Posts Tagged 'onderwijs'

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

“Hoe eerder, hoe beter”, nieuwe kijk op nieuwe problemen

Er gebeuren ongewone dingen in ons land als gevolg van de forse stroom vluchtelingen die binnenkomt. En ongewone gebeurtenissen vragen om ongewone antwoorden. Die zullen we ook als onderwijs moeten formuleren….

Wat is er aan de hand? Het aantal vluchtelingen dat maandelijks binnenkomt was nog nooit zo hoog. De verwachting is dat dit nog een tijd door zal gaan. Ook lijkt het erop dat het overgrote deel van de betrokken mensen een tijdelijke of permanente status zal krijgen en hier dus op zijn minst een aantal jaren zal blijven. En eigenlijk verwacht iedereen dat een fors deel zich voorgoed in Nederland zal vestigen.
Dit leidt tot heftige discussies tussen voor- en tegenstanders, maar ook tot forse uitdagingen op het gebied van huisvesting, opleiding, werktoeleiding en inburgering.

De titel van deze tekst geeft aan onder welk motto dat alles volgens mij moet gebeuren: “hoe eerder, hoe beter”.
Mijn uitgangspunt is dat mensen die hier als vluchteling terechtkomen zo snel mogelijk de kans moeten krijgen op een zinvol leven.
Onderwijs is daar een belangrijk onderdeel van. Het gaat dan niet alleen om het leren van een taal, maar ook om het leren leven in een nieuw land en om toeleiding naar werk.

Inmiddels zien we hoe de onvoorspelbare, massale bewegingen dwingen tot onconventionele oplossingen op het gebied van opvang en huisvesting. Mijn stelling is dat we daar ook naar moeten kijken als het gaat om onderwijs en toeleiding naar werk.
Waarom is het nu anders dan anders?

  • de aantallen zijn extreem hoog waardoor er op alle terreinen capaciteitsvraagstukken ontstaan
  • er worden nieuwe vormen van (nood)opvang gerealiseerd waardoor ook nieuwe, onvoorspelbare bewegingen van de betrokken mensen ontstaan
  • de samenstelling van de groep kan wel eens anders zijn dan we gewend zijn, zoals het schijnbaar grote aandeel van hogeropgeleiden

Het zoeken van die onconventionele oplossingen moet wat mij betreft antwoord geven op de volgende uitdagingen:

  • Het snel en (deels onverwacht) komen, maar wellicht ook vertrekken van vluchtelingen naar andere delen van het land
  • De noodzaak om snel tot een zinvol leven te komen, inclusief kansen op werk
  • Het feit dat een groot deel van de binnenkomende vluchtelingen forse trauma’s kan/zal hebben en dus ook op dat gebied begeleiding nodig heeft

Om aan die uitdagingen het hoofd te bieden zijn geen pasklare oplossingen voorhanden. En we hebben de tijd niet om heel lang na te denken over en onderzoek te doen naar die oplossingen. Ik wil pleiten voor het zoeken van een oplossing via “vallen en opstaan”. En dat vraagt om ruimte … regresvrije ruimte om precies te zijn, experimenteerruimte, als dat beter klinkt…

Die ruimte gaat dan over:

  • de mogelijkheid om delen van opleidingen te volgen, die later een onderdeel van een volwaardige opleiding kunnen zijn
  • de mogelijkheid om via de praktijk te leren, zonder dat er direct een volwaardige BBL-constructie bestaat
  • de mogelijkheid om pas na enige tijd onderwijs te concluderen welke opleiding passend is en in welke sector/op welk niveau dat het beste gevolgd kan worden
  • intensieve samenwerking tussen onderwijs, hulpverlening, werkgevers en arbeidstoeleiding
  • geen outputbekostiging aangezien het behalen van een diploma afhankelijk is van (te) veel externe factoren
  • geen t-2 bekostiging aangezien van onderwijsinstellingen niet gevraagd kan worden om voor deze grote groepen voorfinanciering van het onderwijs te bekostigen

Het zou mooi zijn als een of enkele regio’s uitgenodigd werden om op basis van bovenstaande gedachten plannen te ontwikkelen die op korte termijn tot uitvoering van adequaat onderwijs en begeleiding kunnen leiden

Bestuurder laat je zien

“Onderwijsbestuurders gaan gesprek uit de weg” luidde de kop boven een ingezonden artikel in het Parool van afgelopen donderdag (22-10). In het stuk schrijft Rik Seveke, programmamaker onderwijs van De Balie, over zijn activiteiten in dit debetcentrum waar het vaak over onderwijs gaat. Bij die gesprekken zijn velen betrokken als deelnemer en/of toeschouwer. Maar, zo constateert Seveke, “de enigen die zich hieraan onttrekken en daarmee onderwijsontwikkeling belemmeren zijn de bestuurders”. Even verder over diezelfde bestuurders: “Zelden komen zij in de school of in de klas. Door permanent het gesprek met onderwijsprofessionals uit de weg te gaan ontbreekt er een cruciale schakel in de ontwikkeling van onderwijs in Nederland.”
“Als onderwijsbestuurder kom ik bijna dagelijks op scholen en spreek ik veel ouders”, zo luidde een deel van de herkenbare, maar ok voorspelbare reactie in dezelfde krant vandaag. Daarin dient Herbert de Bruijne, CvB-voorzitter in het primair onderwijs, Seveke van repliek. Eerlijk is eerlijk, zo luidde ook mijn eerste, impulsieve reactie. Gewoon omdat het zo is. Als CvB kiezen wij er bewust voor om ruimtes te gebruiken die midden in het onderwijsgebied liggen. Naast onze meest gebruikte overlegruimte zit een gewoon klaslokaal. De gangen waar we doorlopen worden vooral gevuld door studenten en docenten op weg van en naar onderwijsruimten.

Maar wat helpt het als ik tegen de stelling van Seveke inbreng dat hij, wat mij betreft, ongelijk heeft. Moeten we discussie laten gaan over het deel van de onderwijsbestuurders dat wel of niet beantwoordt aan het beeld dat Seveke ons voorspiegelt? Van mij mag de Bruijne o die manier reageren, maar ik doe er niet aan mee. Het heeft namelijk geen enkele zin. Iedereen weet dat er betere en minder goede voorbeelden zijn. Wat dat betreft zijn onderwijsbestuurders net mensen … je hebt ze in vele soorten en maten.

Wat wel telt is dat Seveke ons een beeld voorspiegelt dat we, helaas, maar al te vaak tegenkomen. Dat van (onderwijs)bestuurders in een ivoren toren, ver weg van de plaats waar het echte werk uitgevoerd wordt. Ik kan me in dat beeld niet herkennen, maar het is natuurlijk niet zomaar ontstaan. En zoals altijd, zo’n imago komt te paard, maar gaat te voet. Alleen door gedurende lange tijd, steeds weer herhalend, een andere werkelijkheid neer te zetten, kunnen we hopen dat er een nieuw beeld ontstaat.
En dat moet niet op de eerste plaats gebeuren omdat we als bestuurders last hebben van die negatieve beeldvorming. Het is pure noodzaak omdat het aangaan van het gesprek een belangrijke kern van ons werk is. Daarover iets meer …

Belangrijk deel van je werk als bestuurder is kijken naar de koers die je als instelling op lange termijn wilt volgen. Dat bepaal je niet zomaar. De koers van het onderwijs zal altijd een reactie zijn op datgene wat in de omgeving van scholen gebeurt en de vragen die dat oplevert. De enige manier om dat goed in beeld te krijgen is het tegenovergestelde van de stelling van Seveke. Niet het gesprek uit de weg gaan, maar juist het gesprek gaan voeren.
Begin dit kalenderjaar startten wij op school aan de afronding van een zogenaamde “koersplanperiode”. Een periode van drie jaar die gedekt werd door een koersplan dat we voor die jaren geschreven hadden. Daarin beschreven we wat we zagen als belangrijkste uitdagingen voor die periode en wat we bij het omgaan met die uitdagingen voor elkaar wilden krijgen.
Nou geloven wij niet zou in SMART-doelstellingen waarvan je met behulp van een checklist aan het einde van de reis controleert of ze bereikt zijn. Een koersplan is geen projectplan… het is een reisplan dat weliswaar een richting en ambities definieert, maar tegelijk voortdurend verandert onder invloed van wat zich in de school en in de omgeving van de school afspeelt. De periode van zo’n plan kan op een gegeven moment aflopen, maar daarmee is de reis nog niet beëindigt. Wat we wilden was dus vooral antwoord vinden op de vraag of ons reisdoel nog steeds hetzelfde was en of we in de afgelopen jaren wat dichterbij gekomen waren.
Om daar achter te komen bestaat maar één manier: de vraag stellen! En dat deden we. Bij de verschillende opleidingen werden gesprekken georganiseerd waaraan docenten, studenten en mensen uit het bedrijfsleven deelnamen. En uiteraard deed het CvB mee, graag zelfs! We kozen wel voor een bepaalde rol, die vooral bestond uit luisteren en vragen stellen. We waren namelijk erg nieuwsgierig naar de gesprekken die gevoerd werden. Waren de verschillende groepen het snel met elkaar eens? Of hadden ze juist heel verschillende belevingen van de afgelopen periode? En bestonden er grote verschillen tussen verschillende (groepen van) opleidingen? Of kwamen dezelfde problemen steeds weer terug?

Op grond van wat we hoorden tijdens deze gesprekken, trokken we als CvB voorzichtige eerste conclusies. Om daarmee ook weer het gesprek aan te gaan… hadden we het goed begrepen? Waren dit inderdaad de cruciale kwesties waar we in de komende jaren mee aan de slag moesten gaan? Waren dat ook de zaken waar docenten warm voor liepen? Zou het bedrijfsleven meewerken om hier oplossingen voor te bedenken? Voelden studenten zich geholpen als we deze zaken aan zouden gaan pakken?

Het is een simpel voorbeeld. Ik ben ervan overtuigd dat er zo veel meer te vinden zijn. En ze geven volgens mij de kern van ons werk aan: het gesprek op gang brengen, de juiste zaken ter discussie stellen, luisteren en aan de slag met de reacties en antwoorden. Maar ook: zorgen dat de vensters van de school open blijven staan, zodat we alles doen met het oog op hetgeen zich in de buitenwereld afspeelt.
En om dat te doen moeten we dat gesprek niet alleen in de school voeren, maar juist ook daarbuiten. Ouders, bedrijven, overheden, andere spelers in de omgeving voeden ons om onderwijs mee vorm te geven, om medewerkers te inspireren maar ook te confronteren, om met elkaar te bouwen aan (nog) beter onderwijs dat klaar is voor de toekomst.Bestuurder laat je horen

Voor tweede keer stoten aan dezelfde steen? Geloof in marktwerking onderwijs blijft bestaan

Op 29 januari nam ik deel aan een rondetafelgesprek van de kamercommissie van OCW. Onderwerp was de ontwikkelingen rondom volwasseneneducatie. Een onderwerp waar verkeerde dingen gebeuren terwijl veel te weinig mensen zich er druk om maken. Hier mijn tekst:
Bijdrage Ronde Tafel Gesprek Volwasseneducatie (29-1-2014)

Problemen/uitdagingen
In de afgelopen jaren is de focus van VE steeds scherper geworden. Daarmee is ook veel verloren gegaan aan opleidingen en cursussen die zich in de volle breedte richtten op het optimaliseren van participatiemogelijkheden van desbetreffende doelgroepen.
In de afgelopen jaren was sprake van een forse terugloop van beschikbare middelen. OP macroniveau van 350M naar 50M; op de instelling waar ik werk van ongeveer 5,7M naar 1,5M (VAVO isnin beide bedragen niet meegenomen!).
De beperkte middelen noodzaakten tot het maken van keuzes en daarmee tot het aanscherpen van de focus. Nu is die focus met name gericht op het thema “laaggeletterdheid”.

Aanpak laaggeletterdheid
Wij hechten grote waarde aan de professionaliteit van de uitvoering als we spreken over laaggeletterdheid. Het gaat hier om een vak dat niet eenvoudig overgenomen kan worden door vrijwilligers, ook niet nadat zij een beperkte mate van scholing ontvangen hebben. Misschien moeten we die bijzondere term “educatie” wel heroverwegen. Daarmee wordt voortdurend een onderscheid gemaakt met al het overige “onderwijs”. Maar dit is gewoon een vorm van onderwijs, zoals voortgezet, hoger, universitair …
Let wel, we spreken hier niet (meer) over het aanleren van dagelijkse taalvaardigheden, zoals we dat begin jaren tachtig kenden bij het lesgeven aan zogenaamde Nieuwe Nederlanders. Als vrijwilliger kun je iemand prima het verschil tussen een tafel en een stoel aanleren. Maar het taalniveau waarop iemand in Nederland volwaardig kan participeren gaat over andere dingen. Over abstracte begrippen, over juiste toepassing van grammaticale regels, over semantische nuances, over het adequaat omgaan met een steeds verder gedigitaliseerde (taal)omgeving.
Het is niet voor niets dat in het onderwijs zoveel aandacht aan taal- en rekenniveau besteed wordt. Voor volwaardige kansen op participatie, en zeker voor een reële kans op werk, worden op dit vlak forse eisen gesteld. Dat kan slechts waargemaakt worden als ook de begeleiding aan hoge professionele eisen voldoet.
Op de basisschool krijgen jongeren acht jaar de tijd om zich, onder professionele begeleiding, deze vaardigheden eigen te maken. Volwassenen krijgen minder tijd en ook aan de kwaliteit van de begeleiding dreigt geknabbeld te worden,
Onze afdeling voor volwasseneneducatie heeft in de afgelopen jaren, samen met gemeenten, gewerkt aan de ontwikkeling van een stevige infrastructuur. Daarbij werden lessen gegeven op plaatsen die zich zo dicht mogelijk bij de doelgroep bevonden. Daarbij ging het niet per definitie om schoolgebouwen, maar in principe om locaties die door de doelgroep als laagdrempelig beschouwd worden. Denk aan buurthuizen, verenigingsgebouwen, bibliotheken, basisscholen, etc.
Met name op het platteland dreigt de verlaging van het beschikbare budget te leiden tot een afbraak van deze dringend gewenste fijnmazige infrastructuur.

Effecten bekostiging
Al eerder wees ik op de forse terugloop van het beschikbare budget voor volwasseneneducatie. Het is niet meer dan logisch dat het aanbod daardoor verschraalt. Wij zijn blij met het gegeven dat in elk geval de VAVO-middelen zijn veiliggesteld voor de komende periode. Daarmee kan deze voorziening, die een belangrijke rol speelt in het toeleiden naar een hoger kwalificatieniveau van bepaalde groepen, in stand blijven.
Het resterende, beperkte budget voor educatie blijft nu bij de gemeente. Zijn zijn vrij in het kiezen van de uitvoerder. Daarmee komt het budget op de vrije markt, vergelijkbaar aan de ontwikkelingen rondom inburgeringsmiddelen in de periode rond 2007-2008. Blijkbaar hebben we daar weinig van geleerd. Naast het mogelijke principiële standpunt dat een dergelijke publieke voorziening niet onderhevig moet worden aan de vrije marktwerking, hebben we ook gezien dat deze beweging een nadelig effect heeft op de kwaliteit en het voorzieningenniveau.
Veel tijd (en geld!) gaat zitten in omslachtige aanbestedingsprocedures. Veel gemeenten dachten goedkoper uit te zijn, maar bleken een kat in de zak gekocht te hebben. Naast publieke instellingen en kwalitatief hoogwaardige private opleiders, vonden ook de zogenaamde “vrije jongens” deze doelgroep. Met personeel dat gebukt ging onder zeer matige arbeidsvoorwaarden konden zij trajecten aanbieden waar, zeker met de onderwijs-cao, niet tegen te concurreren viel.
Het gefaseerd toebrengen van de middelen naar de vrije markt is voor scholen een welkome maatregel. Zowel met het oog op zorgvuldig omgaan met personeel als op het inspelen op de nieuwe situatie biedt dit meer mogelijkheden. Het blijft echter een uitsmeren van de pijn. De pijn wordt er in totaal nauwelijks minder van.
De beperkte middelen die gemeenten krijgen betekenen ook, zeker in combinatie met andere bezuinigingsopdrachten die zij moeten realiseren, dat kansen voor jongeren en ouderen die niet als vanzelf mee kunnen in het scholingssysteem dat we in Nederland kennen, steeds kleiner worden. Scholen komen steeds meer buiten spel te staan als het deze groep betreft. Gemeenten hebben steeds minder middelen beschikbaar om alternatieven te ontwikkelen en te financieren waarmee deze doelgroepen alsnog de draad van “leven en leren” op kunnen pakken.

OCW spant paard achter de wagen: doelmatigheid en arbeidsmarkt niet gediend met nieuwe voorstellen

Jet Bussemaker voert momenteel een internetconsultatie uit rondom arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van het MBO. Ik heb het voorstel zojuist nog eens goed gelezen. En, alhoewel je het met de intenties volgens mij nauwelijks oneens kunt zijn, kan ik niet anders dan concluderen dat met deze aanpak de beoogde resultaten niet bereikt kunnen worden.
Daarvoor zijn twee hoofdargumenten:
1. Het voorstel benoemt wel de onvoorspelbaarheid van arbeidsmarkt- en andere ontwikkelingen, maar houdt er feitelijk te weinig rekening mee.
2. Het voorstel laat de huidige kwalificatiestructuur ongemoeid, terwijl daar m.i. een fundamentele oorzaak van de beschreven problematiek ligt.

Daarnaast geeft het uitbrengen van dit voorstel twee verkeerde signalen af:
1. Als het zoveel aandacht krijgt zal het met die arbeidsmarktrelevantie en doelmatighied wel niet best gesteld zijn.
2. De doelstelling van opleiden voor de arbeidsmarkt wordt uitgetild boven de drievoudige kwalificatie die het MBO volgens de wet geacht wordt na te streven:
– arbeidscompetenties
– burgerschapsvorming
– levenlang (loopbaan)leren
Ik probeer bovenstaande beweringen hieronder te staven, eindigend met een pleidooi om het MBO écht anders in te richten.

In een brief aan de vaste Kamercommissie van OCW gaat de MBO-raad in op bezwaren tegen het voorstel van de minister. De MBO-raad redeneert jamemr genoeg vanuit hetzelfde vertrekpunt: de bestaande kwalificatiestructuur wordt in haar fundamenten niet aangetast. Sterker nog, de MBO-raad vindt hierin de argumentatie voor haar bezwaren tegen de ministeriële plannen. Juist die kwalificatiestructuur zou de arbeidsmarktrelevantie van opleidingen waarborgen. Daartoe hanteert zij onderstaande redenering:

“Aan alle mbo-opleidingen liggen door het bedrijfsleven (werkgevers en werknemers) opgestelde beroepscompetentieprofielen ten grondslag. Zo’n profiel wordt alleen opgesteld als er behoefte op de arbeidsmarkt aan zo’n opleiding is en brancheorganisaties een voorstel doen. Op basis van een beroepscompetentieprofiel stellen het mbo en het bedrijfsleven via de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven samen kwalificatiedossiers op. De minister stelt de kwalificatiedossiers vast. Criteria als de behoefte en capaciteit van de (regionale) arbeidsmarkt, de aanwezigheid van erkende leerbedrijven en stageplekken, beschikbare middelen en mensen (personeel) en organiseerbaarheid binnen de scholen worden bij de concrete vormgeving aan het opleidingsportfolio op basis van de landelijk vastgestelde kwalificatiedossiers toegepast. Als scholen overwegen een opleiding te starten of te stoppen, doen ze dat dus in goede afstemming met het omringende bedrijfsleven. Dat is in het mbo fundamenteel anders dan bijvoorbeeld in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.”

Als deze redenering klopt, zou er van een gebrekkige aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt geen sprake kunnen zijn. Maar feitelijk heeft het tot een andere situatie geleid. Bovenstaande aanpak leidde in de afgelopen jaren tot het ontstaan van honderden kwalificatiedossiers, ofwel honderden aparte opleidingen. Dit versterkt het beeld van een eendimensionale relatie tussen opleiding en beroep: het streefbeeld bestaat uit een 1-op-1 relatie tussen beiden, waarbij het ideaal is dat je exact dat beroep uit gaat voeren waarvoor je opgeleid bent.

Maar, zowel mens als arbeidsmarkt zitten daarvoor te complex in elkaar. Beiden zijn bovendien te veranderlijk. En dat vraagt om een hele andere aanpak. Steeds vaker hoor ik pleidooien voor een bredere onderbouw in het MBO, gevolgd door specialisatie in de laatste periode van de opleiding. Dat betekent afscheid nemen van al die honderden opleidingen. Dat betekent dat het MBO op twee of drie niveaus opleidingen aanbiedt in acht á tien domeinen. Daarmee kom ik op een totaal van zestien tot dertig brede beroepsopleidingen. Deze kunnen voor langere tijd ingevuld worden, omdat ze zich vooral richten op algemenere arbeids- en burgerschapscompetenties. Deze veranderen veel minder snel dan de beroepsvaardigheden, die direct samenhangen met de praktijk in het bedrijf. Het aanleren daarvan, kan prima gebeuren in stages en op leerwerkplekken. Omdat die praktijk zo snel verandert, zal dat vaker moeten gebeuren. Daarmee is het aanleren van beroepsvaardigheden, tijdens de MBO-opleiding, feitelijk niet meer dan een eerste stap op het lange pad van een leven lang leren. Dat stopt niet bij het behalen van een diploma. Dat vraagt om regelmatige opfrissing en updates. Niet van kwalificatiedossiers of -profielen, maar van werknemers!

Overigens, mijn voorstel van bredere opleidingen, lost meteen dat andere probleem op … die kleine opleidingen verdwijnen als zelfstandige opleiding en worden onderdeel van een (grotere) bredere opleiding. Ook goed voor de employability van MBO-gediplomeerden.

Maatschappelijke stage: noodzakelijk kwaad of sociale oplossing?

Sinds enkele jaren zijn leerlingen in het voortgezet onderwijs verplicht om gedurende 30 uur actief te zijn in het kader van hun maatschappelijke stage. HIervoor is jaarlijks een bedrag van zo’n 20 miljoen beschikbaar. Met ingang van het schooljaar 2015-2016 vallen deze extra maatregelen weg en het is de vraag wat daarna de positie van dit fenomeen zal zijn.
Het wegvallen van de extra middelen lijkt mij geen argument om de maatschappelijke stage niet langer in het programma van de school op te nemen. Daarvoor zijn de middelen, zeker als je dat omrekent naar opbrengsten per school, te beperkt. Bovendien is de benodigde extra inspanning voor een school, volgens mij, vrij beperkt. De implementatie is achter de rug. Scholen beschikken over een systeem om leerlingen te koppelen aan aanbieders van stageplaatsen. Leerlingen kunnen daarmee zelf op zoek naar een stageplek en de benodigde afspraken maken.
Wat ik van scholen hoor klopt hiermee. Voor scholen is het van belang dat de tijd die jongeren besteden aan hun maatschappelijke stage geldt als wettelijk verplichte onderwijstijd. Nou heb ik grote vraagtekens bij het fenomeen van verplichte onderwijstijd, maar zolang die blijft bestaan lijkt het me vanzelfsprekend om deze uren daarbij mee te tellen. Doe je dat niet, dan zend je immers indirect het signaal uit dat deze activiteiten eigenlijk maar bijzaak zijn.
Toch hou ik mijn twijfels over de maatschappelijke stage. Ik las dit weekend een artikel waarin doelstellingen van de maatschappelijke stage nog eens op een rij gezet worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om de doelstellingen met het oog op de ontwikkeling van jongeren. Daartoe is het immers een onderdeel van het onderwijs geworden.
Er worden vijftien doelstellingen genoemd, waarvan hier een selectie:

  • jongeren krijgen een sociaal bewustzijn, komen in aanraking met andere mensen in een andere omgeving
  • jongeren oefenen solidariteit
  • jongeren oriënteren zich op de samenleving na hun schooltijd
  • jongeren leren de ‘zorgkant’ van het bestaan kennen
  • jongeren maken kennis met een collectieve verantwoordelijkheid voor maatschappelijke taken

Tot zover even. Voordat je iets zegt over het al dan niet doorgaan met de maatschappelijke stage, zou je toch na moeten denken over de vraag in hoeverre deze doelstellingen tot nu toe bereikt lijken te worden. Eerlijk gezegd heb ik grote twijfels over de vraag of doelstellingen als hierboven bereikt worden. Enig deugdelijk onderzoek hiernaar lijkt me wenselijk.
Er zit echter nog een kant aan het vraagstuk. De maatschappelijke stages zorgen voor een forse aanwas van vrijwilligers bij allerlei organisaties. En daarmee voor een (gedeeltelijke) oplossing van een fors hedendaags probleem: het gebrek aan vrijwilligers, bijvoorbeeld bij maatschappelijke organisaties, sport- en muziekverenigingen, etc.
Dat maakt het voortbestaan van de maatschappelijke stage wenselijk. Of het ook het verplichtende karakter met het oog op de ontwikkeling van jongeren rechtvaardigt is een andere vraag.

Kwaliteitszorg … een mensenzaak

Bij haar bezoeken aan (MBO-)scholen kijkt de inspectie meer en meer naar de wijze waarop de kwaliteit van onderwijs en examinering geborgd is. Daarmee komt zij op het terrein van kwaliteitszorg, het geheel aan maatregelen, processen en instrumenten dat ervoor moet zorgen dat volstrekt helder is welke kwaliteit gerealiseerd wordt, waar die kwaliteit te wensen overlaat en hoe dat op zo kort mogelijke termijn aangepakt wordt.
Ook wij zijn op school (dus?) druk bezig om toe te werken naar een aanpak waarmee we de bij ons geleverde kwaliteit in beeld brengen en, indien nodig, verbeteren. Alhoewel die aanpak behoorlijk vorm krijgt, kan het topch nooit kwaad om eens te kijken hoe anderen hierover denken. Ik kwam daarbij het boek tegen van Theo Douma, Ronald Stevens en Roel in ’t Veld: “Naar (h)erkende kwaliteit in het mbo”. Voor meer informatie over het boek, zie: http://www.auditakademia.nl
Zij relateren kwaliteit(szorg) onder andere aan de sector waar het om gaat. Daarbij denk ik dat voor het MBO met name de dienstverlenende sector interessant kan zijn. Hoe je het ook wendt of keert, het valt niet te ontkennen dat het onderwijs op een of an dere manier een dienstverlenende institutie is. Voor wat betreft het MBO denk ik dat we die diensten verlenen aan onze deelnemers, hun ouders, de bedrijven waar zij als werknemer aan de slag gaan, het hoger onderwijs waar zij als student hun schoolloopbaan voortzetten.
Voor de dienstverlenende sector worden in het boek, naar analogie van wat daarover te vinden is bij http://www.servicemanagement.nl, de volgende aandachtspunten aangehaald:

Verschijningsvorm:voldoen de gebouwen, de bedrijfsmiddelen, de medewerkers en het communicatiemateriaal aan de verwachtingen van de klant?
Betrouwbaarheid:wordt de beloofde dienstverlening op tijd en volgens afspraak geleverd?
Bereidheid tot dienstverlening: worden klanten snel en adequaat geholpen?
Deskundigheid: hebben de medewerkers de vereiste vaardigheden en expertise om de gewenste dienst te kunnen bieden?
Hoffelijkheid: zijn de medewerkers beleefd, vriendelijk en welwillend naar de klant toe?
Toegankelijkheid: kan de klant gemakkelijk met de organisatie in contact komen?
Maatwerk: is er een mogelijkheid om de klant maatwerk te leveren die afwijkt van het normale aanbod?
Herstel van klachten of fouten: worden fouten snel, effectief en klantgericht hersteld?
Communicatie: wordt er in een voor klanten begrijpelijke taal gecommuniceerd? Wordt er echt geluisterd naar klanten?
Begrip: wordt er daadwerkelijk geprobeerd de klanten te begirjpen en hun wensen te kennen

Een mooi lijstje … volop uitdaging zou ik zeggen voor alle collega’s in de scholen


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën