplopend tot 689 miljoen euro.
Zie ook: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/11698/Kabinet-Rutte-II/article/detail/3502475/2013/09/02/Onderwijsakkoord-3000-jonge-docenten-erbij-maar-onzekerheid-over-nullijn.dhtml

Daar kun je weinig op tegen hebben, zou je zeggen. En inderdaad, ik denk dat het past om alle betrokkenen een groot compliment te maken. Als het je lukt om in deze moeilijke tijden met elkaar tot deze afspraken te komen dan heb je echt iets voor elkaar te krijgen.

Maar u voelt de bedenkingen al aankomen. En die plaats ik hier, niet om te zeuren. Na prinsjesdag wordt de tekst van het akkoord vrijgegeven. Een echt oordeel kunnen we dan pas geven. De bekendmaking van vandaag plaatst echter wel de discussie over investeringen in onderwijskwaliteit hoog op de agenda. En dan moet je niet alleen maar applaudisseren, maar ook blijven nadenken.

Zo is het goed dat 3000 jonge docenten aan het werk blijven. Vergrijzing is een groot probleem in het onderwijs. Jongeren hebben behoefte aan een gezonde mix van docenten. Maar die bereiken we niet met 3000 jonge docenten extra. Het is het systeem van rechtspositie dat het realiseren van zo’n mix nagenoeg onmogelijk maakt. En dat blijft overeind.

Overigens staat in bovenstaand rijtje niet dat afgesproken is dat er iets gebeurt op het gebied van “modernisering van arbedsvoorwaarden”. Andere media melden die wel. Ingewijden weten dat achter deze noemer de aanpak van de BAPO schuilgaat. In tijden van financiële schaarste past het steeds minder om vrije tijd van oudere docenten te betalen. Laten we kijken op welke manier hun ervaring beter ingezet kan worden om een rol te blijven spelen.

Zowel nascholing als lerarenregister kunnen een belangrijke rol spelen bij kwaliteitsverbetering van docenten. Goed om daar op in te zetten, want iedereen weet dat kwaliteit van onderwijs daarmee begint. Maar … hoe wordt de huidige ruimte voor nascholing gebruikt? Meer tijd betekent in deze niet meer leertijd voor docenten. Dat vraagt om kritische bezinning op de inzet van deze tijd. Daar zullen ook docenten stappen toe moeten zetten om zich daadwerkelijk als professional te realiseren dat blijvende ontwikkeling een basisvoorwaarde is voor goede uitoefening van het vak.
Dat geldt ook voor het lerarenregister. Goed dat het er komt, maar laten we het dan ook serieus nemen. Geen studiepunten voor een dagje rondhangen op een conferentie. Nee, de noodzaak en bereidheid tot echte professionalisering moet liggen onder de blijvende registratie van docenten. Onze leerlingen en studenten verdienen dat.

Die professionaliteit past ook bij het invoeren van een professioneel statuut. Darbij past de kanttekening dat we in het MBO, waar dit al langer bestaat, zien hoe moeizaam het lukt om de intenties van het professioneel statuut te vertalen in werkwijzen in de scholen en teams. Zonder het los te laten, moeten we met elkaar kijken hoe we daar snellere progressie mee kunnen boeken.

Met minder geld meer en beter onderwijs?

Het klinkt tegenstrijdig, maar toch lijkt de titel van dit blog de opdracht voor het MBO aardig weer te geven. Het actieplan MBO “Focus op vakmanschap” beschrijft maatregelen waarmee zowel kwaliteitsverbetering als besparingen gerealiseed zouden moeten worden. Is dit mogelijk?
We zullen manieren moeten vinden om beide zaken zo goed mogelijk voor elkaar te krijgen. In het blad Backstage werd een aantal mensen gevraagd om te reageren op deze paradox. Ik haal er enkele citaten uit die mij aan het denken zetten.
Aan het einde geef ik als conclusie de belangrijkste elementen weer als opdracht voor bestuurders.

Olaf McDaniel, directeur CBE Consultants
De leraren moeten beter en die leraren moeten een hogere productie leveren. Dat is nodig want het aantal productieve uren is erg laag.
Wil je naar de top-5 van de mondiale kenniseconomie, dan meoten de scholen 45 weken per jaar open zijn.
Ik zet in op de versterking van de professionaliteit van de docenten om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren en hun belastbaarheid omhoog te brengen.

Eric Zwaart, ABN AMRO, sector banker onderwijs
Als het aan het kabinet ligt zal de lengte van de opleidingen van het mbo van 4 naar 3 jaar gaan en kan een leerling niet zonder drempel van het vmbo naar het mbo. Dat zal leiden tot omzetvermindering, die niet kan worden opgevangen. Dat betekent opnieuw reorganiseren, Een slecht vooruitzicht, …
Minder deelnemers, minder geld. Het is dus belangrijk om rekening te houden met de regionale speerpunten en je als mbo te positioneren op je sterke punten. Gevolg van de krimp is dat het onderwijsnetwerk minder fijnmazig wordt. De juiste keuze in regioverband voor goed en goed bereikbaar onderwijs is van groot belang.

Frank Kalshoven, medeoprichter De Argumentenfabriek, initiator De Netwerkschool
De Netwerkschool denkt vanuit het belang van de student en niet dat van de organisatie of de docent.
Voor hem (=de student) kan de school 52 weken per jaar open zijn en kan die mbo-opleiding best in drie jaar worden gedaan. De heersende aanpak dateert in essentie nog uit de 19e eeuw.
Verder is de ICT-revolutie die het maatschappelijk leven heeft veranderd, grotendeels aan het onderwijs voorbij gegaan.
Docenten besteden volgens schattingen momenteel niet meer dan de helft van hun tijd aan het primaire proces. Als dat enige tientallen procenten omhoog kan, houdt het onderwijs bakken met geld over.

Ben Geerdink, voorzitter college van bestuur ROC RijnIJssel, lid raad van toezicht Kennisnet, voorzitter saMBO-ICT
De kracht om te veranderen komt neer op de rug van de docenten. Dat betekent een hogere werkdruk.
Met het slim inzetten van ICT is in het mbo nog veel te winnen.
(over co-financiering:) Een opleiding moet niet te afhankelijk zijn van de markt. Dat kan link zijn. Toch zal een mbo-school moeten beseffen wat de vraag is van het bedrijfsleven.

Lars Bovenberg, hoogleraar economie Universiteit van Tilburg
Ik zie veel in nieuwe financieringsvormen. Kijk naar de sponsoring van leerstoelen aan de universiteiten, Rijke mensen die een erfenis besteden aan onderwijs. De populariteit van het maatschappelijk ondernemen. Dat kan ook het mbo ten goede komen.

Concluderend, vat ik bovenstaande samen als opdracht aan bestuurders. Deze bestaat uit de volgende elementen:
– Zet in op verhoging van de productiviteit van docenten
– Zet in op professionalisering van docenten
– Zet in op meer en betere inzet van ICT in het onderwijs en de organisatie
– Kies voor een heldere positionering in de regio op basis van regionale speerpunten
– Onderzoek nieuwe financieringsmogelijkheden


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën