Posts Tagged 'kwaliteit'

Gewoon, een kwestie van hard werken

Via Twitter stuitte ik afgelopen weekend op een brief van het LAKS aan de minister van onderwijs. Je kunt hem lezen via de volgende link: http://www.laks.nl/nieuws/nieuwsbericht/laks_stuurt_tweede_kamer_brief_over_onderwijstijd/ Het gaat me er nu niet om of ik het met alles in de brief eens ben, maar het is een verstandige, afgewogen brief. De mate van nuance is er een waar velen jaloers op kunnen zijn. En één passage zette me aan tot verder denken. In die passage betreurt het LAKS het dat de opdracht om binnen scholen een brede en informele dialoog op te zetten is losgelaten.

Daarmee kom je op een verschijnsel dat momenteel steeds grotere vormen aanneemt: de formalisering van ons onderwijs (en waarschijnlijk van een groter deel van de publieke sector). Een paar voorbeelden:

Binnen het MBO is een professioneel statuut opgesteld dat docenten een stevige positie geeft als het gaat om de inhoudelijke en personele invulling van het onderwijs. Hoe graag zou ik daarover op allerlei manieren met hen in gesprek gaan. Dat doe ik overigens ook, al zou het mooi zijn als het meer gebeurde. Maar wat moeten we nu doen: we moeten een reglement werkoverleg opstellen dat duidelijk maakt via welke spelregels dat gesprek gevoerd moet worden.

Op dezelfde manier is zijn de wet op de ondernemingsraad en de wet op de deelnemersraad aanleiding tot veel procedurele gesprekken. Vaak doen we dingen omdat de wet het voorschrijft. De vraag wat we echt nodig vinden als school, het gesprek over wat goed gaat en wat beter moet, wordt maar al te vaak vertroebeld door wet- en regelgeving. We doen dan wat we moeten doen in plaats van wat we willen doen.

De normen op onderwijstijd zijn deels terecht. Scholen worden bekostigd om een prestatie te leveren en dat dient dus ook te gebeuren. Maar we zijn intussen wel erg bezig om aan het juiste getal te komen. Moet het werken aan kwaliteit niet hoger op de agenda?

De eis om bevoegde docenten onderwijs te laten verzorgen lijkt logisch. Toch is het tevens zo dat je daarmee kijkt naar het bezit van een papieren kwalificatie in plaats van het echt waarnemen van kwaliteit. Als we studenten vragen van wie ze het meest leren, komen dan ook de bevoegde docenten om de hoek kijken? Of scoren de bevlogen ondernemers en andere ervaringsdeskundigen dan hoge(re) ogen?

Tenslotte, het gesprek over organisatiestructuur, CAO en functieprofielen leidt de aandacht vaak af van de echte opdracht die we onszelf moeten stellen: hoe klaren we met elkaar de klus waarvoor we school zijn: studenten op de beste manier zoveel mogelijk leren?

Ik ben zo bang dat we het hiermee niet gaan redden. Dat deze formalisering de ziel uit ons onderwijs haalt. Dat het juist dit is waar docenten op afknappen. Dat we dat niet kunnen repareren door een fenomeen als prestatiebeloning.

Gelukkig kwam ik in hetzelfde weekend een blog tegen waarin gepleit wordt voor goed teamwork om tot optimale prestaties te komen. Daarvoor zijn geen ingewikkelde procedures, regels en sturcturen nodig. Daarvoor zijn drie elementen van belang: inhoud, proces en relatie. En daar moet je gewoon met elkaar hard aan werken. Zie verder: http://xanderjongejan.nl/2011/10/de-3-onderdelen-van-goedteamwork/

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.

Met minder geld meer en beter onderwijs?

Het klinkt tegenstrijdig, maar toch lijkt de titel van dit blog de opdracht voor het MBO aardig weer te geven. Het actieplan MBO “Focus op vakmanschap” beschrijft maatregelen waarmee zowel kwaliteitsverbetering als besparingen gerealiseed zouden moeten worden. Is dit mogelijk?
We zullen manieren moeten vinden om beide zaken zo goed mogelijk voor elkaar te krijgen. In het blad Backstage werd een aantal mensen gevraagd om te reageren op deze paradox. Ik haal er enkele citaten uit die mij aan het denken zetten.
Aan het einde geef ik als conclusie de belangrijkste elementen weer als opdracht voor bestuurders.

Olaf McDaniel, directeur CBE Consultants
De leraren moeten beter en die leraren moeten een hogere productie leveren. Dat is nodig want het aantal productieve uren is erg laag.
Wil je naar de top-5 van de mondiale kenniseconomie, dan meoten de scholen 45 weken per jaar open zijn.
Ik zet in op de versterking van de professionaliteit van de docenten om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren en hun belastbaarheid omhoog te brengen.

Eric Zwaart, ABN AMRO, sector banker onderwijs
Als het aan het kabinet ligt zal de lengte van de opleidingen van het mbo van 4 naar 3 jaar gaan en kan een leerling niet zonder drempel van het vmbo naar het mbo. Dat zal leiden tot omzetvermindering, die niet kan worden opgevangen. Dat betekent opnieuw reorganiseren, Een slecht vooruitzicht, …
Minder deelnemers, minder geld. Het is dus belangrijk om rekening te houden met de regionale speerpunten en je als mbo te positioneren op je sterke punten. Gevolg van de krimp is dat het onderwijsnetwerk minder fijnmazig wordt. De juiste keuze in regioverband voor goed en goed bereikbaar onderwijs is van groot belang.

Frank Kalshoven, medeoprichter De Argumentenfabriek, initiator De Netwerkschool
De Netwerkschool denkt vanuit het belang van de student en niet dat van de organisatie of de docent.
Voor hem (=de student) kan de school 52 weken per jaar open zijn en kan die mbo-opleiding best in drie jaar worden gedaan. De heersende aanpak dateert in essentie nog uit de 19e eeuw.
Verder is de ICT-revolutie die het maatschappelijk leven heeft veranderd, grotendeels aan het onderwijs voorbij gegaan.
Docenten besteden volgens schattingen momenteel niet meer dan de helft van hun tijd aan het primaire proces. Als dat enige tientallen procenten omhoog kan, houdt het onderwijs bakken met geld over.

Ben Geerdink, voorzitter college van bestuur ROC RijnIJssel, lid raad van toezicht Kennisnet, voorzitter saMBO-ICT
De kracht om te veranderen komt neer op de rug van de docenten. Dat betekent een hogere werkdruk.
Met het slim inzetten van ICT is in het mbo nog veel te winnen.
(over co-financiering:) Een opleiding moet niet te afhankelijk zijn van de markt. Dat kan link zijn. Toch zal een mbo-school moeten beseffen wat de vraag is van het bedrijfsleven.

Lars Bovenberg, hoogleraar economie Universiteit van Tilburg
Ik zie veel in nieuwe financieringsvormen. Kijk naar de sponsoring van leerstoelen aan de universiteiten, Rijke mensen die een erfenis besteden aan onderwijs. De populariteit van het maatschappelijk ondernemen. Dat kan ook het mbo ten goede komen.

Concluderend, vat ik bovenstaande samen als opdracht aan bestuurders. Deze bestaat uit de volgende elementen:
– Zet in op verhoging van de productiviteit van docenten
– Zet in op professionalisering van docenten
– Zet in op meer en betere inzet van ICT in het onderwijs en de organisatie
– Kies voor een heldere positionering in de regio op basis van regionale speerpunten
– Onderzoek nieuwe financieringsmogelijkheden

Hoezo normaal …?

De botsing in de Tweede Kamer met de titel “Doe eens normaal, man” blijft de media (en blijkbaar ook mij) bezighouden. Vaak gaat het dan om vragen van wellevendheid. Kan dit soort taal wel gebruikt worden? Geven we hiermee niet het verkeerde voorbeeld? Ik laat dat even voor wat het is.

Ik neem aan dat het hier niet gaat om een “slip of the tongue” maar om een doordachte interventie ten behoeve van politiek gewin. Als we iets van Geert Wilders kunnen leren dan is het hoe hij door zijn toon in het debat mensen voor zich weet te winnen. De vraag is of we ons die lessen ter harte moeten nemen.

Dat denk ik niet! De lessen die Geert ons leert zijn de lessen van populisme. Dat begrip vat ik samen in onderstaande punten:

  • Emotie is belangrijker dan inhoud.
  • Korte termijn is belangrijker dan lange termijn.
  • Groter worden is belangrijker dan beter worden.
  • Wij zijn belangrijker dan zij.
Ik zie kenmerken van populisme terug in het debat over onderwijs. Naast bovenstaande kenmerkende prioriteitstelling is populisme zeer incidentgestuurd. Beweringen worden bovendien zelden onderzocht. Dat laatste benoem ik als “werken op basis van wat je denkt te weten” i.p.v. “werken op basis van wat je echt weet”.
Wat zien we in het kader van deze redenering terug in het debat over onderwijs?
  • versimpeling van de werkelijkheid tot een overzichtelijk aantal kengetallen
  • kritiek op vernieuwing vertalen in een pleidooi voor restauratie
  • het geluid van enkelen behandelen als het resultaat van onderzoek
Als laatste element dat ik hier wil belichten, sta ik stil bij de relatie tussen media en politiek.
Onlangs las ik dat het grootste deel van de kamervragen gesteld wordt n.a.v. berichtgeving in de media. Maar die berichtgeving gaat op haar beurt natuurlijk voor het grootste deel over incidenten. Omdat deze berichtgeving tot kamervragen leidt, betekent dat extra publiciteit. Dat is wat de media willen. Dat is wat politici willen. Want uiteindelijk kennen we maar één motto:
“het maakt niet uit wat er over je gezegd wordt, als er maar iets over je gezegd wordt”

Is controle een illusie?

Deze week werkten we met een grote groep collega’s aan het vraagstuk van kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Centrale vraag voor de betrokken leidinggevenden was of je “in control” bent op dit terrein. Een geweldige dag met veel commitment om met elkaar de slagen te maken die we nodig vinden.

Het begrip “in control” vraagt enige toelichting. Ik denk dat het gaat om het maken van een drieslag:

  1. WETEN HOE HET ZIT: Weet je waar in de organisatie problemen bestaan en successen geboekt worden?
  2. WETEN HOE HET KOMT: Heb je een analyse die duidelijk maakt wat deze problemen en successen veroorzaakt?
  3. WETEN HOE HET MOET: Pleeg je interventies die effectief zijn bij het oplossen van problemen en behouden/verbreden van successen?
Voor de eerste stap hebben we met elkaar een krachtige set instrumenten beschikbaar. Om te weten hoe het zit kijken we op drie manieren naar de organisatie:
  1. Kwantitatief: hoe staat het er voor als we naar de cijfers kijken? Hoe zit het met rendement, met uitval, met ziekte, financieel?
  2. Kijken naar jezelf: hoe staat het met het bereiken van de resultaten waar je overeenstemming over bereikt hebt dat die van belang zijn?
  3. Luisteren naar je omgeving: hoe zien relevante anderen de meerwaarde die je toevoegt? Wat vinden onze cursisten, onze docenten en de bedrijven met wie we samenwerken?
De stappen 2 en 3 (hoe het komt en hoe het moet) zullen in de komende periode aandacht vragen.
MAAR, ….
eigenlijk zit ik met een ander vraagstuk ik mijn hoofd (of misschien zelfs in mijn maag): kun je wel “in control” zijn? Komt dit begrip (en het denken dat er achter zit) niet uit een omgeving die fundamenteel anders is dan die van het onderwijs (en vele andere omgevingen waarin dienstverlening centraal staat)?
In een geïndustrialiseerde omgeving kan ik me voorstellen dat er sprake is van een forse mate van controle. Je kunt een goede inschatting maken van de output, op basis van input en throughput. Ook weet je wat er gebeurt als je iets verandert. Het is mijn tak van sport niet, maar ik kan me een voorstelling maken bij de uitspraak van de manager dat hij “in control” is.
Hoe anders zit dat bij onderwijs. Hoe groot is de onzekerheid bij het zetten van de stappen 2 en 3! Kun je wel echt weten waarom het is zoals het is? Kun je wel verder komen dan het maken van een (enigszins onderbouwde) inschatting? En kun je wel echt voorspellen wat het effect van je interventies is? Is het niet zo dat wat de ene keer helpt de andere keer (ook al lijkt die nog zo op die ene) volstrekt anders uitpakt?
En, tenslotte … waar komt al die aandacht voor “in control zijn” vandaan? Als bestuurder krijg ik bij elke vorm van toezicht dezelfde vraag. Accountant, inspectie, raad van toezicht, ze vragen het allemaal “bent u als bestuurder in control?” In hoeverre is het stellen van deze vraag geen uiting van gebrek aan vertrouwen. Gebrek aan vertrouwen in degenen die uiteindelijk kwaliteit wel of niet realiseren: de professional op de werkvloer.

Het kan dus toch anders!

De uitzending van Nieuwsuur over het Zweedse Handelsbanken houdt me stevig bezig. Nooit eerder bekeek ik een item twee keer via uitzendinggemist, waarvan de tweede keer met aantekenblokje erbij. Voor de volledigheid hier een link naar deze uitzending: http://nieuwsuur.nl/video/248713-portret-van-een-bijzondere-bank.html
Op verschillende manieren zien we dat we momenteel in allerlei sectoren een crisis kennen. Daar is die grote internationale, economische en financiële crisis, die zich toespitst op de situatie in en rond Griekenland. Tegelijk zien we in Arabische landen een opstand van, met name jonge, mensen die volwaardig deel willen nemen aan de moderne wereld. Maar ook binnen ons eigen land zien we natuurlijk dat het nog steeds niet goed gaat. De banken en andere financiële instellingen lijken hun gedrag van enkele jaren geleden weer even snel op te pakken als ze het lieten vallen toen het even niet meer kon. Binnen de publieke sector kunnen we de ogen niet blijven sluiten voor het feit dat belastinggeld niet direct gebruikt wordt voor datgene waar het voor bedoeld is, maar (tot ergernis van velen) voor zelfverrijking aan de top, terwijl de werkvloer soms lijdt onder steedskleinere budgetten . Het kan, een bank zonder bonus

De genoemde uitzending maakt duidelijk dat het mogelijk is om afscheid te nemen van vanzelfsprekendheden. Bankiers kunnen prima functioneren zonder bonussen. Banken kunnen prima renderen zonder de verkoop van producten die vooral bedoeld zijn om klanten op kosten te jagen. Banken kunnen overleven als ze vooral denken aan wat goed is voor de klant inplaats van aan wat geld oplevert voor de bank.

Maar de bankenwereld is mijn wereld niet, ook al bekijk ik hem met interesse. De reportage bracht mij vooral op de vraag wat we in de publieke sector kunnen leren van Handelsbanken uit Zweden. Naast de uitzending van Nieuwsuur vond ik een wat ouder artikel in VKbanen: “Het kan, een bank zonder bonus”http://www.vkbanen.nl/banen/artikel/Het-kan-een-bank-zonder-bonus/100064.html
Op basis van deze twee bronnen haal ik een aantal elementen naar voren die we zouden kunnen vertalen naar de publieke sector.
  1. Er is geen sprake van bonussen en/of van overbodige producten. Op die manier kan het belang van de klant centraal blijven staan. Het gaat om de vraag wat goed is voor de klant, niet om de vraag wat je aan een klant kunt verdienen.
  2. Werken volgens het “kerktorenprincipe” betekent dat je vanaf de kerktoren alle klanten moet kunnen zien. “Als je je klant niet kent, kun je ook geen zaken voor hem doen”.
  3. Keep it simple! Beoordeling gebeurt aan de hand van drie overzichtelijke criteria. Bji de handelsbanken is dat:
    1. Zijn de klanten tevreden?
    2. Zijn de inkomsten hoger dan de kosten?
    3. Is de boel administratief op orde?
  4. Er is sprake van verregaande decentralisatie, waarbij de macht bij de filialen ligt.
  5. Er is sprake van transparantie en “menselijkheid:
    1. Filialen hebben inzicht in elkaars kosten
    2. De prestaties worden gepubliceerd, niet om af te rekenen, maar om elkaar tot steun te zijn.”
    3. De directeur die niet verbeterd wordt eerst geholpen en dan eventueel in een andere functie geplaatst. Ontslaan doen ze niet aan!
    4. Je hoeft niet de beste te zijn, als je maar progressie boekt.
Het moet toch te doen zijn om ook een school (ziekenhuis, verzorgingshuis, woningcorporatie, ….) op basis van deze elementen te organiseren. Ik ga er eens stevig over nadenken en hoop op suggesties en natuurlijk op kanttekeningen!

De leider besproken …

Onder redactie van Dolf van den Berg verscheen onlangs een nieuw boek over onderwijsinnovatie: “Onderwijsinnovatie: geen verzegelde lippen meer”. Ik ontdekte het via een recensie. Die had ook een fijne titel: “Onderwijsbestuurders maken er een potje van”.
Na lezing van de eerste bijdrage blijft bij mij het beeld hangen dat het, zoals de titel van de recensie al doet vermoeden, de bestuurders, managers en beleidsmakers zijn die er van langs krijgen. Wellicht zelfs (tenminste voor een deel) terecht: er is de afgelopen jaren teveel niet goed gegaan.
Tegelijk lees ik hoe de autonome docent, zijn  capaciteiten, motivatie en intenties boven alle twijfel verheven zijn. Ik heb al eerder aangegeven dit beeld te simpel te vinden.
Toch staan er natuurlijk ook behartenswaardige zaken in. Zo kwam ik in diezelfde eerste bijdrage (verder ben ik nog niet) een overzicht tegen dat me erg aanspreekt. Het overzicht geeft kenmerken van schoolleiders die als voorspeller gelden voor de effectiviteit van het schoolteam. Vanaf het eerste memoment van lezen vind ik ze, alhoewel niet hemelbestormend, inspirerend. Ik geef ze hier dan ook onverkort weer:
  1. Leiders in deze school tonen respect voor interactie met hun leerlingen.
  2. Leiders in deze school zijn bereid hun eigen werkwijzen te veranderen in het licht van de  nieuwe voorstellen.
  3. Leiders in deze school tonen probleemoplossende werkwijzen die ik voor mijn werk goed kan gebruiken.
  4. Leiders in deze school creëren een klimaat en sfeer van zorg voor elkaar en onderling vertrouwen.
  5. Leiders in deze school hebben succes en resultaat binnen ons beroep hoog in het vaandel staan.
  6. Leiders in deze school zijn zich goed bewust van mijn unieke behoeften en deskundigheid.
  7. Leiders in deze school zorgen voor morele ondersteuning doordat ik me gewaardeerd voel voor mijn bijdrage.
  8. Leiders in deze school stimuleren mij na te denken over wat ik voor mijn leerlingen moet doen.
  9. Leiders in deze school moedigen mij aan om mijn eigen doelen voor professioneel leren te volgen.
  10. Leiders in deze school moedigen ons aan om onze werkwijzen te evalueren en deze zo nodig te verfijnen.
  11. Leiders in deze school moedigen  mij aan om nieuwe werkwijzen uit te proberen in overeenstemming met mijn eigen interesses.
  12. Leiders in deze school hebben hoge verwachtingen van ons als professionals.

Toch ontbreekt hier ook iets. Twee zaken worden in dit overzicht (en wellicht in de hele discussie over onderwijsmanagers en -bestuurders)  onderbelicht:

  • Deze kenmerken kunnen zeker leiden tot een effectief team. Ze zullen ook leiden tot tevreden docenten. In ons ROC zijn we niet tevreden met tevreden docenten alleen. Wij zoeken tevredenheid in de driehoek: cursisten – bedrijven – medewerkers. En dat is lastiger want niet altijd stroken deze drie met elkaar. Een goede bestuurder weet met die spanning om te gaan.
  • Daarnaast ontbreekt in dit overzicht volgens mij de externe dimensie van verantwoording waar we in de nederlandse scholen bij voortduring mee te maken hebben. De criteria waarmee die verantwoording geschiedt stroken ook niet altijd met het bovenstaande. Terwijl dit overzicht sterk gebaseerd lijkt op trust en support van medewerkers, zien we bij de verticale verantwoording een hang naar control, vaak gebaseerd op wantrouwen jegens de school en haar medewerkers (docenten, management én bestuurders).

Verantwoording in wantrouwen

In een eerder blog benoemde ik angst als een van de motieven waarom bestuurders huiverig zijn om zich publiekelijk te verantwoorden. Voor alle duidelijkheid: met het benoemen van dit motief heb ik geen oordeel willen vellen. Ik ben van mening dat publieke instellingen zich publiek moeten verantwoorden. Bestuurders zijn ervoor verantwoordelijk dat dat gebeurt. Ik behoor dus tot de aangesprokenen van mijn eigen weblog en moet bedenken op welke manier ik aan mezelf gehoorzaam zal zijn.

In het algemeen signaleer ik schroom om te verantwoorden. Een van de oorzaken daarvoor is volgens mij de angst. Waarom zijn we bang om onze resultaten te tonen? Dit gebeurt natuurlijk vooral als het gaat om tegenvallende, onvoldoende resultaten. Waarom houden we die liever verborgen? Geloven we er zelf in dat het geloofwaardig is als we alleen met positieve resultaten naar buiten komen? Of is die ongeloofwaardigheid een reden om dan maar helemaal niets naar buiten te brengen?

Angst om te verantwoorden lijkt me samen te hangen met het wantrouwen waarmee bestuurders en publieke instellingen bejegend worden. Het hele systeem van (publieke) verantwoording is volgens mij gebaseerd op wantrouwen. Dat wantrouwen leidt tot dichtgetimmerde auditsystemen, waarin controleurs/inspecteurs/auditoren m.b.v. afvinklijstjes komen kijken of je voldoet. Er wordt steeds minder ruimte geboden om vanuit eigen verantwoordelijkheid en passend bij de eigen context zelf een manier van verantwoorden te ontwerpen en te presenteren. Daar komt bij dat inspectie pas nieuwswaarde lijkt te hebben als er fouten gevonden worden.

Wie wantrouwen ervaart zal alles doen om te voorkomen dat dat bevestigd wordt. Wie wantrouwen ervaart ziet verantwoording afleggen als een risico: onvoldoendes zijn geen aanleiding tot verbeteren, maar tot afstraffen. En bang voor straf zijn we allemaal ….

Heroverwegingen mbo gewogen

We zullen de tering naar de nering moeten zetten. Maar wel op een verstandige manier. Het lijkt dan ook goed als veel betrokkenen eens kijken naar de resultaten  van de commissies heroverwegingen. Niet om ze naar de prullenbak te verwijzen , maar om ze op haalbaarheid en wenselijkheid te beoordelen.
Volgens mij moeten we niet bezuinigen op het MBO. Dat neemt niet weg dat we, zeker in de huidige financiële krapte, goed moeten kijken of we middelen vrij kunnen maken om te besteden aan verdere kwaliteitsverbetering. Hieronder per maatregel mijn eerste reacties.
1. Samenvoegen Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
Lijkt in eerste instantie haalbaar. Past in streven naar vereenvoudiging kwalificatiestructuur.
ROC’s zorgen nu al vaak zelf voor stageplaatsen.
2. Verminderen aantal opleidingen
Lijkt goede optie.
Betreft vermindering van het aantal BOL-opleidingen door verbreding van het programma. Specialisering gebeurt in latere leerjaren (uitstroomdifferentiaties), dan wel middels BBL-opleiding.
Overheid bepaalt maximaal aantal opleidingen en uitstroomdifferentiaties.
Vermindering kwalificatiedossiers zorgt voor vereenvoudiging organisatie en vermindering (administratieve) lastendruk.
Van belang is om breder opleiden af te stemmen met branches.
3. Verbeteren transparantie middelbaar beroepsonderwijs
Deze maatregel is niet relevant als het gaat om het realiseren van bezuinigingen/ombuigingen.
Enkele aanvullende opmerkingen:
・ In principe is meer transparantie een wenselijke ontwikkeling
・ Het behoort bij het publieke karakter van het MBO dat verantwoording wordt afgelegd over bereikte resultaten.
・ Het verbreden van resultaatdenken van rendement naar leerwinst past bij de steeds groter wordende diversiteit van doelgroepen en aanbod van ROC’s.
・ De vraag is of centrale examens het gewenste middel daartoe zijn. Het versterkt de trend om meer en meer vakken in het MBO te gaan beschouwen zoals in het VO gebeurt. De verbinding van theoretische vakken (in het rapport wordt economie genoemd) en het beroep waarvoor opgeleid wordt, zal gaan ontbreken.
・ Het is de vraag of meer openheid over resultaten daadwerkelijk zal leiden tot “stemmen met de voeten”. Voor veel opleidingen is in de nabije omgeving geen alternatief. Dat kan op twee manieren wellicht versterkt worden:
・ bredere opleidingen zijn eerder betaalbaar aan te bieden
・ een OV-jaarkaart voor MBO-cursisten vergroot hun mobiliteit
4. Afschaffen drempelloze toegang mbo-2
Deze maatregel is niet relevant als het gaat om het realiseren van bezuinigingen/ombuigingen.
Voorstel gaat er vanuit dat voor instroom in mbo-2 aan een van de volgende voorwaarden voldaan moet worden:
・ vo-diploma
・ mbo-1 diploma
・ overgangsbewijs havo 3 naar havo 4
・ toelatingsonderzoek niveau 2
Voor wie niet aan een van deze toelatingsvoorwaarden voldoet, is mbo-1 beschikbaar.
Hiermee lijken bepaalde problemen binnen mbo-2 te verminderen.
Mbo-1 krijgt twee doelstellingen: doorstroom naar mbo-2 en toeleiding naar arbeidsmarkt. Afrekenen lijkt echter alleen te gebeuren op de tweede doelstelling: toeleiding naar arbeidsmarkt. Dit staat op gespannen voet met het feit dat daarmee geen startkwalificatie behaald wordt (en er dus sprake zal zijn van een zwakke positie op de arbeidsmarkt).
In de afwegingen wordt hiernaast aangegeven dat diverse doelgroepen binnen mbo-2 niet langer bij elkaar in de klas zullen zitten. Dat lijkt maar de vraag, gezien bovenstaande schets van vier wegen die naar instroom in mbo-2 leiden.
5. Aparte Vsv-gelden via een prestatiebox integreren in de bekostiging
Dit betreft een pure bezuiniging op wat in het algemeen gezien wordt als een van de prioriteiten waar in het onderwijs aan gewerkt moet worden. Bezuinigingen zullen de tot nu toe bereikte resultaten weer teniet doen, mede gezien het feit dat met het afnemen van het aantal vsv-ers scholen steeds dichter bij de harde kern komen waarvoor meer inspanning nodig zal zijn om het schoolverlaten succesvol te bestrijden.
Toekenning van de middelen aan reguliere bekostiging met nadere afspraken omtrent verrantwoording is m.i. geen probleem en kan leiden tot vermindering adfminsitratieve lasten.
6. Tegengaan studievertraging in het mbo
Bij deze maatregel worden scholen bekostigd voor een totale opleiding. Dit zou het aantrekkelijk moeten maken om opleidingen te bekorten. Daar moeten we echter niet naar streven. Het is namelijk in tegenspraak met het streven naar verhoging van niveau en kwaliteit van het mbo. En dat moet prioriteit hebben.
In het rapport staan enkele overige risico’s al aangegeven: afstroom, selectie aan de poort. Daar komt nog bij dat het aantekkelijk kan worden om makkelijker diploma’s af te geven.
Verder wordt aangegeven dat de maatregel zal samengaan met extra uitvoeringslasten. Als deze niet tot verhoging van het macro-budget mogen leiden, zullen deze middelen ten koste gaan van beschikbare middelen voor het primaire proces.
7. Vmbo-bl en mbo-2 tot startkwalificatie in 5 jaar (VM2)
Vooraf even de opmerking dat deze maatregel pas in 2018 een, vrij beperkt, financieel effect heeft.
Bij deze maatregel halen jongeren geen vmbo-diploma. Daarmee lijkt de maatregel in tegenspraak met de maatregel waarmee drempelloze instroom in mbo-2 beëindigd wordt. Wat gebeurt er met een leerling die uit het traject stapt? Die heeft geen instroomrechten meer. Daarmee wordt een zware keuze voorgelegd op zeer jeugdige leeftijd, terwijl we steeds beter weten dat keuzeprocessen dan bij de meeste jongeren juist nog niet afgerond zijn.
Hoe wordt deze maatregel afgestemd op het idee van bredere opleidingen?
Besluitvorming omtrent deze maatregel zou niet eerder plaats moeten vinden dan na beëindiging van de lopende VM2-experimenten.
De vraag is ook hier in hoeverre verkorting van de opleidingsduur nagestreefd moet worden in plaats van verhoging van (uitstroom)niveau en kwaliteit.
8. Mbo niveau 3 en 4 opleidingen intensiveren en verkorten
Maatregel lijkt ongewenst omdat het leidt tot verschraling van de opleidingsprogramma’s. Hoe kan dit gecombineerd worden met toenemende vraag om meer algemeen vormende elementen in programma’s op te nemen (llb, nederlands, engels, rekenen/wiskunde)? Hoe kan dit gecombineerd worden met verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Dat vraagt wel om intensiveren, maar niet om verkorten.
Mogelijke tijdswinst door samenwerking vmbo-mbo-hbo kan wel een optie zijn, maar is van een andere orde.
Er zijn inderdaad signalen dat intesivering mogelijk en zelfs wenselijk is. Maar de vraag is of met deze maatregel niet het verkeerde effect bereikt wordt.
9. Invoeren leeftijdsgrens mbo
Maatregel lijkt in strijd met streven naar leven lang leren.
Vergelijking publiek – privaat kan niet alleen op dit element gemaakt worden, maar moet dan breder gebeuren (arbeidsvoorwaarden, verantwoordingsverplichtingen, bekostigingsvoorwaarden, …).
Het tegengaan van oneigenlijk gebruik van publieke bekostiging moet gebeuren, maar niet via deze maatregel. Dat zou betekenen dat “goeden onder slechten lijden”. Daarnaast is oneigenlijk gebruik niet per definitie gebonden aan leeftijd van deelnemers.

klein is fijn … echt waar?

Is er een verband tussen schaalgrootte en kwaliteit? Als reactie op tekortschietende kwaliteit in het MBO horen we steeds weer dat de ROC’s te groot zijn. Als bewijsvoering komt men dan met de vakscholen die kleiner zijn en een betere kwaliteit zouden leveren. En de redenering gaat in alle eenvoud door: daarom zou het goed zijn als de oude MTS, MEAO, etc. terug zouden komen.

Natuurlijk doe ik de meningen die genuanceerder opereren in deze discussie hiermee tekort, maar toch … steeds weer kom ik elementen uit het bovenstaande tegen. En volgens mij klopt niet een van die elementen. In het kort een paar beweringen om bovenstaande zaken te ontkrachten:

  • Veel kleine basisscholen staan op de inspectielijst met (zeer) zwak onderwijs
  • De vakscholen hanteren een pittig toelatingsbeleid en bieden alleen opleidingen op hoge niveaus aan. Daarmee houden zij bepaalde problematiek buiten de deur. ROC’s moeten en/of willen deze problematiek bewust binnenhalen en aanpakken.
  • De “oude” MTS e.d. kenden, in vergelijking met het huidige MBO, vooral een andere didactiek die hen onderscheidt van modern beroepsonderwijs. Wie met bedrijven spreekt hoort in het algemeen dat het nodig was om het roer om te gooien zodat er sprake kon blijven van een goede aansluiting tussen MBO en bedrijfsleven.

Iedere zwakke opleiding is er één teveel. Het gaat dus niet aan om met discussies als bovenstaande het gesprek over het beroepsonderwijs af te doen. Waar het aan ontbreekt is het gesprek over wat nou echt bepalend is voor kwaliteit. Wat bevordert de kwaliteit in een school? Een voorzet:

  • leerlingen of studenten kennen elkaar en hun docenten en andere begeleiders
  • docenten en begeleiders kennen elkaar en hun leerlingen of studenten
  • deze mensen hebben een goede plek waar ze elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar kunnen werken
  • opleidingen zitten logisch in elkaar en zijn inhoudelijk verbonden met het perspectief dat leerlingen/studenten geboden wordt
  • docenten en begeleiders zijn capabel, zowel vakinhoudelijk, didactisch als pedagogisch
  • docenten en begeleiders zijn up-to-date: ze weten wat de ontwikkelingen zijn in het bedrijfsleven en vervolgonderwijs, zodat ze hun leerlingen/studenten daarop voor kunnen bereiden

DIt alles vraagt om kleinschalig en transparant organiseren. Maar dat kan misschien wel het beste in een grote organisatie. Wat zijn de voordelen daarvan:

  • mogelijkheden voor specialisatie, waardoor betere aansluiting bij diversiteit aan leer- en begeleidingsbehoeften
  • meer mogelijkheden voor breed aanbod, maatwerk en doelgroepenbeleid
  • efficiënter organiseren van overhead maakt meer ruimte vrij voor inzet in primair proces
  • meer mogelijkheden om alternatieven te bieden als jongeren ontdekken dat opleiding niet past bij hun capaciteiten en/of ambities

Kortom: groot kan net zo fijn zijn, als je er maar een goed plekkie kan vinden


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën