Posts Tagged 'Focus op vakmanschap'

MBO on tour … ambitie genoeg, nu een agenda

Jet Bussemaker is op tournee! In de eerste paar maanden van dit schooljaar bezoekt zij een fors aantal MBO-instellingen om daar met betrokkenen te spreken over de stand van zaken in de sector. Laat ik beginnen met een groot compliment. Heerlijk dat een bewindspersoon op deze manier laat merken hart te hebben voor dat deel van ons onderwijs dat opleidingen verzorgt voor zo’n 60% van onze jeugd. Nog beter is dat zij over kwaliteit en problemen in dat onderwijs het gesprek aangaat met alle betrokkenen, studenten, docenten, bestuurders en overige stakeholders.

Om de gesprekken enigszins te stroomlijnen heeft het ministerie van OCW een discussienotitie uitgebracht. De notitie geeft een beeld van enkele cruciale kwesties waarover de minister graag met de sector in gesprek gaat. Het zijn geen volkomen nieuwe kwesties, maar dat maakt ze niet minder actueel. Hier een link naar deze notitie: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/publicaties/2013/10/15/discussienotitie-voor-de-mbo-tour-een-toekomstbestendig-mbo.html
Over de meeste schreef ik al eerder. Hieronder zal ik dan ook af en toe verwijzen naar eerdere blogposts van mezelf. Maar uiteraard probeer ik ook weer een stapje te zetten in mijn eigen denken, zowel voor wat betreft de analyse van de problematiek als voor wat betreft (mogelijke) oplossing(srichting)en.
Als afronding vraag ik aandacht voor enkele kwesties die, volgens mij ten onrechte, in de discussienotitie buiten beschouwing gelaten worden.
vooraf
Door de hele notitie heen spelen enkele zaken die ik vooraf wil belichten:
  • Gelukkig wordt steeds weer gewezen op het belang van ICT.  Ontwikkelingen op dit gebied zijn een belangrijk hulpmiddel voor modern onderwijs. Maar vooral hebben deze ontwikkelingen een grote impact op de beroepen waar het MBO voor opleidt. En die impact zal vertaald moeten worden in de inhoud van onze opleidingsprogramma’s.
  • Misschien nog belangrijker vind ik de erkenning van het ministerie dat de wereld sneller verandert dan wij bij kunnen houden. En dat dat leidt tot een steeds grotere mate van onvoorspelbaarheid waar we naar toe gaan. Dat betekent dus dat we niet precies in kaart kunnen brengen waar we voor opleiden. Wat zijn voor de jongeren van nu de cruciale kennis, vaardigheden, competenties in de wereld van morgen? Wie het weet mag het zeggen! Maar wie het denkt te weten moet voorzichtig zijn.
  • Tenslotte speelt een belangrijke rol dat het beleid zich richt op een betere concurrentiepositie van het MBO t.o.v. het (H)AVO. De route naar het HBO zou via het MBO (minstens) even aantrekkelijk en succesvol moeten zijn als via een HAVO-diploma. Dat is ook de onderbouwing van de grote aandacht die besteed zou moeten worden aan algemene vakken als taal, rekenen en dergelijke. De vraag is wat mij betreft of we die concurrentie wel aan moeten gaan op die gebieden die nu als zwak betiteld worden. Het valt te overwegen om juist de sterke kanten van een MBO-opleiding meer naar voren te brengen (leren in de praktijk, vaardigheden ontwikkelen, etc.).

drie thema’s

In de notitie worden drie thema’s verder uitgewerkt:
  1. Aansluiting van het MBO op de arbeidsmarkt
  2. Aandacht voor studenten in een kwetsbare positie
  3. Samenwerken of concurreren, de verhouding tussen de MBO-instellingen onderling

Ik ga hieronder in op deze thema’s.

aansluiting van het MBO op de arbeidsmarkt
Bij dit thema komt de onvoorspelbaarheid van de toekomst het meest pregnant naar voren. Om hier een antwoord op te formuleren wordt voorzichtig gepleit voor het ontwikkelen van brede opleidingen in het MBO. Brede opleidingen versterken de inzetbaarheid en flexibiliteit van de MBO-er. Ik schreef daar eerder het volgende over:
“Steeds vaker hoor ik pleidooien voor een bredere onderbouw in het MBO, gevolgd door specialisatie in de laatste periode van de opleiding. Dat betekent afscheid nemen van al die honderden opleidingen. Dat betekent dat het MBO op twee of drie niveaus opleidingen aanbiedt in acht á tien domeinen. Daarmee kom ik op een totaal van zestien tot dertig brede beroepsopleidingen. Deze kunnen voor langere tijd ingevuld worden, omdat ze zich vooral richten op algemenere arbeids- en burgerschapscompetenties. Deze veranderen veel minder snel dan de beroepsvaardigheden, die direct samenhangen met de praktijk in het bedrijf. Het aanleren daarvan, kan prima gebeuren in stages en op leerwerkplekken.” (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2013/07/30/ocw-spant-paard-achter-de-wagen-doelmatigheid-en-arbeidsmarkt-niet-gediend-met-nieuwe-voorstellen/ )
Momenteel worden de kwalificatieprofielen in het MBO opnieuw ontworpen. Het is de bedoeling dat halverwege 2014 nieuwe, toekomstbestendige kwalificatieprofielen vastgesteld worden. Daar kunnen we dan weer even mee vooruit.
Ik heb er een hard hoofd in. De ontwikkeling van deze profielen gaat onvoldoende uit van de hiervoor genoemde onvoorspelbaarheid. Alhoewel de opdracht is om te komen tot een vermindering van het aantal opleidingen, vrees ik dat deze reductie, als het al slaagt, van een zeer beperkte omvang zal zijn.
Op deze korte termijn verwacht ik geen wonderen, maar het is zaak dat er zo snel mogelijk een slim groepje aan de slag gaat om te komen tot een veel radicalere aanpassing van het palet aan opleidingen die het MBO biedt. De kern van dat palet bestaat wat mij betreft uit een zeer beperkt aantal profielen in diverse domeinen en op diverse niveaus. Als die romp staat, kan dat natuurlijk aangevuld worden met bijzondere opleidingen die een bijzondere positie vergen. Maar wel in die volgorde en niet andersom (zoals nu soms gedacht lijkt te worden als het gaat om kleine. specialistische opleidingen).
aandacht voor studenten in een kwetsbare positie
Bij dit thema gaat de notitie vooral in op de ontwikkeling van entreeopleidingen, een belangrijk onderdeel van het actieplan “Focus op vakmanschap”. De aandacht voor deze doelgroep is een goede zaak. Het is een belangrijk kenmerk van het MBO dat studenten in de volle breedte bediend worden met adequaat onderwijs en begeleiding.
Entreeopleidingen bieden de mogelijkheid om voor deze doelgroep te komen tot een betere uitstroom richting arbeidsmarkt of een betere doorstroom naar een niveau 2 opleiding (en dus een startkwalificatie).
Maar ik plaats vraagtekens bij het effect van de entreeopleidingen voor die doelgroep die hiermee niet direct adequaat bediend wordt. Ook daarover schreef ik eerder:
“Ondanks een aantal goede bedoelingen zal de introductie van de entreeopleidingen desastreuze gevolgen hebben voor bepaalde groepen jongeren.” (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2012/02/27/entreeopleiding-doet-deuren-niet-alleen-open-maar-ook-dicht/ )
En hier speelt nog iets. Ik betwijfel of voor studenten in een kwetsbare positie alleen een herontwerp van de opleidingsmogelijkheden voldoende is om hen verder te helpen. Die kwetsbare positie gaat immers om meer dan alleen het leren en de schoolloopbaan.
Om de kans op een succesvolle schoolloopbaan zo groot mogelijk te maken, is het nodig om onderwijs en begeleiding aan te laten sluiten bij de (speciale) behoefte van de desbetreffende studenten. En dan gaat het niet alleen om de groep die in een entreeopleiding terechtkomt. Dat zijn de jongeren die geen VMBO-diploma konden halen, om wat voor reden dan ook. Alleen die groep valt qua problematiek al uiteen in de nodige subgroepen.
Maar ook in de overige MBO-opleidingen zitten de nodige jongeren die zonder extra aandacht hun opleiding niet succesvol doorlopen. Op onze school werken mensen van diverse begeleidingsinstellingen samen met onze docenten om die aandacht zo goed mogelijk te bieden. Ieder doet dat vanuit de eigen expertise en met respect voor de expertise van de ander.
samenwerken of concurreren
Onder dit thema komt een aantal zaken terecht. Belangrijkste onderdeel vormt de stelling “dat mbo-scholen samen moeten zorgen voor een doelmatig opleidingsaanbod in de regio”. Om dat te bevorderen wordt verwezen naar het wetsvoorstel dat daartoe in voorbereiding is.
In dat voorstel krijgt de minister (in uiterste instantie) de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake is van een van de volgende situaties:
  • (te) veel afgestudeerden lukt het niet om een baan te vinden na het behalen van een diploma. Dat zou een symptoom zijn van te veel opleidingen die onvoldoende aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt.
  • ten gevolge van te veel kleine, versnipperde opleidingen komt de instelling in financiële problemen
Het is wat mij betreft de vraag of hiermee daadwerkelijk doelmatigheid bereikt wordt. Samenwerking in elk geval niet perse. Zolang de twee bovenstaande zaken maar op orde zijn, kunnen instellingen zo veel concurreren als ze willen. In die zin blijven we hinken op twee gedachten. Bij het ontstaan van ROC’s werd sterk de nadruk gelegd op keuzevrijheid en ruimte voor concurrentie als instrumenten om de kwaliteit van de opleidingen te bevorderen. Daarvoor was het aan te bevelen als jongeren de keuze hadden uit meerdere instellingen. Onlangs werd met deze motieven een voorgenomen fusie tussen twee ROC’s nog verboden.
Tegelijk zien we dat in sommige regio’s al geruime tijd sprake is van “slechts” één aanbieder. En is het daar nou zoveel slechter? Inderdaad, een retorische vraag.
Overigens zou het onderwerp samenwerking wat mij betreft veel breder opgepakt moeten worden. Om te komen tot doelmatig werken, maar vooral om optimale leerwegen te realiseren, is een veel breder netwerk van samenwerkende instellingen van belang.
Ik denk dan aan samenwerking tussen mbo-instellingen, maar ook met vmbo en hbo in de regio, met jeugdzorg, (school)maatschappelijk werk en andere welzijnsinstellingen en natuurlijk aan intensieve en structurele samenwerking met bedrijven.
Het valt te betwijfelen of het in zo’n situatie wenselijk is om twee vergelijkbare ROC’s als speler te hebben in een regio. De meerwaarde daarvan is volgens mij nog niet of in elk geval onvoldoende aangetoond.
tenslotte
Zoals gezegd heeft het ministerie met deze discussienotitie een aantal kernthema’s te pakken als het gaat om de toekomst van het MBO. Het aansnijden van de thema’s zou in de komende periode uit moeten monden in een agenda waarlangs ze ook aangepakt en opgelost worden. Ik hoop daar enkele gedachten voor aangedragen te hebben in deze tekst en de verwijzingen naar eerdere gedachtespinsels.
Twee onderwerpen wil ik nog toevoegen:
  1. De noodzaak en haalbaarheid van de eisen die gesteld worden aan taal- en rekenniveaus. Zie ook — link —
  2. De houdbaarheid van het gescheiden systeem van BOL- en BBL-opleidingen. In het huidige economische tijdsgewricht zien we dat BBL-opleidingen het zwaar te verduren hebben. De BOL is voor sommige doelgroepen slechts in theorie een alternatief. Voor de korte termijn gaf ik al eens enkele gedachten prijs (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2013/07/15/jeugdwerkloosheid-een-poging-tot-alternatief-denken/ ). Daarmee komen we deze crisis wellicht door. Maar laten we daarna niet op de volgende crisis wachten en zo snel mogelijk gaan werken aan een systeem dat minder conjunctuurgevoelig is zonder de voordelen van BBL-trajecten te verliezen.
En als allerlaatste …
Laten we eens na gaan denken over een aantrekkelijk systeem van beroepsonderwijs zoals we dat over een jaar of tien zouden willen hebben. We hebben een stip op de horizon nodig om gezamenlijk naar toe te werken. Nu zitten we gevangen in het huidige systeem en zoeken te veel naar snelle oplossingen voor problemen van vandaag. Maar we weten dat die problemen van vandaag gevolgd worden door problemen van … morgen.

Macrodoelmatigheid nader bekeken

Ik ontving een notitie rondom het thema macrodoelmatigheid. De notitie behandelde enkele belangrijke aspecten, maar riep ook een reactie mijnerzijds op. Hier de punten uit mijn reactie:

1. Wat mij betreft is doelmatigheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onderwijs en bedrijfsleven. In de huidige discussie wordt het te veel gezien als een exclusieve verantwoordelijkheid van het onderwijs.

2. Bij de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt is zeker een rol weggelegd voor de kenniscentra, maar ik denk dat de verschillen zo groot zijn dat zaken op regionaal niveau uitgewerkt moeten worden. M.n. MBO-studenten zijn geneigd om minder ver te kijken qua kilometers en zoeken oplossingen dus dichter bij huis. Daarmee zijn regionale regelingen juist voor deze doelgroep van groot belang.

3. Ik blijf waarschuwen voor een al te smalle benadering van het fenomeen arbeidsmarktperspectief. Dat leidt vaak tot een eendimensionale benadering van de verbinding tussen de opleiding die je nu kiest en het beroep dat je straks uitoefent. Dat blijkt in de praktijk complexer. Voor hoger opgeleiden hebben we dat al lang geaccepteerd, maar bij het MBO blijven we denken dat iemand die nu een opleiding voor A volgt ook exact dat beroep uit gaat oefenen. Daarom ben ik blij met een pleidooi voor arbeidsmarktvaardigheden, waarbij het misschien meer gaat om de ontwikkeling van een bepaalde arbeidshouding dan om concrete vaardigheden als sollicitatiebrief schrijven en -gesprek voeren. Die houding betreft zaken als ondernemerschap, flexibiliteit, gericht op leven lang leren, etc.

4. Daar hoort ook bij dat de nieuwe kwalificatiedossiers echt uit moeten gaan van bredere opleidingen. Daar zit de crux voor een doelmatiger aanbod! Minder opleidingen, bredere opleidingen, ruimte voor oriëntatie zonder dat je als uitvaller in de boeken komt en zonder rendementsverlies voor de school … dat is een constructieve richting die ook door bedrijven steeds meer omarmt wordt. Versmallen en specialiseren kan in het laatste deel van de studie en vindt voor een groot deel in een bedrijf plaats tijdens stage.

5. Er wordt te makkelijk vanuit gegaan dat scholen al die hippe opleidingen starten ivm financiële prikkel. Ik geloof daar niets van. Die studenten zijn er toch dus die moeten kiezen uit hetgeen voorhanden is. Die leuke opleidingen zijn vaak juist duur. Het zijn vaak traditionele opleidingen die weinig perspectief bieden. Ik sprak iemand van een ROC waar de dansopleiding nagenoeg een baangarantie biedt dankzij afspraken met Joop van den Ende. Maar tegelijk is de opleiding van de normale bekostiging niet te betalen. Hoezo financiële prikkel?

6. Tenslotte over stageplekken. Als studenten vooral ook algemenere vaardigheden en kwaliteiten moeten ontwikkelen, moeten we dan niet wat ruimhartiger worden t.a.v. de plaatsen waar ze dat kunnen doen? Vrijwilligerswerk bijvoorbeeld kan een belangrijke rol spelen, m.n. aan het begin van de opleiding (kennismaken met de context, jezelf leren kennen, basisvaardigheden). Moeten we dan wel zo sterk blijven hechten aan al die gecertificeerde leerbedrijven en gediplomeerde leermeesters? Wat mij betreft is het van belang dat MBOstudenten in staat zijn om te leren op een manier die bij hen past. Dat vraagt om praktijkervaring en leren door doen. Dat kan op meer plekken dan we nu lijken te denken. De “traditionele” stageplekken blijven dan beschikbaar voor de vakvaardigheden die wat later in het leertraject aan bod komen.

Urennorm … Over nut en noodzaak

Afgelopen donderdag besprak de Tweede Kamer de brief van minister Bussemaker over de invoering van een aantal maatregelen in het MBO. Onder aanvoering van enkele woordvoerders spitste de discussie zich toe op haar voorstel om in het MBO een urennorm te handhaven, maar de toepassing daarvan minder stringent te controleren en niet langer als bekostigingsvoorwaarde te beschouwen.
Deze poging tot genuanceerd beleid maken, riep aan twee kanten extreme reacties op:
D’66 woordvoerder van Meenen pleitte voor het volledig afschaffen van de urennorm. Scholen moeten kwaliteit leveren en dat staat los van de kwantitatieve maatstaf die een urennorm is.
Aan de andere kant stonden Smits (SP) en Beertema (PVV). Zij pleitten juist voor een strikte handhaving van de urennorm. Zij hebben weinig vertrouwen in de kwaliteit die het MBO op korte termijn zal leveren en zien in een urennorm een instrument om in elk geval nog iets te eisen waar scholen op afgerekend kunnen worden.

In een eerder blog stak ik al de loftrompet af over de brief waarin Bussemaker haar plannen verwoordt. En dat hou ik vol als het gaat om dit onderdeel van de discussie. Een korte toelichting:
Van Meenen heeft principieel gelijk. Hij pleit voor kwalitatief goed onderwijs. Ik vat dat, voor wat betreft het MBO, even samen als onderwijs dat voldoet aan de volgende eisen:
– Voldoende rendement (dus weinig uitval)
– Tevreden studenten, die het onderwijs als uitdagend en betekenisvol ervaren
– Tevreden bedrijven die de MBO-studenten als waardevolle en bekwame medewerkers in hun personeelsbestand opnemen
– Tevreden HBO-instellingen die zien dat MBO-studenten succesvol in- en uitstromen

Je kunt je terecht afvragen of je scholen met een urennorm moet lastigvallen als hun onderwijs aan deze criteria voldoet. Van Meenen heeft daar absoluut een punt.
Tegelijk moeten we de oren niet sluiten voor de kritiek van studenten die vinden dat zij in het MBO te weinig les krijgen. Uitdagend onderwijs zit hem natuurlijk op de eerste plaats in de inhoud. Maar uitdagend onderwijs vraagt ook een flinke inzet van studenten. Zij moeten geen tijd krijgen om zich te vervelen. Dus steken zij de nodige tijd in hun schoolloopbaan. Scholen en bedrijven begeleiden hen daarbij. Dus ook hen kun je aanspreken op de inzet van voldoende tijd.
Het principiële gelijk van van Meenen leidt dus waarschijnlijk niet tot een heel andere praktijk. Goed onderwijs vraagt de inzet van voldoende tijd, zowel door de school als door de student.

Daar komt bij dat het onderwijs ook moet kijken naar het denken in haar omgeving. In het kader van horizontale verantwoording verwacht het publiek niet alleen goed, maar ook voldoende onderwijs. Laten we omwille van principes die publieke stellingname niet verwaarlozen en juist zorgen voor goed én voldoende onderwijs. In die volgorde, maar wel met oog voor beide aspecten.

Daarmee grijpen we ook de kans om het ongelijk van SP en PVV aan te tonen. Feitelijk zeggen zij “beter veel, slechte lessen, dan weinig, goede lessen”. Ook hier kun je een principiële discussie over voeren. De opstelling van de minister voorkomt deze discussie en biedt scholen de kans om hun focus op de eerste plaats te leggen bij het bieden van kwalitatief goed onderwijs. Laten we die handschoen oppakken!

Doelmatigheid … makkelijker gezegd dan gedaan

Onder de noemer “macrodoelmatigheid” zijn MBO-instellingen in de meeste regio’s al geruime tijd met elkaar in gesprek. Op een aantal terreinen zijn in de afgelopen periode concrete stappen gezet.
De gesprekken over macrodoelmatigheid gaan in den lande feitelijk over verschillende subthema’s:
– De vraag in hoeverre de verschillende instellingen doelmatig omgaan met beschikbare middelen.Daarbij gaat het vooral om de vraag of er geen sprake is van te veel dubbelingen in het aanbod tussen instellingen.
– De vraag op welke manier afspraken gemaakt (kunnen) worden om kleine, specialistische opleidingen in stand te houden.
– De vraag of beroepsopleidingen wel voldoen aan de (toekomstige) vragen van de arbeidsmarkt.

Deze notitie betreft vooral de vraag hoe om te gaan met het laatste vraagstuk. Hierover valt ook het een en ander te lezen in twee rapporten die in de afgelopen maanden verschenen van de zijde van MBO2015 en van de Onderwijsraad.
Ook in de publiciteit komt met enige regelmaat de discussie terug of we niet opleiden voor werkloosheid, dan wel waarom we niet meer opleiden voor die sectoren die zich binnen enkele jaren geconfronteerd zien met een tekort aan arbeidskrachten.

Alhoewel iedereen het eens lijkt te zijn over het feit dat het voorspellen van de arbeidsmarkt moeilijk, zoniet onmogelijk is, valt te verwachten dat het onderwerp arbeidsmarktrelevantie de komende tijd op de agenda blijft staan. Dat kan leiden tot, al dan niet vrijwillige, maatregelen op diverse gebieden:
– arbeidsmarktrelevantie wordt een element dat naar voren moet komen in de voorlichting aan (aankomende) deelnemers
– voor opleidingen met onvoldoende arbeidsmarktrelevantie wordt een licentiestelsel ingesteld, waardoor niet langer iedere instelling vrij kan kiezen voor het aanbieden van opleidingen in deze categorie
– voor opleidingen met onvoldoende arbeidsmarktrelevantie, dan wel onvoldoende ruimte op de “stagemarkt”, wordt een vorm van numerus fixus ingevoerd
– er worden maatregelen getroffen om opleidingen met een hoge kans op werk en een lage instroom van deelnemers extra aantrekkelijk te maken

In alle gevallen is het zo dat we de discussie niet langer kunnen beperken tot de constatering dat de arbeidsmarkt onvoorspelbaar is. Die ruimte zal de sector van overheidswege niet krijgen!

Geef de tijd en doe er iets goeds mee

Efficiencydenken

Het is een groot goed in ons onderwijs dat jongeren die om wat voor reden dan ook pas op latere leeftijd doorgroeien, in staat zijn om hun schoolloopbaan op een hoger niveau voort te zetten.
Door middel van een wijziging in de bekostigingswetgeving dreigen deze mogelijkheden nu beperkt te worden. Dit gebeurt met name door het zogenaamde “cascademodel” waarbij de bekostiging vanaf het vierde verblijfsjaar sterk terugloopt. Feitelijk worden deelnemers na 3,5 jaar niet meer bekostigd.
Ik schets hier graag enkele situaties waarin deze voorstellen een onterecht negatief effect op schoolloopbanen hebben:

Ik merk dat het in sommige gebieden/milieu’s vaak voorkomt dat jongeren, soms daartoe gestimuleerd door hun omgeving, bij het kiezen van een vervolgopleiding “laag insteken”. Zonder in te gaan op oorzaken (en mogelijke oplossingen) van deze situatie constateer ik dat deze jongeren in de loop van hun opleiding kunnen ontdekken dat ze een hoger niveau aankunnen en ambiëren. Aangezien wij als samenleving dringend behoefte hebben aan verhoging van het opleidingsniveau is het heel onverstandig om jongeren deze kansen op deze manier te ontnemen.

Een andere groep deelnemers komt na enige tijd tot de ontdekking dat ze op hun 16e een verkeerde keuze gemaakt hebben bij het kiezen van een vervolgopleiding. Na 1 of 2 jaar verliezen zij hun motivatie en willen kiezen voor een andere opleiding. Voor die andere opleiding zijn ze wél gemotiveerd. Het is nagenoeg onontkoombaar dat dit in bepaalde situaties leidt tot studievertraging. Scholen worden nu, vanwege de beperking in bekostiging, gedwongen om deze overstap te belemmeren. Een belemmering die voorkomt dat zij gemotiveerd doorgaan met hun studie in een richting en op een niveau die bij hen passen.

Uit eerste verkenningen in onze school komen we tot de conclusie dat bij ruim de helft van degenen die langer dan de nominale studieduur op school verblijven, sprake is van een van deze redenen. Daarnaast is er soms sprake van sociale problematiek die vertraging tot gevolg heeft, maar waarbij uiteindelijk wel weer de weg naar een diploma ingeslagen en volbracht wordt.

Extra aandacht hierbij vraag ik voor deelnemers in BBL-trajecten. Het doorgaan van een niveau 2 diploma naar niveau 3 middels een eenjarig traject, zoals de nieuwe regelgeving impliciet nastreeft, is met name in dergelijke trajecten onhaalbaar. Werkgevers, met name in de technische branches, hebben ons in de afgelopen periode duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om dergelijke trajecten in zo’n korte tijd te voltooien. Dit naast het feit dat het toch al een schier onmogelijke taak is om deze, vaak iets oudere deelnemers, ook nog eens in de beperkte onderwijstijd op de gewenste niveaus van Nederlands en Rekenen te krijgen. Zeker als we niet willen dat dit ten koste gaat van het aanleren van beroepsvaardigheden en daaraan gekoppelde vakkennis.

Het is terecht dat we nadenken over versteviging, intensivering en verkorting van schoolloopbanen waar dat mogelijk is. De vraag is ten koste waarvan we dat willen realiseren. Het dreigt nu ten koste van grote groepen jongeren te gaan. Jongeren die de arbeidsmarkt opkomen met een diploma op een lager niveau dan zij aankunnen. Daarmee komen ze ook op de arbeidsmarkt met minder kansen op duurzame arbeid, we weten allen dat eisen op dit gebied alleen maar hoger worden.

Waar we denken dat we op deze manier zuiniger met overheidsmiddelen omgaan, geldt dit alleen voor de middelen van OC&W. Over enige tijd zal het leiden tot een hoger beroep op de middelen van andere departementen …


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën