Posts Tagged 'MBO'



Pleidooi voor bedrijfsscholen: eens met het probleem, maar niet met de oplossing

In het Financieel Dagblad van 31 oktober pleit Anne Wil Lucas, namens de VVD woordvoerder beroepsonderwijs in de Tweede Kamer, voor overheidsfinanciering van bedrijfsopleidingen.Zoals altijd lukt het iemand in de week voor de behandeling van de onderwijsbegroting om een podium te vinden voor een bijzonder idee.
Meestal ebt die aandacht na de behandeling snel weg, dus wat dat betreft kunnen we gewoon doorgaan met ons werk. Maar daarvoor is het idee van Lucas, waar ik het grotendeels mee oneens ben, te interessant. Bovendien heeft zij in een aantal observaties gelijk als ze bepaalde problematiek aan de orde stelt.

De kern van haar betoog:
– het MBO kan niet snel genoeg reageren op ontwikkelingen in de arbeidsmarkt
– als bedrijven investeren in opleidingen mogen ze daarvoor ook beloond worden

Op deze twee punten ben ik het grotendeels eens.
Aangezien de noodzaak, volgens Lucas, voor een andere aanpak begint met de traagheid van het onderwijs, sta ik daar even bij stil. Want heeft Lucas zich weleens afgevraagd hoe die ontstaan is? Weet Lucas wat scholen door moeten maken als ze wel snel willen reageren? De aanpassing van een onderwijsprogramma vraagt niet alleen tijd omdat scholen traag zijn. Het vraagt vooral tijd omdat het allemaal binnen strak dichtgeregelde kaders van kwalificatiedossiers, inspectiekaders, onderwijstijd, etc moet gebeuren.
Het lijkt er sinds enige tijd op dat het ministerie bereid is om wat te doen aan die strakke kaders. Dat zou het voor scholen beter mogelijk moeten maken om wel snel te reageren. En dat beschouw ik voor mezelf, als bestuurder van zo’n traag ROC, dan ook direct als een opdracht.
Daarvoor pleitte ik al eerder, ook in dit blog. Zie onder andere Beroepsonderwijs is van de regio (mei 2012) en de reeks Samenwerken is meer … (juli/augustus 2012)
Het voorstel van Lucas leidt tot een beweging van het onderwijs richting vrije markt. In plaats van samenwerken gaan scholen en bedrijven met elkaar concurreren om de leerling/student. Dat past bij haar overtuiging als liberaal dat de vrije markt zoveel mogelijk de ruimte moet krijgen.
Maar het past bij mijn overtuiging dat een aantal zaken in het publieke domein hoort. Onderwijs, tenminste tot het niveau van een adequate kwalificatie voor de arbeidsmarkt, is er daar een van. Dat hoort in scholen thuis. En scholen voor beroepsonderwijs zijn geen knip voor de neus waard als ze bedrijven niet betrekken bij die opdracht. En die bedrijven zijn volgens mij mans genoeg om te zorgen dat ze voldoende beloond worden voor hun inspanningen. De belangrijkste beloning is misschien wel de goed opgeleide, gemotiveerde werknemer die ze binnenkrijgen. Maar als er ook iets in de financiële sfeer moet gebeuren … dan durf ik dat wel aan de markt tussen scholen en bedrijven over te laten.

Verdwijnen MBO-banen vraagt breed offensief i.p.v. één oplossing

Dit wordt een somber bericht, maar ook een oproep tot actie. Een vraag om op te tellen i.p.v. te kiezen.
Gisteren zag ook ik de reportage in Nieuwsuur: 500.000 MBO-banen verdwijnen in de toekomst.
NIeuwsuur
Mijn eerste reactie: dit was al bekend, maar wie komt er met een oplossing? Verder denkend verander ik die vraag in:
– Is er wel een oplossing?
– Is er wel één oplossing?
Laat ik daar eens bij stilstaan …

Is er wel een oplossing?
Gesprekken over dit probleem gaan maar al te vaak over verkeerde keuzes van jongeren, van scholen of van bedrijven. Te vaak wordt voor een populaire studie gekozen. Er wordt te weinig gekeken naar het perspectief op werk. Bedrijven zijn te veel met de korte termijn bezig. Scholen willen alleen maar zoveel mogelijk studenten inschrijven.
Maar zit daar het probleem wel? En daarmee ook … moeten we daar de oplossing zoeken?
Is het niet zo dat het verdwijnen van banen leidt tot een situatie waarin er meer mensen naar een baan zoeken dan er banen beschikbaar zijn? Denk niet aan een bepaalde sector, maar “gewoon” aan het totaal! Als dat zo is, hebben we niets aan betere keuzes of een betere afstemming tussen school en bedrijf. Dan zijn er “gewoon” meer mensen dan banen.
Dat betekent dus dat de oplossing gezocht zou moeten worden in:
– minder mensen (lastig voor elkaar te krijgen en nog lastiger te regelen)
– mensen die minder werken (slecht voor de economische groei als minder werken ook leidt tot minder productiviteit)
– meer banen (maar die moeten dan wel geschikt zijn voor de mensen die nu buiten de boot dreigen te vallen)

Is er wel één oplossing?
De meest gehoorde oplossingen tot nu toe vat ik als volgt samen:
1. In de techniek zijn banen genoeg, dus zorg voor het juiste keuzegedrag. Dwing jongeren desnoods om voor bepaalde sectoren te kiezen. Sluit opleidingen die onvoldoende perspectief op werk bieden.
2. Zorg dat jongeren hun opleiding op een hoger niveau afsluiten. Daarmee sluit hun diploma meer aan op de vraag naar hoger gekwalificeerd personeel vanuit de bedrijven.

Bij beide oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
1. De vraag naar mensen in de techniek varieert sterk per regio. Onlangs verscheen een rapport bij SER Noord Nederland waarin geconstateerd wordt dat er de komende tijd eerder sprake zal zijn van een overschot aan MBO-ers dan een tekort. Advies SER-NN
2. Opleiden op een hoger niveau is een goede zaak, maar we moeten niet de illusie hebben dat het haalbaar is om dat voor iedereen te laten slagen. Om het populair te zeggen: we kunnen niet iedereen slimmer laten worden…

Zo kun je nog even doorgaan. Er zijn meer oplossingen denkbaar. En bij al die oplossingen zijn kanttekeningen te plaatsen:
3. Biedt het terughalen van industrie die eerder geoutsorced werd voldoende volume om het verlies aan banen te compenseren?
4. Zijn de desbetreffende banen op het niveau van de banen waar we nu zo massaal aan verliezen? Of komen er in ruil voor het verlies op MBO 2/3 banen op MBO+ of HBO niveau terug?
5. Zijn er banen te realiseren door binnen huidige werkprocessen door middel van job carving functies te creëren op MBO 2/3 niveau? Valt dat binnen de mogelijkheden van een bedrijf? Ten koste waarvan gaat dat? Hoeveel banen zijn op die manier te realiseren?

Wellicht valt er meer te bedenken …
6. Wat kan het investeren op maakindustrie en ambachtelijke beroepen aan (nieuwe) banen opleveren?
7. Hoe kunnen we de effecten van verdringing van hoog naar laag beperken of voorkomen?
8. Hoe kunnen opleidingen zorgen dat mensen flexibeler inzetbaar zijn in een steeds sneller veranderende beroepenwereld?

Ik sluit af met een paar voorzichtige conclusies:
– Het probleem is complex en dé oplossing is niet voorhanden.
– De discussie moet zich niet richten op de vraag welke oplossing de beste is, maar hoe we zoveel mogelijk eventuele oplossingen in praktijk kunnen brengen onder het motto “alle kleine beetjes helpen”.
– De verschillen, zelfs binnen een klein land als Nederland, zijn groot. Dat vraagt om veel ruimte voor de regio om daar passende maatregelen te nemen.
– Die maatregelen gaan alleen helpen als partijen, zoals onderwijs, overheid en ondernemers, niet naar elkaar kijken maar met elkaar de handen ineen slaan. We zullen het samen moeten doen!

Onderwijsteams – geen panacé of wondermiddel, wel een belangrijk instrument

Ik weet niet hoe het in andere sectoren zit, maar in het mbo is ondubbelzinnig gekozen voor het onderwijsteam als kern van de organisatie. Dat is zelfs vastgelegd in de CAO en nader uitgewerkt in een professioneel statuut dat onder andere een aantal bevoegdheden van het onderwijsteam regelt.
Een goede zaak dat de kern van het werk neergelegd bij de professionals. Maar tegelijk een stevige opdracht voor diezelfde professional. Het geven van bevoegdheden gaat immers altijd gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid en het afleggen van verantwoording. Voor de individuele docent betekent dat:
– Ik mag iets.
– Ik moet zorgen dat ik het dan ook goed kan.
– Ik moet laten zien dat het dan ook goed gebeurt
Daarmee wordt het werk van de docent steeds meer vergelijkbaar met dat van professionals in andere beroepen. Maar er zit nog een addertje onder het gras. In deze drie zinnen zitten twee woorden die om inhoud vragen:
– “iets”: wat is het dan wat de docent/het team mag? Met andere woorden, welke bevoegdheden komen daar nu precies te liggen?
– “goed”: wanneer is het goed? Met andere woorden, welke normen hanteren we om de kwaliteit van het werk in beeld te brengen? En niet te vergeten … wie bepaalt die normen?
Ondanks deze vragen en onzekerheden beschouw ik mezelf als een verklaard voorstander van onderwijsteams die het voortouw nemen bij onderwijsontwikkeling en –uitvoering. Dat vraagt een omslag in de organisatie die ik weergeef met de transitie “van regisseren naar faciliteren”. Daarbij weet ik dat, zoals alles wat je kort probeert te zeggen, ook dit weer vervormd zal worden als mensen proberen hun gelijk te halen.

Vanuit deze invalshoek zal ik ook denken als ik ten behoeve van een artikel over onderwijsteams in het mbo binnenkort geïnterviewd wordt. Daarvoor heb ik hieronder op basis van enkele vragen nog wat gedachten proberen te ordenen.

Wat zijn de ervaringen uit de praktijk?
De onderwijsteams een centrale positie geven in de organisatie brengt een aantal voordelen met zich mee:
– Docenten worden (weer) (meer) eigenaar van het primaire proces en minder uitvoerder van andermans ideeën.
– Docenten gaan meer samenwerken, waardoor de nadruk minder op het geïsoleerde vak ligt, maar meer op de relatie van dat vak met het beroep waarvoor opgeleid wordt.
– Samenwerking kan vrij snel leiden tot minder dubbelingen en betere afstemming van lesinhouden. Daardoor wordt het bestaande aanbod efficiënter en ontstaat ruimte voor nieuwe inhouden die het programma uitdagender (kunnen) maken.
Wat het lastig maakt is dat teams, hoe zorgvuldig je ze ook samenstelt, onderling sterk verschillen. In je beleid kun je niet net doen alsof die verschillen er niet zijn, of (gemakshalve) maar kiezen voor “het gemiddelde”. Die uitdaging is te vergelijken met de uitdaging voor docenten om rekening te houden met de verschillen tussen studenten. Die verschillen vragen om een andere vorm van begeleiding/leiderschap, maar stellen ook grenzen aan ambities op het gebied van haalbaarheid en wenselijkheid.

Worden de resultaten van scholen beter nu onderwijsteams verantwoordelijk zijn voor het onderwijsproces?
– Daadwerkelijke verbetering van resultaten is geen kwestie van een snelle verandering van de organisatie. Dat vraagt om een cultuurverandering die tijd kost.
– Tegelijk zie je wel dat teams een belangrijke rol (kunnen) spelen, bijvoorbeeld bij het verminderen van voortijdig schoolverlaten. Juist in een team kan snel gesignaleerd worden dat iemand dreigt af te haken. Daar kunnen dan ook afspraken gemaakt worden over een (gezamenlijke) aanpak om dat afhaken te voorkomen.
– Daarnaast zijn met teams beter afspraken te maken over onderwijsontwikkeling. Die moet immers juist de grenzen van vakken overstijgen, als je wilt dat ontwikkelingen inspelen op datgene wat zich in de omgeving van de school voordoet.

Hoe zorgen schoolbestuurders ervoor dat onderwijsteams voldoende professionele ruimte hebben om invulling te geven aan het Professioneel Statuut?
Als schoolbestuurder mag van je verwacht worden dat je alles in het werk stelt om studenten het best mogelijke onderwijs te bieden. Zoals hierboven gesteld, denk ik dat werken in teams daarbij een belangrijke rol kan spelen. Om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken is het van belang dat zorggedragen wordt voor een aantal zaken:
– Duidelijke afspraken m.b.t. “wie gaat waarover” (CvB – leidinggevende(n) – OR – teams)
– Continuïteit qua teamsamenstelling
– Diversiteit qua teamsamenstelling, op veel vlakken (leeftijden, achtergronden, ervaring, teamrollen/affiniteit/deskundigheid)
– Continuïteit qua en kwaliteit van leidinggevende(n)
Dit klinkt volgens mij heel logisch en tegelijk zien we in de praktijk dat het soms moeilijk is om deze vanzelfsprekendheden voor elkaar te krijgen. Het blijft mensenwerk en de omgeving van scholen kan vrij turbulent zijn. Dat betekent dat je nog zo zorgvuldig kunt plannen, samenstellen, etcetera, maar steeds weer doen zich dingen voor, hetzij in persoonlijke sfeer, hetzij in de omgeving van de school, die nopen tot aanpassing. Los van de genoemde zorg voor duidelijkheid is het dus nodig om flexibel te blijven in de organisatie, maar ook in de houding van mensen die steeds weer om moeten kunnen blijven gaan met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen.
Dat lukt alleen als we vertrouwen in elkaar houden en vanuit dat vertrouwen met elkaar een open en professioneel gesprek aan (blijven) gaan.

Hoe vindt de boer zijn nieuwe baan?

Beste Frank Kalshoven,

Zoals (bijna) iedere week, ook nu weer met interesse je wekelijkse column gelezen. En voor het eerst leidt het tot een reactie, omdat je een onderwerp aansnijdt dat mij momenteel erg bezighoudt.
De voortgaande robotisering vraagt van mensen om te gaan zoeken naar nieuwe banen. Begrijpelijk en terechte constatering. We spannen immers het paard achter de wagen als we, uit angst voor werkloosheid van bepaalde groepen, de robotisering tegen zouden gaan. Dan wordt arbeid iets wat niet meer noodzakelijk is, maar toch behouden blijft als vorm van bezigheidstherapie.
Daarmee ben ik het dus erg eens. Maar ik zie een probleem ontstaan …
Als bestuurder van een ROC zie ik in de MBMO-sector drie groepen jongeren ontstaan:
De toppers die vaak doorstuderen op HBO, maar ook met een MBO-diploma gewild zijn op de arbeidsmarkt. ZIj hebben het gevraagde niveau, de vaardigheden en de benodigde flexibiliteit om zich op de arbeidsmarkt, hopelijk gedurende een lange tijd, staande te houden.
De “onderkant” die om wat voor reden dan ook niet in staat is een startkwalificatie te halen, of die zich ondanks die startkwalificatie, niet weet te redden op de arbeidsmarkt. Voor hen bedenken we plannen, acties, regelingen, etcetera. Op het niveau van nagenoeg ongeschoolde arbeid zijn er voor hen de nodige mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Alhoewel dit een kwetsbare groep is en blijft, heeft de markt voor hen wel het nodige te bieden.

Mijn zorgen gaan uit naar wat ik hier maar de “tussengroep” noem. Zij halen, al dan niet met veel moeite, hun diploma op niveau 2 of 3. Daarmee voldoen zij aan de standaardeis van een startkwalificatie, wat zoveel wil zeggen als “geschikt om aan het werk te gaan”. Maar blijkt dat niet steeds vaker een illusie? Zit de arbeidsmarkt nog wel op deze mensen te wachten? Het zijn juist deze banen die, ten gevolge van die robotisering, steeds meer verdwijnen. Of het nou in de industrie is, in de dienstverlening, de automatisering, of wat dan ook … deze mensen werken op de afdelingen die gesaneerd worden omdat het werk overgenomen kan worden door machines.
Wat hebben wij hen te bieden? Zijn er voor deze groepen bereikbare nieuwe banen? Of gaan zij tenonder in het adagium dat we allemaal op een hoger niveau moeten gaan (af)studeren? Terwijl het behaalde diploma voor hen vaak ook het hoogst bereikbare (b)lijkt te zijn.
Zijn zij dan gedwongen om “onder hun niveau” werk te zoeken en te vinden? Worden zij de concurrenten van de zwakere groep aan de onderkant waar ik hierboven over sprak?
Ik weet het niet … maar het baart wel zorgen ….

Met vriendelijke groet,

Vakmanschap – het probleem of de oplossing?

Al vaker schreef ik over de lastige situatie waarin het MBO zich bevindt. Ondanks de vele goede dingen die er gebeuren, worstelt de sector met haar imago. Naast discussies over instellingen, schaalgrootte, bestuurders, en dergelijke, gaat het daarbij vaak ook om de opleidingen zelf:

  • het niveau zou laag of te laag zijn, tenminste een stuk lager dan vroeger;
  • te veel opleidingen zouden niet relevant zijn als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  • de keuze voor een MBO-opleiding gebeurt vaak vanuit een negatieve motivatie, namelijk de onhaalbaarheid van een opleiding op HAVO-/HBO-niveau.

Ondanks het dreigende tekort aan een goed opgeleide beroepsbevolking, ook op MBO-niveau, zien we de belangstelling voor deze opleidingen teruglopen.

Afbeelding

Onlangs verschenen twee publicaties die ons kunnen helpen bij het gesprek over en de aanpak van deze problematiek:

In “Kansen voor vakmanschap in het mbo” (Turkenburg 2014) wordt gekeken of en hoe het thema “vakmanschap” een rol kan spelen bij het zoeken naar een oplossing.

“Smal versus breed beroepsonderwijs” (Coenen, 2012) onderzoekt de relatie tussen de breedte van een opleiding en de kansen op succesvolle deelname aan de arbeidsmarkt.

Alhoewel ik er niet uit ben, wil ik hier enkele zinnen wijden aan dit onderwerp.

Een gedegen aanpak van de problemen verbindt deze twee thema’s: vakmanschap en breedte van een beroepsopleiding.

Maar er liggen risico’s op de loer:

  • de discussie over vakmanschap dreigt soms te gaan richting een nostalgisch verlangen naar oude ambachten. Het gaat dan deels om beroepen die weliswaar van belang zijn voor de samenleving, maar tegelijk slechts in beperkte aantallen voorkomen.
  • rondom brede en smalle opleidingen gaat het te vaak over de mate waarin jongeren snel en zonder veel inspanning inzetbaar zijn in een functie. Daardoor ontstaat het risisco dat het MBO verandert in een functiegerichte training. Dit kan op korte termijn leiden tot tevreden bedrijven én jongeren. Zoals het rapport van Coenen aantoont is dat op langere termijn echter een riskante strategie.

Om deze risisco’s te bestrijden moeten we zoeken naar een duurzame invulling van het begrip vakmanschap. Dit moet ook op langere termijn leiden tot inzetbare mensen die om kunnen gaan met de veranderingen in de wereld van werk die elkaar steeds sneller opvolgen.

Daarbij gaat vakmanschap om meer dan de beheersing van een set vaardigheden die nodig zijn om een product te realiseren.

Dat laatste zou bijvoorbeeld betekenen dat er in de sector Verpleging & Verzorging geen sprake kan zijn van vakmanschap. Daar gaat het immers niet om het maken van een product maar om het verlenen van een dienst. De patiënten in een ziekenhuis zullen dit al snel bestrijden. Zij zullen ook als de beste een oordeel hebben over het al dan niet met vakmanschap uitvoeren van diverse taken.

Veel aandacht ging afgelopen jaren uit naar het negatieve imago van het MBO. Als reactie daarop zijn diverse campagnes gevoerd om iets aan dat imago te doen. Helaas met weinig resultaat.

Kan de aandacht voor vakmanschap helpen om dat resultaat alsnog te boeken?

Om die vraag te beantwoorden is een helder beeld van het begrip “vakmanschap” van belang. De genoemde SCP-publicatie staat uitvoerig stil bij de definitie die R. Sennett hanteert in zijn boek “The Craftsman” (Sennett, 2008). In die definitie gaat het bij vakmanschap ondermeer om zaken als:

  • de trots van vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep
  • de autonomie waarmee vakmensen dat beroep uitoefenen
  • het belang van ervaring van vakmensen om een bepaald niveau van vakmanschap te bereiken

Als je met deze bril naar vakmanschap kijkt ontstaat een ander beeld. Het gaat dan niet meer alleen om “wat” de vakman doet/produceert, maar ook om “de manier” waarop dat gebeurt en “het effect” van dat werk.

Meer aandacht voor deze onderdelen van vakmanschap leidt wellicht tot een daadwerkelijke verandering van het imago van MBO-opleidingen en de beroepen waartoe zij opleiden.

Om dat te bereiken is meer nodig dan traditionele PR-campagnes.  De sleutel zit dan volgens mij in twee aspecten:

  • biedt jongeren de gelegenheid om kennis te maken met modern vakmanschap
  • en laat hen in contact komen met de moderne vakman en -vrouw

Die zaken vinden we op de eerste plaats in bedrijven en in veel mindere mate in scholen. Dus laat dáár de ontmoeting plaatsvinden tussen vakmensen, jongeren én docenten.

Nota bene:
In dit weblog verwijs ik naar de volgende publicaties:

Coenen, J., Smal versus breed beroepsonderwijs – arbeidsmarktperspectief en curriculumkenmerken van smalle versus brede mbo-opleidingen (ECBO,Den Bosch, 2013)

Sennett, R., The craftsman (Penguin Books, London, 2008)

Turkenburg, M., Kansen voor vakmanschap in het mbo – een verkenning (SCP, Den Haag, 2014)

Voor tweede keer stoten aan dezelfde steen? Geloof in marktwerking onderwijs blijft bestaan

Op 29 januari nam ik deel aan een rondetafelgesprek van de kamercommissie van OCW. Onderwerp was de ontwikkelingen rondom volwasseneneducatie. Een onderwerp waar verkeerde dingen gebeuren terwijl veel te weinig mensen zich er druk om maken. Hier mijn tekst:
Bijdrage Ronde Tafel Gesprek Volwasseneducatie (29-1-2014)

Problemen/uitdagingen
In de afgelopen jaren is de focus van VE steeds scherper geworden. Daarmee is ook veel verloren gegaan aan opleidingen en cursussen die zich in de volle breedte richtten op het optimaliseren van participatiemogelijkheden van desbetreffende doelgroepen.
In de afgelopen jaren was sprake van een forse terugloop van beschikbare middelen. OP macroniveau van 350M naar 50M; op de instelling waar ik werk van ongeveer 5,7M naar 1,5M (VAVO isnin beide bedragen niet meegenomen!).
De beperkte middelen noodzaakten tot het maken van keuzes en daarmee tot het aanscherpen van de focus. Nu is die focus met name gericht op het thema “laaggeletterdheid”.

Aanpak laaggeletterdheid
Wij hechten grote waarde aan de professionaliteit van de uitvoering als we spreken over laaggeletterdheid. Het gaat hier om een vak dat niet eenvoudig overgenomen kan worden door vrijwilligers, ook niet nadat zij een beperkte mate van scholing ontvangen hebben. Misschien moeten we die bijzondere term “educatie” wel heroverwegen. Daarmee wordt voortdurend een onderscheid gemaakt met al het overige “onderwijs”. Maar dit is gewoon een vorm van onderwijs, zoals voortgezet, hoger, universitair …
Let wel, we spreken hier niet (meer) over het aanleren van dagelijkse taalvaardigheden, zoals we dat begin jaren tachtig kenden bij het lesgeven aan zogenaamde Nieuwe Nederlanders. Als vrijwilliger kun je iemand prima het verschil tussen een tafel en een stoel aanleren. Maar het taalniveau waarop iemand in Nederland volwaardig kan participeren gaat over andere dingen. Over abstracte begrippen, over juiste toepassing van grammaticale regels, over semantische nuances, over het adequaat omgaan met een steeds verder gedigitaliseerde (taal)omgeving.
Het is niet voor niets dat in het onderwijs zoveel aandacht aan taal- en rekenniveau besteed wordt. Voor volwaardige kansen op participatie, en zeker voor een reële kans op werk, worden op dit vlak forse eisen gesteld. Dat kan slechts waargemaakt worden als ook de begeleiding aan hoge professionele eisen voldoet.
Op de basisschool krijgen jongeren acht jaar de tijd om zich, onder professionele begeleiding, deze vaardigheden eigen te maken. Volwassenen krijgen minder tijd en ook aan de kwaliteit van de begeleiding dreigt geknabbeld te worden,
Onze afdeling voor volwasseneneducatie heeft in de afgelopen jaren, samen met gemeenten, gewerkt aan de ontwikkeling van een stevige infrastructuur. Daarbij werden lessen gegeven op plaatsen die zich zo dicht mogelijk bij de doelgroep bevonden. Daarbij ging het niet per definitie om schoolgebouwen, maar in principe om locaties die door de doelgroep als laagdrempelig beschouwd worden. Denk aan buurthuizen, verenigingsgebouwen, bibliotheken, basisscholen, etc.
Met name op het platteland dreigt de verlaging van het beschikbare budget te leiden tot een afbraak van deze dringend gewenste fijnmazige infrastructuur.

Effecten bekostiging
Al eerder wees ik op de forse terugloop van het beschikbare budget voor volwasseneneducatie. Het is niet meer dan logisch dat het aanbod daardoor verschraalt. Wij zijn blij met het gegeven dat in elk geval de VAVO-middelen zijn veiliggesteld voor de komende periode. Daarmee kan deze voorziening, die een belangrijke rol speelt in het toeleiden naar een hoger kwalificatieniveau van bepaalde groepen, in stand blijven.
Het resterende, beperkte budget voor educatie blijft nu bij de gemeente. Zijn zijn vrij in het kiezen van de uitvoerder. Daarmee komt het budget op de vrije markt, vergelijkbaar aan de ontwikkelingen rondom inburgeringsmiddelen in de periode rond 2007-2008. Blijkbaar hebben we daar weinig van geleerd. Naast het mogelijke principiële standpunt dat een dergelijke publieke voorziening niet onderhevig moet worden aan de vrije marktwerking, hebben we ook gezien dat deze beweging een nadelig effect heeft op de kwaliteit en het voorzieningenniveau.
Veel tijd (en geld!) gaat zitten in omslachtige aanbestedingsprocedures. Veel gemeenten dachten goedkoper uit te zijn, maar bleken een kat in de zak gekocht te hebben. Naast publieke instellingen en kwalitatief hoogwaardige private opleiders, vonden ook de zogenaamde “vrije jongens” deze doelgroep. Met personeel dat gebukt ging onder zeer matige arbeidsvoorwaarden konden zij trajecten aanbieden waar, zeker met de onderwijs-cao, niet tegen te concurreren viel.
Het gefaseerd toebrengen van de middelen naar de vrije markt is voor scholen een welkome maatregel. Zowel met het oog op zorgvuldig omgaan met personeel als op het inspelen op de nieuwe situatie biedt dit meer mogelijkheden. Het blijft echter een uitsmeren van de pijn. De pijn wordt er in totaal nauwelijks minder van.
De beperkte middelen die gemeenten krijgen betekenen ook, zeker in combinatie met andere bezuinigingsopdrachten die zij moeten realiseren, dat kansen voor jongeren en ouderen die niet als vanzelf mee kunnen in het scholingssysteem dat we in Nederland kennen, steeds kleiner worden. Scholen komen steeds meer buiten spel te staan als het deze groep betreft. Gemeenten hebben steeds minder middelen beschikbaar om alternatieven te ontwikkelen en te financieren waarmee deze doelgroepen alsnog de draad van “leven en leren” op kunnen pakken.

Als je de lat lager legt, gaat de prestatie niet omhoog

Onder de titel “Meer kansen voor kwetsbare jongeren” presenteerde de Onderwijsraad vandaag een advies dat moet leiden tot een betere voorbereiding van kwetsbare jongeren op arbeidsmarkt en samenleving. Het advies valt uiteen in twee delen. In het kort luidt dat als volgt:

  1. Ontwikkel een extra diploma onder niveau 2 dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt.
  2. Realiseer meer flexibiliteit in de programmering van niveau 2 opleidingen

Dat zijn in elk geval korte en heldere adviezen. Die vragen om een korte en heldere reactie:

Wat mij betreft “hoe meer flexibiliteit hoe liever, graag ook op andere niveaus”, maar met het introduceren van een extra diploma spannen we het paard achter de wagen (of gooien we het kind weg met het badwater).

Ik probeer mijn reactie kort te onderbouwen en te nuanceren, want er zitten bij beide aanbevelingen echt goede zaken in het advies.

De kwetsbaarheid van jongeren lijkt in het advies beperkt te worden tot kwetsbaarheid ten gevolge van beperkte cognitieve capaciteiten. Tegelijk signaleert de raad terecht dat er vele oorzaken zijn die kunnen leiden tot voortijdig schoolverlaten:

  • fysieke of psychische gezondheidsklachten
  • verslaving
  • zelfoverschatting
  • beperkte zelfregulerende vaardigheden
  • problemen met gezag
  • te weinig ondersteuning en stimulatie van het thuisfront
  • werk vinden
  • school bevalt niet

Als ik al deze oorzaken bekijk, die ik ook allemaal herken, dan begrijp ik de eenvoud van het advies niet meer goed. Als iemand door een of enkele van deze oorzaken geen startkwalificatie kan halen … moet het dan maar op een lager niveau afgerond worden? Moeten we dan niet juist methodieken ontwikkelen om deze zaken aan te pakken en alsnog aan een startkwalificatie te komen?

Die nieuwe methodieken moeten dan natuurlijk gerelateerd worden aan de relevante oorzaken. Daarmee komen we op terreinen die niet meer exclusief van of voor de school zijn. Het aanpakken van deze problematiek met het oog op het halen van een diploma vereist intensieve samenwerking tussen school en begeleidingsinstellingen.

In Friesland krijgt die aanpak vorm onder de titel “School als werkplaats”. Google de term eens of klik op deze link om er iets meer over te lezen: http://www.mbodiensten.nl/mbodiensten/download/presentaties/toespraak-conferentie-gebundelde-kracht-in-een-kansrijk-mbo.pdf

Naast het feit dat de aanbeveling van de onderwijsraad mijns inziens niet aansluit bij de genoemde, zeer uiteenlopende oorzaken, worstel ik met een ander dilemma. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat de eisen die gesteld worden aan werknemers steeds hoger en complexer worden. Welk perspectief bieden we jonge mensen dan, door hen op een lager niveau te diplomeren? Een diploma is nooit garantie tot succes, maar je mag toch hopen dat het wel een perspectief op succes presenteert. Vaak wordt dat al betwijfeld als we kijken naar MBO-diploma’s op niveau 2. Wat is de relevantie dan van een eventuele diplomering op een nog lager niveau? Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de volgende uitspraak in het advies: “Jongeren die de startkwalificatie niet behalen lopen een grotere kans dan anderen om de aansluiting met de veranderende samenleving te missen”. Die aansluiting realiseer je niet door het verlagen van de normen voor een kwalificatie, maar door het verhogen van de competenties, redzaamheid en weerbaarheid van de betrokken jongeren.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën