Posts Tagged 'MBO'



Onderwijsteams – geen panacé of wondermiddel, wel een belangrijk instrument

Ik weet niet hoe het in andere sectoren zit, maar in het mbo is ondubbelzinnig gekozen voor het onderwijsteam als kern van de organisatie. Dat is zelfs vastgelegd in de CAO en nader uitgewerkt in een professioneel statuut dat onder andere een aantal bevoegdheden van het onderwijsteam regelt.
Een goede zaak dat de kern van het werk neergelegd bij de professionals. Maar tegelijk een stevige opdracht voor diezelfde professional. Het geven van bevoegdheden gaat immers altijd gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid en het afleggen van verantwoording. Voor de individuele docent betekent dat:
– Ik mag iets.
– Ik moet zorgen dat ik het dan ook goed kan.
– Ik moet laten zien dat het dan ook goed gebeurt
Daarmee wordt het werk van de docent steeds meer vergelijkbaar met dat van professionals in andere beroepen. Maar er zit nog een addertje onder het gras. In deze drie zinnen zitten twee woorden die om inhoud vragen:
– “iets”: wat is het dan wat de docent/het team mag? Met andere woorden, welke bevoegdheden komen daar nu precies te liggen?
– “goed”: wanneer is het goed? Met andere woorden, welke normen hanteren we om de kwaliteit van het werk in beeld te brengen? En niet te vergeten … wie bepaalt die normen?
Ondanks deze vragen en onzekerheden beschouw ik mezelf als een verklaard voorstander van onderwijsteams die het voortouw nemen bij onderwijsontwikkeling en –uitvoering. Dat vraagt een omslag in de organisatie die ik weergeef met de transitie “van regisseren naar faciliteren”. Daarbij weet ik dat, zoals alles wat je kort probeert te zeggen, ook dit weer vervormd zal worden als mensen proberen hun gelijk te halen.

Vanuit deze invalshoek zal ik ook denken als ik ten behoeve van een artikel over onderwijsteams in het mbo binnenkort geïnterviewd wordt. Daarvoor heb ik hieronder op basis van enkele vragen nog wat gedachten proberen te ordenen.

Wat zijn de ervaringen uit de praktijk?
De onderwijsteams een centrale positie geven in de organisatie brengt een aantal voordelen met zich mee:
– Docenten worden (weer) (meer) eigenaar van het primaire proces en minder uitvoerder van andermans ideeën.
– Docenten gaan meer samenwerken, waardoor de nadruk minder op het geïsoleerde vak ligt, maar meer op de relatie van dat vak met het beroep waarvoor opgeleid wordt.
– Samenwerking kan vrij snel leiden tot minder dubbelingen en betere afstemming van lesinhouden. Daardoor wordt het bestaande aanbod efficiënter en ontstaat ruimte voor nieuwe inhouden die het programma uitdagender (kunnen) maken.
Wat het lastig maakt is dat teams, hoe zorgvuldig je ze ook samenstelt, onderling sterk verschillen. In je beleid kun je niet net doen alsof die verschillen er niet zijn, of (gemakshalve) maar kiezen voor “het gemiddelde”. Die uitdaging is te vergelijken met de uitdaging voor docenten om rekening te houden met de verschillen tussen studenten. Die verschillen vragen om een andere vorm van begeleiding/leiderschap, maar stellen ook grenzen aan ambities op het gebied van haalbaarheid en wenselijkheid.

Worden de resultaten van scholen beter nu onderwijsteams verantwoordelijk zijn voor het onderwijsproces?
– Daadwerkelijke verbetering van resultaten is geen kwestie van een snelle verandering van de organisatie. Dat vraagt om een cultuurverandering die tijd kost.
– Tegelijk zie je wel dat teams een belangrijke rol (kunnen) spelen, bijvoorbeeld bij het verminderen van voortijdig schoolverlaten. Juist in een team kan snel gesignaleerd worden dat iemand dreigt af te haken. Daar kunnen dan ook afspraken gemaakt worden over een (gezamenlijke) aanpak om dat afhaken te voorkomen.
– Daarnaast zijn met teams beter afspraken te maken over onderwijsontwikkeling. Die moet immers juist de grenzen van vakken overstijgen, als je wilt dat ontwikkelingen inspelen op datgene wat zich in de omgeving van de school voordoet.

Hoe zorgen schoolbestuurders ervoor dat onderwijsteams voldoende professionele ruimte hebben om invulling te geven aan het Professioneel Statuut?
Als schoolbestuurder mag van je verwacht worden dat je alles in het werk stelt om studenten het best mogelijke onderwijs te bieden. Zoals hierboven gesteld, denk ik dat werken in teams daarbij een belangrijke rol kan spelen. Om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken is het van belang dat zorggedragen wordt voor een aantal zaken:
– Duidelijke afspraken m.b.t. “wie gaat waarover” (CvB – leidinggevende(n) – OR – teams)
– Continuïteit qua teamsamenstelling
– Diversiteit qua teamsamenstelling, op veel vlakken (leeftijden, achtergronden, ervaring, teamrollen/affiniteit/deskundigheid)
– Continuïteit qua en kwaliteit van leidinggevende(n)
Dit klinkt volgens mij heel logisch en tegelijk zien we in de praktijk dat het soms moeilijk is om deze vanzelfsprekendheden voor elkaar te krijgen. Het blijft mensenwerk en de omgeving van scholen kan vrij turbulent zijn. Dat betekent dat je nog zo zorgvuldig kunt plannen, samenstellen, etcetera, maar steeds weer doen zich dingen voor, hetzij in persoonlijke sfeer, hetzij in de omgeving van de school, die nopen tot aanpassing. Los van de genoemde zorg voor duidelijkheid is het dus nodig om flexibel te blijven in de organisatie, maar ook in de houding van mensen die steeds weer om moeten kunnen blijven gaan met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen.
Dat lukt alleen als we vertrouwen in elkaar houden en vanuit dat vertrouwen met elkaar een open en professioneel gesprek aan (blijven) gaan.

Hoe vindt de boer zijn nieuwe baan?

Beste Frank Kalshoven,

Zoals (bijna) iedere week, ook nu weer met interesse je wekelijkse column gelezen. En voor het eerst leidt het tot een reactie, omdat je een onderwerp aansnijdt dat mij momenteel erg bezighoudt.
De voortgaande robotisering vraagt van mensen om te gaan zoeken naar nieuwe banen. Begrijpelijk en terechte constatering. We spannen immers het paard achter de wagen als we, uit angst voor werkloosheid van bepaalde groepen, de robotisering tegen zouden gaan. Dan wordt arbeid iets wat niet meer noodzakelijk is, maar toch behouden blijft als vorm van bezigheidstherapie.
Daarmee ben ik het dus erg eens. Maar ik zie een probleem ontstaan …
Als bestuurder van een ROC zie ik in de MBMO-sector drie groepen jongeren ontstaan:
De toppers die vaak doorstuderen op HBO, maar ook met een MBO-diploma gewild zijn op de arbeidsmarkt. ZIj hebben het gevraagde niveau, de vaardigheden en de benodigde flexibiliteit om zich op de arbeidsmarkt, hopelijk gedurende een lange tijd, staande te houden.
De “onderkant” die om wat voor reden dan ook niet in staat is een startkwalificatie te halen, of die zich ondanks die startkwalificatie, niet weet te redden op de arbeidsmarkt. Voor hen bedenken we plannen, acties, regelingen, etcetera. Op het niveau van nagenoeg ongeschoolde arbeid zijn er voor hen de nodige mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Alhoewel dit een kwetsbare groep is en blijft, heeft de markt voor hen wel het nodige te bieden.

Mijn zorgen gaan uit naar wat ik hier maar de “tussengroep” noem. Zij halen, al dan niet met veel moeite, hun diploma op niveau 2 of 3. Daarmee voldoen zij aan de standaardeis van een startkwalificatie, wat zoveel wil zeggen als “geschikt om aan het werk te gaan”. Maar blijkt dat niet steeds vaker een illusie? Zit de arbeidsmarkt nog wel op deze mensen te wachten? Het zijn juist deze banen die, ten gevolge van die robotisering, steeds meer verdwijnen. Of het nou in de industrie is, in de dienstverlening, de automatisering, of wat dan ook … deze mensen werken op de afdelingen die gesaneerd worden omdat het werk overgenomen kan worden door machines.
Wat hebben wij hen te bieden? Zijn er voor deze groepen bereikbare nieuwe banen? Of gaan zij tenonder in het adagium dat we allemaal op een hoger niveau moeten gaan (af)studeren? Terwijl het behaalde diploma voor hen vaak ook het hoogst bereikbare (b)lijkt te zijn.
Zijn zij dan gedwongen om “onder hun niveau” werk te zoeken en te vinden? Worden zij de concurrenten van de zwakere groep aan de onderkant waar ik hierboven over sprak?
Ik weet het niet … maar het baart wel zorgen ….

Met vriendelijke groet,

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Voor tweede keer stoten aan dezelfde steen? Geloof in marktwerking onderwijs blijft bestaan

Op 29 januari nam ik deel aan een rondetafelgesprek van de kamercommissie van OCW. Onderwerp was de ontwikkelingen rondom volwasseneneducatie. Een onderwerp waar verkeerde dingen gebeuren terwijl veel te weinig mensen zich er druk om maken. Hier mijn tekst:
Bijdrage Ronde Tafel Gesprek Volwasseneducatie (29-1-2014)

Problemen/uitdagingen
In de afgelopen jaren is de focus van VE steeds scherper geworden. Daarmee is ook veel verloren gegaan aan opleidingen en cursussen die zich in de volle breedte richtten op het optimaliseren van participatiemogelijkheden van desbetreffende doelgroepen.
In de afgelopen jaren was sprake van een forse terugloop van beschikbare middelen. OP macroniveau van 350M naar 50M; op de instelling waar ik werk van ongeveer 5,7M naar 1,5M (VAVO isnin beide bedragen niet meegenomen!).
De beperkte middelen noodzaakten tot het maken van keuzes en daarmee tot het aanscherpen van de focus. Nu is die focus met name gericht op het thema “laaggeletterdheid”.

Aanpak laaggeletterdheid
Wij hechten grote waarde aan de professionaliteit van de uitvoering als we spreken over laaggeletterdheid. Het gaat hier om een vak dat niet eenvoudig overgenomen kan worden door vrijwilligers, ook niet nadat zij een beperkte mate van scholing ontvangen hebben. Misschien moeten we die bijzondere term “educatie” wel heroverwegen. Daarmee wordt voortdurend een onderscheid gemaakt met al het overige “onderwijs”. Maar dit is gewoon een vorm van onderwijs, zoals voortgezet, hoger, universitair …
Let wel, we spreken hier niet (meer) over het aanleren van dagelijkse taalvaardigheden, zoals we dat begin jaren tachtig kenden bij het lesgeven aan zogenaamde Nieuwe Nederlanders. Als vrijwilliger kun je iemand prima het verschil tussen een tafel en een stoel aanleren. Maar het taalniveau waarop iemand in Nederland volwaardig kan participeren gaat over andere dingen. Over abstracte begrippen, over juiste toepassing van grammaticale regels, over semantische nuances, over het adequaat omgaan met een steeds verder gedigitaliseerde (taal)omgeving.
Het is niet voor niets dat in het onderwijs zoveel aandacht aan taal- en rekenniveau besteed wordt. Voor volwaardige kansen op participatie, en zeker voor een reële kans op werk, worden op dit vlak forse eisen gesteld. Dat kan slechts waargemaakt worden als ook de begeleiding aan hoge professionele eisen voldoet.
Op de basisschool krijgen jongeren acht jaar de tijd om zich, onder professionele begeleiding, deze vaardigheden eigen te maken. Volwassenen krijgen minder tijd en ook aan de kwaliteit van de begeleiding dreigt geknabbeld te worden,
Onze afdeling voor volwasseneneducatie heeft in de afgelopen jaren, samen met gemeenten, gewerkt aan de ontwikkeling van een stevige infrastructuur. Daarbij werden lessen gegeven op plaatsen die zich zo dicht mogelijk bij de doelgroep bevonden. Daarbij ging het niet per definitie om schoolgebouwen, maar in principe om locaties die door de doelgroep als laagdrempelig beschouwd worden. Denk aan buurthuizen, verenigingsgebouwen, bibliotheken, basisscholen, etc.
Met name op het platteland dreigt de verlaging van het beschikbare budget te leiden tot een afbraak van deze dringend gewenste fijnmazige infrastructuur.

Effecten bekostiging
Al eerder wees ik op de forse terugloop van het beschikbare budget voor volwasseneneducatie. Het is niet meer dan logisch dat het aanbod daardoor verschraalt. Wij zijn blij met het gegeven dat in elk geval de VAVO-middelen zijn veiliggesteld voor de komende periode. Daarmee kan deze voorziening, die een belangrijke rol speelt in het toeleiden naar een hoger kwalificatieniveau van bepaalde groepen, in stand blijven.
Het resterende, beperkte budget voor educatie blijft nu bij de gemeente. Zijn zijn vrij in het kiezen van de uitvoerder. Daarmee komt het budget op de vrije markt, vergelijkbaar aan de ontwikkelingen rondom inburgeringsmiddelen in de periode rond 2007-2008. Blijkbaar hebben we daar weinig van geleerd. Naast het mogelijke principiële standpunt dat een dergelijke publieke voorziening niet onderhevig moet worden aan de vrije marktwerking, hebben we ook gezien dat deze beweging een nadelig effect heeft op de kwaliteit en het voorzieningenniveau.
Veel tijd (en geld!) gaat zitten in omslachtige aanbestedingsprocedures. Veel gemeenten dachten goedkoper uit te zijn, maar bleken een kat in de zak gekocht te hebben. Naast publieke instellingen en kwalitatief hoogwaardige private opleiders, vonden ook de zogenaamde “vrije jongens” deze doelgroep. Met personeel dat gebukt ging onder zeer matige arbeidsvoorwaarden konden zij trajecten aanbieden waar, zeker met de onderwijs-cao, niet tegen te concurreren viel.
Het gefaseerd toebrengen van de middelen naar de vrije markt is voor scholen een welkome maatregel. Zowel met het oog op zorgvuldig omgaan met personeel als op het inspelen op de nieuwe situatie biedt dit meer mogelijkheden. Het blijft echter een uitsmeren van de pijn. De pijn wordt er in totaal nauwelijks minder van.
De beperkte middelen die gemeenten krijgen betekenen ook, zeker in combinatie met andere bezuinigingsopdrachten die zij moeten realiseren, dat kansen voor jongeren en ouderen die niet als vanzelf mee kunnen in het scholingssysteem dat we in Nederland kennen, steeds kleiner worden. Scholen komen steeds meer buiten spel te staan als het deze groep betreft. Gemeenten hebben steeds minder middelen beschikbaar om alternatieven te ontwikkelen en te financieren waarmee deze doelgroepen alsnog de draad van “leven en leren” op kunnen pakken.

Als je de lat lager legt, gaat de prestatie niet omhoog

Onder de titel “Meer kansen voor kwetsbare jongeren” presenteerde de Onderwijsraad vandaag een advies dat moet leiden tot een betere voorbereiding van kwetsbare jongeren op arbeidsmarkt en samenleving. Het advies valt uiteen in twee delen. In het kort luidt dat als volgt:

  1. Ontwikkel een extra diploma onder niveau 2 dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt.
  2. Realiseer meer flexibiliteit in de programmering van niveau 2 opleidingen

Dat zijn in elk geval korte en heldere adviezen. Die vragen om een korte en heldere reactie:

Wat mij betreft “hoe meer flexibiliteit hoe liever, graag ook op andere niveaus”, maar met het introduceren van een extra diploma spannen we het paard achter de wagen (of gooien we het kind weg met het badwater).

Ik probeer mijn reactie kort te onderbouwen en te nuanceren, want er zitten bij beide aanbevelingen echt goede zaken in het advies.

De kwetsbaarheid van jongeren lijkt in het advies beperkt te worden tot kwetsbaarheid ten gevolge van beperkte cognitieve capaciteiten. Tegelijk signaleert de raad terecht dat er vele oorzaken zijn die kunnen leiden tot voortijdig schoolverlaten:

  • fysieke of psychische gezondheidsklachten
  • verslaving
  • zelfoverschatting
  • beperkte zelfregulerende vaardigheden
  • problemen met gezag
  • te weinig ondersteuning en stimulatie van het thuisfront
  • werk vinden
  • school bevalt niet

Als ik al deze oorzaken bekijk, die ik ook allemaal herken, dan begrijp ik de eenvoud van het advies niet meer goed. Als iemand door een of enkele van deze oorzaken geen startkwalificatie kan halen … moet het dan maar op een lager niveau afgerond worden? Moeten we dan niet juist methodieken ontwikkelen om deze zaken aan te pakken en alsnog aan een startkwalificatie te komen?

Die nieuwe methodieken moeten dan natuurlijk gerelateerd worden aan de relevante oorzaken. Daarmee komen we op terreinen die niet meer exclusief van of voor de school zijn. Het aanpakken van deze problematiek met het oog op het halen van een diploma vereist intensieve samenwerking tussen school en begeleidingsinstellingen.

In Friesland krijgt die aanpak vorm onder de titel “School als werkplaats”. Google de term eens of klik op deze link om er iets meer over te lezen: http://www.mbodiensten.nl/mbodiensten/download/presentaties/toespraak-conferentie-gebundelde-kracht-in-een-kansrijk-mbo.pdf

Naast het feit dat de aanbeveling van de onderwijsraad mijns inziens niet aansluit bij de genoemde, zeer uiteenlopende oorzaken, worstel ik met een ander dilemma. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat de eisen die gesteld worden aan werknemers steeds hoger en complexer worden. Welk perspectief bieden we jonge mensen dan, door hen op een lager niveau te diplomeren? Een diploma is nooit garantie tot succes, maar je mag toch hopen dat het wel een perspectief op succes presenteert. Vaak wordt dat al betwijfeld als we kijken naar MBO-diploma’s op niveau 2. Wat is de relevantie dan van een eventuele diplomering op een nog lager niveau? Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de volgende uitspraak in het advies: “Jongeren die de startkwalificatie niet behalen lopen een grotere kans dan anderen om de aansluiting met de veranderende samenleving te missen”. Die aansluiting realiseer je niet door het verlagen van de normen voor een kwalificatie, maar door het verhogen van de competenties, redzaamheid en weerbaarheid van de betrokken jongeren.

Geen recht op stage, maar op praktijk

20131211-212845.jpg

Vanmiddag nam ik deel aan een bijeenkomst rondom het fenomeen “stagerecht”. Aanleiding was het initiatief van de Tweede Kamerfractie van de PvdA naar aanleiding van negatieve berichten omtrent stages in het MBO. Studenten zouden een recht op stage moeten hebben als zij een MBO-opleiding volgen. Het initiatief riep veel en uiteenlopende reacties op. Mooi dat daarom dit gesprek georganiseerd werd. Op die manier krijgt de dialoog tussen politiek en werkveld een echte kans. Ik geef hier kort mijn bijdrage aan de bijeenkomst weer. Deels een herhaling van eerdere opvattingen uit mijn blogs, deels ook weer een verdere verfijning (hoop ik).
Op de eerste plaats moeten we ons daarbij realiseren dat we met het MBO een goede onderwijssector hebben in Nederland. Recent onderzoek van de OECD, waarin internationale vergelijkingen gemaakt worden, bevestigt dit.
Maar er is wel iets aan de hand. Naast acute problemen maakt de huidige economische crisis ook een aantal weeffouten in het systeem zichtbaar. Deze komen naar voren in een tijd van laagconjunctuur. Maar we mogen niet vergeten dat ze bestaan als die conjunctuur weer aantrekt. Zo zien we op het ogenblik:
– dat BBL-plaatsen wegvallen omdat werkgevers geen/nauwelijks/minder banen meer aanbieden
– dat het op sommige plaatsen steeds moeilijker wordt om BPV-plaatsen te vinden voor MBO-studenten (met name in bepaalde sectoren, voor bepaalde niveaus, in bepaalde regio’s)
– dat in deze spannende tijden gedeelde verantwoordelijkheden dreigen te vervallen tot verdeelde verantwoordelijkheden, waarbij oorspronkelijke partners (scholen, bedrijven, overheid) naar elkaar gaan zitten kijken met de verwachting dat de ander oplossingen realiseert.
Deze problemen wijzen op structurele weeffouten en systeemafhankelijkheid van de economische conjunctuur. Voor de lange termijn vraagt dit om een herontwerp van (delen van) het systeem. Tegelijk moeten we op korte termijn praktische oplossingen vinden voor de prolemen die we nu ondervinden. Doen we dat laatste niet dan is de huidige generatie de dupe. Doen we dat eerste niet, dan zullen latere generaties dat zijn.
Oplossingen vinden we niet door het uitdelen van rechten. Het recht van de een vraagt een plicht van de ander. Maar zo eenvoudig is het niet. Een gebrek aan stageplaatsen wordt veroorzaakt door diverse aspecten. Belangrijke daarbij zijn het keuzegedrag van studenten en het aanbod van bedrijven. Wie kan deze zaken sturen? Wie kan de verantwoordelijkheid (lees: plicht) op zich nemen om te zorgen dat dit goedkomt? Dat valt niet zo eenvoudig bij één partij neer te leggen.
Ik pleit voor een andere benadering. Die gaat niet uit van het begrip stage, maar van het begrip praktijk.
Praktijk is een essentieel onderdeel van een MBO-opleiding. Juist deze groepen leren vanuit praktijkervaring. Juist deze groepen moeten kennis opdoen die hen helpt in die praktijk en waarbij de verbinding tussen theorie en praktijk goed te maken valt.
Stage is een mogelijke vormgeving van die praktijk, maar er zijn er meer. De, in mijn ogen kunstmatige, verdeling van een onderwijsprogramma in Begeleide Onderwijstijd en BPV (stage) veroorzaakt onnodige bureaucratie en spanningen. De cruciale vraag is of een onderwijsprogramma activiteiten biedt die leiden tot goed gekwalificeerde studenten die met open armen ontvangen worden op arbeidsmarkt of vervolgopleiding.
Daarvoor zijn veel meer praktijkervaringen dan de traditionele BPV geschikt. Zeker voor het ontwikkelen van brede, algemene competenties, waar steeds meer vraag naar lijkt te komen, kan die praktijk ook prima gevonden worden in vrijwilligerswerk of in een maatjessysteem met ZZP-ers. Daarmee creëer je praktijkplekken die niet vallen onder de huidige, gecertificeerde BPV-plekken, bijvoorbeeld omdat ze niet bij een erkend leerbedrijf horen. Maar staat of valt daarmee het systeem? Of gaat het om wat ik eerder zei:
– wordt er geleerd?
– wordt er goed begeleid?
– worden de goede dingen geleerd?
Laten betrokkenen uit onderwijs en bedrijven, wellicht gefaciliteerd door de overheid, met elkaar in de regio creatieve antwoorden bedenken over deze kwesties. En geef ruimte aan dat wat bedacht wordt. Zowel studenten als bedrijven zullen ervan profiteren.

MBO on tour … ambitie genoeg, nu een agenda

Jet Bussemaker is op tournee! In de eerste paar maanden van dit schooljaar bezoekt zij een fors aantal MBO-instellingen om daar met betrokkenen te spreken over de stand van zaken in de sector. Laat ik beginnen met een groot compliment. Heerlijk dat een bewindspersoon op deze manier laat merken hart te hebben voor dat deel van ons onderwijs dat opleidingen verzorgt voor zo’n 60% van onze jeugd. Nog beter is dat zij over kwaliteit en problemen in dat onderwijs het gesprek aangaat met alle betrokkenen, studenten, docenten, bestuurders en overige stakeholders.

Om de gesprekken enigszins te stroomlijnen heeft het ministerie van OCW een discussienotitie uitgebracht. De notitie geeft een beeld van enkele cruciale kwesties waarover de minister graag met de sector in gesprek gaat. Het zijn geen volkomen nieuwe kwesties, maar dat maakt ze niet minder actueel. Hier een link naar deze notitie: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/publicaties/2013/10/15/discussienotitie-voor-de-mbo-tour-een-toekomstbestendig-mbo.html
Over de meeste schreef ik al eerder. Hieronder zal ik dan ook af en toe verwijzen naar eerdere blogposts van mezelf. Maar uiteraard probeer ik ook weer een stapje te zetten in mijn eigen denken, zowel voor wat betreft de analyse van de problematiek als voor wat betreft (mogelijke) oplossing(srichting)en.
Als afronding vraag ik aandacht voor enkele kwesties die, volgens mij ten onrechte, in de discussienotitie buiten beschouwing gelaten worden.
vooraf
Door de hele notitie heen spelen enkele zaken die ik vooraf wil belichten:
  • Gelukkig wordt steeds weer gewezen op het belang van ICT.  Ontwikkelingen op dit gebied zijn een belangrijk hulpmiddel voor modern onderwijs. Maar vooral hebben deze ontwikkelingen een grote impact op de beroepen waar het MBO voor opleidt. En die impact zal vertaald moeten worden in de inhoud van onze opleidingsprogramma’s.
  • Misschien nog belangrijker vind ik de erkenning van het ministerie dat de wereld sneller verandert dan wij bij kunnen houden. En dat dat leidt tot een steeds grotere mate van onvoorspelbaarheid waar we naar toe gaan. Dat betekent dus dat we niet precies in kaart kunnen brengen waar we voor opleiden. Wat zijn voor de jongeren van nu de cruciale kennis, vaardigheden, competenties in de wereld van morgen? Wie het weet mag het zeggen! Maar wie het denkt te weten moet voorzichtig zijn.
  • Tenslotte speelt een belangrijke rol dat het beleid zich richt op een betere concurrentiepositie van het MBO t.o.v. het (H)AVO. De route naar het HBO zou via het MBO (minstens) even aantrekkelijk en succesvol moeten zijn als via een HAVO-diploma. Dat is ook de onderbouwing van de grote aandacht die besteed zou moeten worden aan algemene vakken als taal, rekenen en dergelijke. De vraag is wat mij betreft of we die concurrentie wel aan moeten gaan op die gebieden die nu als zwak betiteld worden. Het valt te overwegen om juist de sterke kanten van een MBO-opleiding meer naar voren te brengen (leren in de praktijk, vaardigheden ontwikkelen, etc.).

drie thema’s

In de notitie worden drie thema’s verder uitgewerkt:
  1. Aansluiting van het MBO op de arbeidsmarkt
  2. Aandacht voor studenten in een kwetsbare positie
  3. Samenwerken of concurreren, de verhouding tussen de MBO-instellingen onderling

Ik ga hieronder in op deze thema’s.

aansluiting van het MBO op de arbeidsmarkt
Bij dit thema komt de onvoorspelbaarheid van de toekomst het meest pregnant naar voren. Om hier een antwoord op te formuleren wordt voorzichtig gepleit voor het ontwikkelen van brede opleidingen in het MBO. Brede opleidingen versterken de inzetbaarheid en flexibiliteit van de MBO-er. Ik schreef daar eerder het volgende over:
“Steeds vaker hoor ik pleidooien voor een bredere onderbouw in het MBO, gevolgd door specialisatie in de laatste periode van de opleiding. Dat betekent afscheid nemen van al die honderden opleidingen. Dat betekent dat het MBO op twee of drie niveaus opleidingen aanbiedt in acht á tien domeinen. Daarmee kom ik op een totaal van zestien tot dertig brede beroepsopleidingen. Deze kunnen voor langere tijd ingevuld worden, omdat ze zich vooral richten op algemenere arbeids- en burgerschapscompetenties. Deze veranderen veel minder snel dan de beroepsvaardigheden, die direct samenhangen met de praktijk in het bedrijf. Het aanleren daarvan, kan prima gebeuren in stages en op leerwerkplekken.” (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2013/07/30/ocw-spant-paard-achter-de-wagen-doelmatigheid-en-arbeidsmarkt-niet-gediend-met-nieuwe-voorstellen/ )
Momenteel worden de kwalificatieprofielen in het MBO opnieuw ontworpen. Het is de bedoeling dat halverwege 2014 nieuwe, toekomstbestendige kwalificatieprofielen vastgesteld worden. Daar kunnen we dan weer even mee vooruit.
Ik heb er een hard hoofd in. De ontwikkeling van deze profielen gaat onvoldoende uit van de hiervoor genoemde onvoorspelbaarheid. Alhoewel de opdracht is om te komen tot een vermindering van het aantal opleidingen, vrees ik dat deze reductie, als het al slaagt, van een zeer beperkte omvang zal zijn.
Op deze korte termijn verwacht ik geen wonderen, maar het is zaak dat er zo snel mogelijk een slim groepje aan de slag gaat om te komen tot een veel radicalere aanpassing van het palet aan opleidingen die het MBO biedt. De kern van dat palet bestaat wat mij betreft uit een zeer beperkt aantal profielen in diverse domeinen en op diverse niveaus. Als die romp staat, kan dat natuurlijk aangevuld worden met bijzondere opleidingen die een bijzondere positie vergen. Maar wel in die volgorde en niet andersom (zoals nu soms gedacht lijkt te worden als het gaat om kleine. specialistische opleidingen).
aandacht voor studenten in een kwetsbare positie
Bij dit thema gaat de notitie vooral in op de ontwikkeling van entreeopleidingen, een belangrijk onderdeel van het actieplan “Focus op vakmanschap”. De aandacht voor deze doelgroep is een goede zaak. Het is een belangrijk kenmerk van het MBO dat studenten in de volle breedte bediend worden met adequaat onderwijs en begeleiding.
Entreeopleidingen bieden de mogelijkheid om voor deze doelgroep te komen tot een betere uitstroom richting arbeidsmarkt of een betere doorstroom naar een niveau 2 opleiding (en dus een startkwalificatie).
Maar ik plaats vraagtekens bij het effect van de entreeopleidingen voor die doelgroep die hiermee niet direct adequaat bediend wordt. Ook daarover schreef ik eerder:
“Ondanks een aantal goede bedoelingen zal de introductie van de entreeopleidingen desastreuze gevolgen hebben voor bepaalde groepen jongeren.” (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2012/02/27/entreeopleiding-doet-deuren-niet-alleen-open-maar-ook-dicht/ )
En hier speelt nog iets. Ik betwijfel of voor studenten in een kwetsbare positie alleen een herontwerp van de opleidingsmogelijkheden voldoende is om hen verder te helpen. Die kwetsbare positie gaat immers om meer dan alleen het leren en de schoolloopbaan.
Om de kans op een succesvolle schoolloopbaan zo groot mogelijk te maken, is het nodig om onderwijs en begeleiding aan te laten sluiten bij de (speciale) behoefte van de desbetreffende studenten. En dan gaat het niet alleen om de groep die in een entreeopleiding terechtkomt. Dat zijn de jongeren die geen VMBO-diploma konden halen, om wat voor reden dan ook. Alleen die groep valt qua problematiek al uiteen in de nodige subgroepen.
Maar ook in de overige MBO-opleidingen zitten de nodige jongeren die zonder extra aandacht hun opleiding niet succesvol doorlopen. Op onze school werken mensen van diverse begeleidingsinstellingen samen met onze docenten om die aandacht zo goed mogelijk te bieden. Ieder doet dat vanuit de eigen expertise en met respect voor de expertise van de ander.
samenwerken of concurreren
Onder dit thema komt een aantal zaken terecht. Belangrijkste onderdeel vormt de stelling “dat mbo-scholen samen moeten zorgen voor een doelmatig opleidingsaanbod in de regio”. Om dat te bevorderen wordt verwezen naar het wetsvoorstel dat daartoe in voorbereiding is.
In dat voorstel krijgt de minister (in uiterste instantie) de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake is van een van de volgende situaties:
  • (te) veel afgestudeerden lukt het niet om een baan te vinden na het behalen van een diploma. Dat zou een symptoom zijn van te veel opleidingen die onvoldoende aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt.
  • ten gevolge van te veel kleine, versnipperde opleidingen komt de instelling in financiële problemen
Het is wat mij betreft de vraag of hiermee daadwerkelijk doelmatigheid bereikt wordt. Samenwerking in elk geval niet perse. Zolang de twee bovenstaande zaken maar op orde zijn, kunnen instellingen zo veel concurreren als ze willen. In die zin blijven we hinken op twee gedachten. Bij het ontstaan van ROC’s werd sterk de nadruk gelegd op keuzevrijheid en ruimte voor concurrentie als instrumenten om de kwaliteit van de opleidingen te bevorderen. Daarvoor was het aan te bevelen als jongeren de keuze hadden uit meerdere instellingen. Onlangs werd met deze motieven een voorgenomen fusie tussen twee ROC’s nog verboden.
Tegelijk zien we dat in sommige regio’s al geruime tijd sprake is van “slechts” één aanbieder. En is het daar nou zoveel slechter? Inderdaad, een retorische vraag.
Overigens zou het onderwerp samenwerking wat mij betreft veel breder opgepakt moeten worden. Om te komen tot doelmatig werken, maar vooral om optimale leerwegen te realiseren, is een veel breder netwerk van samenwerkende instellingen van belang.
Ik denk dan aan samenwerking tussen mbo-instellingen, maar ook met vmbo en hbo in de regio, met jeugdzorg, (school)maatschappelijk werk en andere welzijnsinstellingen en natuurlijk aan intensieve en structurele samenwerking met bedrijven.
Het valt te betwijfelen of het in zo’n situatie wenselijk is om twee vergelijkbare ROC’s als speler te hebben in een regio. De meerwaarde daarvan is volgens mij nog niet of in elk geval onvoldoende aangetoond.
tenslotte
Zoals gezegd heeft het ministerie met deze discussienotitie een aantal kernthema’s te pakken als het gaat om de toekomst van het MBO. Het aansnijden van de thema’s zou in de komende periode uit moeten monden in een agenda waarlangs ze ook aangepakt en opgelost worden. Ik hoop daar enkele gedachten voor aangedragen te hebben in deze tekst en de verwijzingen naar eerdere gedachtespinsels.
Twee onderwerpen wil ik nog toevoegen:
  1. De noodzaak en haalbaarheid van de eisen die gesteld worden aan taal- en rekenniveaus. Zie ook — link —
  2. De houdbaarheid van het gescheiden systeem van BOL- en BBL-opleidingen. In het huidige economische tijdsgewricht zien we dat BBL-opleidingen het zwaar te verduren hebben. De BOL is voor sommige doelgroepen slechts in theorie een alternatief. Voor de korte termijn gaf ik al eens enkele gedachten prijs (zie: https://frankvanh.wordpress.com/2013/07/15/jeugdwerkloosheid-een-poging-tot-alternatief-denken/ ). Daarmee komen we deze crisis wellicht door. Maar laten we daarna niet op de volgende crisis wachten en zo snel mogelijk gaan werken aan een systeem dat minder conjunctuurgevoelig is zonder de voordelen van BBL-trajecten te verliezen.
En als allerlaatste …
Laten we eens na gaan denken over een aantrekkelijk systeem van beroepsonderwijs zoals we dat over een jaar of tien zouden willen hebben. We hebben een stip op de horizon nodig om gezamenlijk naar toe te werken. Nu zitten we gevangen in het huidige systeem en zoeken te veel naar snelle oplossingen voor problemen van vandaag. Maar we weten dat die problemen van vandaag gevolgd worden door problemen van … morgen.

Als je niet alles kunt wat je wilt, …. (over onhaalbare eisen en oplossingen)

Afbeelding

Het MBO heeft in de wet een drievoudige opdracht meegekregen:

  • opleiden voor een beroep (vakopleiding)
  • toerusten voor de maatschappij (burgerschap)
  • voorbereiden op een leven lang leren (leerhouding)

Twee van de drie doelen die ik hier benoem lijken me niet exclusief voor het MBO. Het hele onderwijs zou leerlingen en studenten moeten toerusten voor actieve participatie in de maatschappij. En een leven lang leren is ook niet voorbehouden aan MBO-studenten.

Als MBO-instelling hebben we overigens nog een andere “dubbele”opdracht. Naast het toeleiden naar de arbeidsmarkt (vakopleiding) leiden we ongeveer 50% van onze niveau 4 studenten op voor een vervolgopleiding aan het HBO (vooropleiding).

Bij het combineren van al deze verschillende doelstellingen ervaar ik momenteel enkele problemen. En ik denk over een oplossing daarvoor. Dit laatste ter geruststelling. Dit blog gaat niet over een probleem, maar over een mogelijke oplossing!

Het hele onderwijs wordt momenteel gevraagd om na te denken over een aanpak die moet leiden tot een betere beheersing van de basisvakken, zoals we die momenteel zien: Nederlandse taal, rekenen (en Engels). Dat lijkt me terecht. Als onderdeel van de algemene ontwikkeling die moet leiden tot een invulling van burgerschap en tot een actieve leerhouding zijn dit onmisbare vaardigheden.

Het lijkt inmiddels ook niet meer echt ter discussie te staan dat het niveau op deze gebieden in de afgelopen jaren te zeer omlaag gegaan is. Ik accepteer dat standpunt nu, zonder dat ik echt weet of het waar is. Overigens denk ik wel dat er ook de nodige kennis en vaardigheden in de plaats gekomen is voor deze niveauverlaging.

Het terugbrengen van kennis en vaardigheden om het gewenste niveau is een kwestie van lange adem en moet op jonge leeftijd beginnen. Dat neemt niet weg dat we, om een verloren generatie te voorkomen, breed in moeten zetten om “te redden wat er te redden valt”.

Het is dan ook terecht dat het MBO de opdracht krijgt om fors in te zetten op deze vakken. De vraag is echter of het reëel is om de gevraagde resultaten daadwerkelijk te verwachten. Onlangs hoorde ik weer dat 60% van de instromende MBO-studenten bij binnenkomst een rekenniveau bleek te hebben dat onder het eindniveau basisschool ligt. Hoe verwacht men dat dit vervolgens in 2-4 jaar hersteld kan worden?

De inspanningen van primair en voortgezet onderwijs leiden binnen enkele jaren hopelijk tot een verhoging van het beginniveau in het MBO. Maar de vraag is nu wat we in de tussenperiode doen.

Nogmaals: op de eerste plaats werken we ook in het MBO met man en macht aan een verhoging van het niveau op de drie genoemde gebieden. Docenten worden daartoe geprofessionaliseerd en in het rooster wordt er tijd voor vrijgemaakt. Wat we verder ook doen om zaken aan te passen en/of op te lossen … deze inspanning moet blijvend geleverd worden!

De exameneisen zoals die nu echter voor het MBO geformuleerd zijn, lijken mij, ondanks alle inspanningen, onhaalbaar. Als we niets doen, betekent dat de komende jaren een forse verhoging van de ongediplomeerde uitstroom of een forse verlaging van het uitstroomniveau.

Dat betekent een forse aderlating op het gebied van die andere doelstelling van het MBO: het bieden van een vakopleiding. Het valt niet te ontkennen dat beheersing van (alledrie) deze basisvaardigheden niet voor alle MBO-studenten even relevant is, als je kijkt wat ze nodig hebben voor hun toekomstig beroep. Ook werkgevers bevestigen dit. ZIj pleiten steeds weer voor meer aandacht in de opleiding voor de vakvaardigheden. Dit mag van hen best ten koste van Nederlands, rekenen en Engels gaan. Uiteraard moeten we hier wel onderscheid maken met beroepen waarvoor deze vakken (ook) tot de beroepsvaardigheden horen.

Voor degenen die doorstromen naar het HBO is dat natuurlijk heel anders. Daar zien we dat een goede beheersing van deze vakken van groot belang is als het gaat om de kans op succes. Het loslaten van de gestelde eisen leidt wellicht direct tot een verdere verlaging van de succeskansen van MBO-studenten op het HBO.

Wat te doen?

Zoals gezegd hoop ik dat we hier met een tijdelijk probleem te maken hebben. De structurele aandacht voor deze vakken vanaf jonge leeftijd in combinatie met de eisen die gesteld worden in het kader van diplomering zouden binnen een aantal jaren tot een niveauverhoging moeten leiden.

In de tussenliggende periode pleit ik voor een dubbel systeem van diplomering in het MBO. Dat betekent dat voor opleidingen twee soorten diploma’s uitgereikt gaan worden: diploma’s met en zonder doorstroomrecht.

Kort gezegd: wie door wil studeren op een hoger MBO-niveau of een HBO-instelling moet op de gebieden Nederlands, rekenen en Engels voldoen aan de exameneisen zoals deze momenteel gesteld zijn. Wie daar niet aan kan voldoen, maar wel beschikt over alle kennis, vaardigheden en overige eisen die de arbeidsmarkt stelt, kan een diploma ontvangen zónder doorstroomrecht.

Voor de korte termijn voorkomen we daarmee een aantal problemen:

  • een tekort aan werknemers doordat te weinig MBO-studenten aan de diploma-eisen kunnen voldoen, terwijl zij wel in staat zijn om het desbetreffende beroep adequaat uit te oefenen
  • een verlaging van de motivatie van studenten, omdat zij het behalen van een diploma ervaren als een hopeloze missie, want er worden onhaalbare eisen gesteld op terreinen die voor uitoefening van het gewenste beroep niet noodzakelijk zijn
  • een verhoging van het succes van MBO-studenten op het HBO omdat hun instroomniveau beter aansluit bij eisen en verwachtingen van die sector

Het moet om het leren blijven gaan

Meestal heeft zo’n blogpost als deze een aanleiding. Iets dat me tot denken zet omdat ik het van belang vind er iets mee te doen. Van denken naar doen, zeg maar.
Nu zijn er twee aanleidingen, misschien wel drie.
Morgen leggen twee collega-bestuurders een eed af. In navolging van bankbestuurders gaan we nu ook in het onderwijs beloven dat ….
Ja, wat eigenlijk? Sommigen interpreteren het als een belofte om je best te doen, om je werk zo goed mogelijk te doen … Tja, ik mag hopen dat we dat al deden.
Mijn collega’s gaan morgen beloven dat ze het ondewrijs en de leerling centraal stellen. Als we dat morgen beloven, wat deden we dan gisteren?

De eed voor onderwijsbestuurders volgt die van bankiers op. Is de situatie in het onderwijs dan ook vergelijkbaar met de bancaire sector?
Volgens mij niet. Zonder mezelf tot deskundige te bombarderen zie ik in de bankenwereld:
– een beperkt aantal grote spelers die de markt domineren
– een aantal dubieuze producten die door alle grote spelers in de markt gezet zijn
– een sectorbreed beloningssysteem dat mikt op korte termijn winst
– aandeelhoudersbelang dat prevaleert boven klantbelang

De situatie in het onderwijs is echt anders:
– het aantal instellingen is vele malen groter
– er is geen sprake van enkele instellingen die het systeem dragen en daarom “too big to fail” zijn
– er is wel sprake van enkele dubieuze praktijken, maar die staan niet symbool voor de sector
– ten opzichte van het aantal instellingen blijven de uitwassen incidenten

Dat brengt me op de tweede aanleiding voor dit blog: de berichten over ondermaatse opleidingen die zijn aangeboden ten behoeve van belastingvoordeel voor bedrijven. Scholen lijken daarbij financiële resultaten belangrijker gevonden te hebben dan leerresultaten. Om die resultaten te boeken zijn grenzen van wetgeving opgezocht en regels zo uitgelegd dat niet de geest, maar de letter van de wet bepalend werd.

De sector heeft volgens mij geen behoefte aan bestuurders die beloven hun best te doen, maar aan bestuurders die overtuigd voor onderwijs kiezen dat zich niet laat sturen door strategieën uit de private sector.
Het gaat om resultaten van leerlingen en studenten, niet om prachtige cijfers in de jaarrekening. En daarbij passen grote vraagtekens bij termen als marktwerking, concurrentie en prestatiebeloning.

OCW spant paard achter de wagen: doelmatigheid en arbeidsmarkt niet gediend met nieuwe voorstellen

Jet Bussemaker voert momenteel een internetconsultatie uit rondom arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van het MBO. Ik heb het voorstel zojuist nog eens goed gelezen. En, alhoewel je het met de intenties volgens mij nauwelijks oneens kunt zijn, kan ik niet anders dan concluderen dat met deze aanpak de beoogde resultaten niet bereikt kunnen worden.
Daarvoor zijn twee hoofdargumenten:
1. Het voorstel benoemt wel de onvoorspelbaarheid van arbeidsmarkt- en andere ontwikkelingen, maar houdt er feitelijk te weinig rekening mee.
2. Het voorstel laat de huidige kwalificatiestructuur ongemoeid, terwijl daar m.i. een fundamentele oorzaak van de beschreven problematiek ligt.

Daarnaast geeft het uitbrengen van dit voorstel twee verkeerde signalen af:
1. Als het zoveel aandacht krijgt zal het met die arbeidsmarktrelevantie en doelmatighied wel niet best gesteld zijn.
2. De doelstelling van opleiden voor de arbeidsmarkt wordt uitgetild boven de drievoudige kwalificatie die het MBO volgens de wet geacht wordt na te streven:
– arbeidscompetenties
– burgerschapsvorming
– levenlang (loopbaan)leren
Ik probeer bovenstaande beweringen hieronder te staven, eindigend met een pleidooi om het MBO écht anders in te richten.

In een brief aan de vaste Kamercommissie van OCW gaat de MBO-raad in op bezwaren tegen het voorstel van de minister. De MBO-raad redeneert jamemr genoeg vanuit hetzelfde vertrekpunt: de bestaande kwalificatiestructuur wordt in haar fundamenten niet aangetast. Sterker nog, de MBO-raad vindt hierin de argumentatie voor haar bezwaren tegen de ministeriële plannen. Juist die kwalificatiestructuur zou de arbeidsmarktrelevantie van opleidingen waarborgen. Daartoe hanteert zij onderstaande redenering:

“Aan alle mbo-opleidingen liggen door het bedrijfsleven (werkgevers en werknemers) opgestelde beroepscompetentieprofielen ten grondslag. Zo’n profiel wordt alleen opgesteld als er behoefte op de arbeidsmarkt aan zo’n opleiding is en brancheorganisaties een voorstel doen. Op basis van een beroepscompetentieprofiel stellen het mbo en het bedrijfsleven via de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven samen kwalificatiedossiers op. De minister stelt de kwalificatiedossiers vast. Criteria als de behoefte en capaciteit van de (regionale) arbeidsmarkt, de aanwezigheid van erkende leerbedrijven en stageplekken, beschikbare middelen en mensen (personeel) en organiseerbaarheid binnen de scholen worden bij de concrete vormgeving aan het opleidingsportfolio op basis van de landelijk vastgestelde kwalificatiedossiers toegepast. Als scholen overwegen een opleiding te starten of te stoppen, doen ze dat dus in goede afstemming met het omringende bedrijfsleven. Dat is in het mbo fundamenteel anders dan bijvoorbeeld in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.”

Als deze redenering klopt, zou er van een gebrekkige aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt geen sprake kunnen zijn. Maar feitelijk heeft het tot een andere situatie geleid. Bovenstaande aanpak leidde in de afgelopen jaren tot het ontstaan van honderden kwalificatiedossiers, ofwel honderden aparte opleidingen. Dit versterkt het beeld van een eendimensionale relatie tussen opleiding en beroep: het streefbeeld bestaat uit een 1-op-1 relatie tussen beiden, waarbij het ideaal is dat je exact dat beroep uit gaat voeren waarvoor je opgeleid bent.

Maar, zowel mens als arbeidsmarkt zitten daarvoor te complex in elkaar. Beiden zijn bovendien te veranderlijk. En dat vraagt om een hele andere aanpak. Steeds vaker hoor ik pleidooien voor een bredere onderbouw in het MBO, gevolgd door specialisatie in de laatste periode van de opleiding. Dat betekent afscheid nemen van al die honderden opleidingen. Dat betekent dat het MBO op twee of drie niveaus opleidingen aanbiedt in acht á tien domeinen. Daarmee kom ik op een totaal van zestien tot dertig brede beroepsopleidingen. Deze kunnen voor langere tijd ingevuld worden, omdat ze zich vooral richten op algemenere arbeids- en burgerschapscompetenties. Deze veranderen veel minder snel dan de beroepsvaardigheden, die direct samenhangen met de praktijk in het bedrijf. Het aanleren daarvan, kan prima gebeuren in stages en op leerwerkplekken. Omdat die praktijk zo snel verandert, zal dat vaker moeten gebeuren. Daarmee is het aanleren van beroepsvaardigheden, tijdens de MBO-opleiding, feitelijk niet meer dan een eerste stap op het lange pad van een leven lang leren. Dat stopt niet bij het behalen van een diploma. Dat vraagt om regelmatige opfrissing en updates. Niet van kwalificatiedossiers of -profielen, maar van werknemers!

Overigens, mijn voorstel van bredere opleidingen, lost meteen dat andere probleem op … die kleine opleidingen verdwijnen als zelfstandige opleiding en worden onderdeel van een (grotere) bredere opleiding. Ook goed voor de employability van MBO-gediplomeerden.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën