Posts Tagged 'onderwijs'



Samenwerken is meer … gedeelde visie (1)

Samenwerken is mensenwerk. Bij een van onze samenwerkingspartners spreken we niet meer over studenten, cursisten, leerlingen of zo, maar over medewerkers in opleiding. Dat zegt iets over je visie op de positie van deze mensen in het bedrijf. Het zegt overigens ook iets over je visie op opleiden, maar daarover een andere keer.
Omdat het bij de samenwerking tussen school en bedrijf altijd gaat over opleiden van mensen, moet je op een aantal wezenlijke elementen een gedeelde visie hebben. Hoe je mensen opleidt/op wilt leiden wordt voor een belangrijk deel bepaald door de visie die je hebt op die mensen zelf. In schooltermen: is de leerling iemand die probeert met zo min mogelijk inspanning een diploma te halen of is het iemand die echt beter wil worden in een vak of op een gebied dat hem aanspreekt.
Uitgaan van het eerste is volgens mij het bankroet van het onderwijs. Als het waar is dat de leerling het “slechts” doet voor “het papiertje” dan is het niet meer nodig om bevlogen docenten te hebben en doordachte aanpakken. Nee, dan moeten we hem wegwijs maken op internet en introduceren in de trucs die nodig zijn om op het juiste moment te scoren. Dat is wat we al enigszins zien bij de manier waarop basisschoolleerlingen voorbereid worden op de CITO-toest. Het gaat dan alleen nog maar om een goed resultaat, niet om een resultaat waar je wat aan hebt.

Wat mij betreft baseren we onderwijs op het uitgangspunt dat de jongeren die we in de scholen hebben willen groeien, als vakman en/of als mens. Als je dat écht denkt, dan kan het niet zo zijn dat dat stopt op het moment dat deze jongeren de school verlaten en als medewerker in dienst treden bij een werkgever.
Het gaat dus nooit om je visie op leerlingen, maar om je visie op mensen. Daarover hieronder een aantal gedachten. Deze zijn voor een belangrijk deel ontleend aan de uitgangspunten die bij ons op school gehanteerd worden in de zogenaamde Sprint2-methodiek. Oorspronkelijk ontwikkeld voor effectief NT2-onderwijs, maar inmiddels ook uitgewerkt voor andere onderwerpen, blijkt dit een aanpak te zijn die zeer motiverend werkt voor studenten én docenten. Wat mij betreft met de kanttekening dat het een aanpak is die gebaseerd is op een aantal belangrijke uitgangspunten. Wie die niet onderschrijft, loopt het risico dat de methodiek een kunstje wordt. Zoals eerder gesteld: ik pleit voor kunst niet voor kunstjes!
Voor meer informatie over Sprint2 verwijs ik naar het weblog van de geestelijk vader: http://www.jandeutekom.nl

Terug naar de visie op mensen, het mensbeeld dat wat mij betreft ten grondslag ligt aan samenwerking tussen school en bedrijf. Of het nou gaat om initieel opleiden, om na- en bijscholing, of om ontwikkeling van medewerkers op welke andere manier dan ook, het gaat er hier om dat mensen groeien. Ze worden beter in wat ze doen of ze leren om ook andere dingen te doen.
Om dat te faciliteren ga ik uit van een aantal zaken:

  1. mensen groeien als ze verantwoordelijkheid (moeten) dragen
  2. mensen groeien niet als je ze laat doen wat ze (al lang) kunnen
  3. groeien doe je samen
  4. mensen groeien als er hoge verwachtingen van hen bestaan
  5. mensen ontwikkelen zich als er een bepaalde noodzaak bestaat
  6. in navolging van Daniel Pink denk ik dat mensen gemotiveerd worden door:
  • voldoende autonomie (zoals eerder gezegd: geef hen verantwoordelijkheid; laat hen zelf mee bepalen hoe ze een taak aanpakken)
  • een helder doel (zie ook het belang van noodzaak: je moet weten waarom je iets doet)
  • het verlangen om beter te worden in wat ze doen (maar dat verlangen vraagt ook dat we dat van hen blijven verwachten)

Meer hierover in de prachtige animatie van RSAnimate: http://www.youtube.com/watch?v=u6XAPnuFjJc

Een kwestie van kiezen

We hebben in Nederland een groeiend probleem: een tekort aan technisch opgeleide mensen!  Dit tekort groeit extra snel omdat steeds minder jongeren kiezen voor een technische opleiding. Met name in dunbevolkte delen van het land lijkt dit probleem al in alle hevigheid los te barsten.Zo hoorde ik eergisteren een ondernemer vertellen dat hij naast zijn hoofdkantoor in Friesland, inmiddels twee andere vestigingen geopend had, enkel en alleen om dichter bij de doelgroep te zitten van mensen die hij nodig heeft om zijn (groei-)ambities waar te maken.

In deze tijd van verkiezingen kijk ik natuurlijk extra nieuwsgierig naar de oplossingen die politieke partijen voor dergelijke problemen denken te bieden. Voor wat betreft bovenstaand probleem ben ik dan niet optimistisch. Ik schets twee van de geboden oplossingen:

  1. De Partij van de Arbeid stelt voor om het collegegeld voor technische studies af te schaffen. De inkomstenderving die daardoor voor de staat ontstaat zou in samenspraak met het bedrijfsleven aangepakt moeten worden.
  2. De VVD ziet de oplossing in betere voorlichting. Iedere studie zou aan aspirant-studenten informatie moeten bieden omtrent de kansen die de desbetreffende studie biedt op een baan en de verwachtingen die je mag hebben ten aanzien van salaris/arbeidsvoorwaarden.

Van mij mag het collegegeld afgeschaft worden voor alle studies. En eerlijke voorlichting, inclusief de onderwerpen die de VVD aankaart, lijkt me eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Tot zover niets aan de hand. Maar … los je hiermee het geschetste probleem op? Dat is immers de pretentie waarmee beide partijen deze maatregelen voorstellen. Ik vrees het ergste.

Deze voorstellen, hoe verschillend ook, gaan uit van een bepaalde visie op het keuzeproces van jongeren. Dat is blijkbaar een behoorlijk rationeel afwegen van voor- en nadelen, op korte en op langere termijn. Dat nu, is volgens mij een misvatting. En daarin sta ik niet alleen. 

In opdracht van de Taskforce Jeugdwerkloosheid verscheen in oktober 2004 een quick scan onder de titel: “Jongeren op weg naar opleiding en werk”. (zie voor volledig rapport: http://docs.szw.nl/pdf/129/2004/129_2004_3_6553.pdf) Daarin wordt ingegaan op de vraag hoe jongeren een vervolgopleiding en een beroep kiezen. Een citaat:

Äls je weet dat een bepaalde opleiding geen goede toekomstperspectieven biedt, dan zal ik die opleiding niet willen kiezen.

Tenzij het een hobby is of ik het echt heel graag wil. Dan wel” 


Het laatste deel heb ik expres dikgedrukt, omdat het volgens mij van doorslaggevend belang is. Het geeft aan dat er hele andere zaken meespelen.

In hetzelfde rapport staat vermeld wie de keuzes van jongeren het meeste beïnvloeden. De top vier:

  1. niemand (45%)
  2. ouders (44%)
  3. vrienden (18%)
  4. familie (17%)

Voor school is hier dus slechts een zeer bescheiden rol weggelegd. En wat zijn dan de belangrijkste motieven voor een opleidingskeuze:

  • De opleiding zelf lijkt leuk (49%)
  • Het werk, dat ze kunnen gaan doen, lijkt aantrekkelijk (37%)
  • Mensen om hen heen adviseren het (35%)

Nog een citaat, speciaal voor vrienden van de VVD: “Maar 15% kiest de opleiding vanwege het geld dat ze kunnen gaan verdienen.”

Een oplossing van het dreigend tekort aan technici is volgens mij niet eenvoudig te vinden. De genoemde maatregelen zullen het volgens mij in elk geval niet brengen. Om iets meer zicht te krijgen op een oplossingsrichting ga ik te rade bij het zogenaamde Bètamentality model (zie www.betamentality.nl).

De kracht van dit model zit hem in het feit dat het gebaseerd is op behoorlijk grootschalig onderzoek onder de doelgroep. Bovendien wordt op basis van dat onderzoek verschillende benaderingen gekozen worden voor vier verschillende doelgroepen:

Ik schets in het kort de vier doelgroepen en zeg iets over een mogelijk succesvolle benadering:

Concrete Bètatechnici, (31%):

  • houdt van techniek, 
  • is praktisch en nieuwsgierig (“hoe werkt dat?”)
  • wil iets in de techniek, maar weet nog niet goed wat
  • kiest graag een opleiding die brede oriëntatie mogelijk maakt
  • verwacht wel een goede baan en dito inkomen, maar dat is niet van invloed op hun keuze

Carrière Bèta’s (28%):

  • geniet van technische innovatie
  • meer affiniteit met theorie dan met praktijk
  • geïnteresseerd in status en carrière (hechten dan ook belang aan te verwachten salaris)
  • negatief imago van techniek verhindert keuze voor techniek
  • kiezen eerder voor iets economisch

Mensgerichte generalisten (28%):

  • geen specifieke interesse voor techniek
  • houden van leren en studeren (en kunnen dat ook vrij goed)
  • kiezen voor een baan die ze leuk vinden, waarmee ze nuttig zijn voor maatschappij
  • kiezen niet met oog op status of beroepsperspectief
  • komen moeilijk tot een keuze voor een opleiding/beroep

Non Bèta’s (13%):

  • hebben (bijna) aversie tegen techniek, “niet leuk, saai, ouderwets”
  • oriënteren zich uitgebreid op vervolgopleiding, maar zoek daarbij in hele andere hoeken dan techniek

Met deze gedachten in het achterhoofd, zouden politieke partijen terughoudend moeten zijn met het bieden van ogenschijnlijk eenvoudige oplossingen voor dit complexe probleem.

Beroepsonderwijs is van de regio!

De afgelopen dagen had ik in allerlei samenstellingen de nodige gesprekken over hoe het verder moet met het beroepsonderwijs.In dit blog ga ik niet in op alle  gesignaleerde problemen. Wel probeer ik een perspectief te schetsen waar we volgens mij naar toe zouden kunnen/moeten werken om beroepsonderwijs te moderniseren en te verduurzamen.

Dat perspectief heeft als uitgangspunt dat een perspectief voor beroepsonderwijs alleen zinvol is als het alle sectoren van beroepsonderwijs erbij betrekt en aan elkaar verbindt: VMBO, MBO, HBO.

Dat perspectief wordt sterk gekleurd door kenmerken van de regio waarin ik werkzaam ben: Friesland, relatief dun bevolkt, veel kleine kernen, behoorlijk verspreide voorzieningen voor VMBO, redelijk geconcentreerde voorzieningen voor MBO en HBO.

Het beroepsonderwijs moet “twee meesters dienen”:

  1. jongeren die een schoolloopbaan in het beroepsonderwijs kiezen
  2. bedrijven en instellingen die hun werknemers uit dat beroepsonderwijs zien komen

Zolang we denken dat we tussen deze twee moeten kiezen komt het niet goed. We krijgen dan onvoldoende oog voor een van beide zaken:

  • voor de keuzes, motivering, levens van de desbetreffende jongeren

Een eenduidige keuze voor de instroomwens van bedrijven, betekent dat we onvoldoende aandacht schenken aan keuzegedrag en motieven van jongeren. Jongeren in een richting dwingen die ze niet zien zitten leidt tot demotivatie, gedragsproblemen, leerproblemen, schooluitval. Het hoeft geen betoog dat de effecten hiervan op de jongeren zelf, maar ook op de omgeving van die jongeren zeer ongewenst zijn.

  • voor de noodzaak in de bedrijven, maar ook in de regio daaromheen om een adequate instroom van werknemers te realiseren

Alleen maar kijken naar “wat willen jongeren” is eveneens te simpel. Het is ook de taak van het onderwijs om jongeren duidelijk te maken dat ze opgroeien in een omgeving waarin van alles gebeurt. Keuzes maken zonder oog voor die omgeving kan voor de korte termijn erg prettig zijn, maar langzaam maar zeker komt het er ook op aan die keuzes te verbinden met die omgeving.

Modern en duurzaam beroepsonderwijs verbindt dus deze twee invalshoeken:

  1. Het biedt leertrajecten die passen bij de verschillende doelgroepen in het onderwijs. Niet alleen met het oog op het niveau, maar juist ook met het oog op de vraag hoe ver jongeren zijn in hun oriëntatie- en keuzeproces. Wie weet wat hij wil, moet de kans krijgen daarin te groeien. Wie dat niet weet, moet de kans krijgen het te ontdekken. En wie van keuze verandert moet de kans krijgen om zonder al te veel verlies van energie en tijd over te stappen.
  2. Het biedt leertrajecten die passen bij ontwikkelingen in de omgeving. Die ontwikkelingen zijn moeilijk te voorspellen, maar het is goed om in de driehoek onderwijs-ondernemers-overheid speerpunten vast te stellen die herkenbaar terugkomen in zowel de economische ontwikkeling van de regio als de inhoudelijke programmering van het beroepsonderwijs.

De uitdaging is om vanuit bovenstaande invalshoeken met álle betrokken partijen te komen tot een wenkend perspectief voor het beroepsonderwijs én het bedrijfsleven, dat we met elkaar kunnen realiseren en waar we ons met elkaar ook hard voor maken.

Entreeopleiding doet deuren niet alleen open, maar ook dicht

Entreeopleidingen in het MBO, over het kind en het badwater

In Focus op Vakmanschap, het actieplan waarmee de minister kwaliteit in het MBO een impuls wil geven, wordt de inrichting aangekondigd van zogenaamde entreeopleidingen. Deze opleidingen vervangen de huidige niveau 1 en AKA-opleidingen.
Ondanks een aantal goede bedoelingen zal de introductie van de entreeopleidingen desastreuze gevolgen hebben voor bepaalde groepen jongeren. Hieronder schets ik een aantal van die negatieve aspecten.

Een en ander is gekoppeld aan het beëindigen van de drempelloze instroom in niveau 2 en de beëindiging van de beperkte verblijfsduur in het VMBO.
De entreeopleidingen zijn uitsluitend bedoeld voor degenen die zonder diploma aankloppen bij het MBO. De vraag is natuurlijk wie dat zullen zijn. Ondanks onbeperkt verblijf in het VMBO komen zij daar toch zonder diploma vanaf!

Welke problemen komen we tegen in de (beoogde) regelgeving:

De entreeopleidingen zijn niet voor jongeren met multiproblematiek. Daarvoor zijn de plusvoorzieningen bedoeld! In hoeverre is dit een reëel alternatief? Eind 2011 is een onderzoek naar de plusvoorzieningen verschenen. Dat maakt wat mij betreft een paar dingen duidelijk:
– Het is nog te vroeg om deze voorziening een structurele positie in het onderwijs- en begeleidingsaanbod te geven. Het onderzoek baseert zich nog grotendeels op papieren planenn en niet op effecten in de praktijk. Voor dat laatste is het gewoon te vroeg.
– Er zijn nog zeer uiteenlopende vormen van plusvoorzieningen te vinden. Welke blijken straks effectief te zijn?
– De huidige plusvoorzieningen zijn vooral een aanvulling op regulier aanbod. In de aanpak van de minister lijkt het een volwaardige en zelfstandige voorziening te zijn. Dat is net het geval.

De entreeopleiding als schakel tussen VMBO en MBO-2 lijkt een aantrekkelijke optie. Voor een aantal groepen biedt het huidige voorstel echter geen perspectief:
– De verblijfsduur is beperkt tot twee jaar, waarvan het tweede jaar slechts voor 50% bekostigd wordt.
– Wat gebeurt er met een jongere die, om wat voor reden dan ook, meer tijd nodig heeft?
– Hoe kan van scholen verwacht worden dat voor een groep die juist zeer intensieve begeleiding vraagt, onderwijs verzorgd wordt tegen 50% van de bekostiging?
– Na twee jaar worden ze van de entreeopleiding uitgeschreven. Dan is er geen vorm van onderwijs meer voor deze groep beschikbaar!
– Uitvallers uit het reguliere MBO (niveau 2,3,4) zijn niet toelaatbaar tot entreeopleidingen. Zij hebben immers een diploma. Maar de deskundigheid die zij nodig hebben bevindt zich vaak op gebied van begeleiding. Deze is bij entreeopleidingen (lees: huidige niveau 1) aanwezig.
-Na vier maanden ontvangen deelnemers aan entreeopleiding een bindend studieadvies. Het effect van een negatief studieadvies hangt af van de leeftijd.
– 18-min: overstappen naar andere entreeopleiding! Dit betekent dus iedere vier maanden overstappen? Hoeveel entreeopleidingen zijn er in een regio? Wat zou overstappen op moeten leveren? Dit betekent rondpompen tot de 18e verjaardag!
– 18-plus: van school verwijderd. Dat betekent ongeschoold en ongekwalificeerd werk zoeken. Deze groep zal op stoep staan van gemeente. Wat zij besparen aan kosten voor OCW zullen ze in veelvoud en langdurig gaan kosten aan SZW.

Uiteindelijk zullen de uitvallers uit entreeopleidingen het onderwijs verlaten. Daarmee zijn ze niet langer de zorg van de school. In plaats daarvan kloppen zij aan bij de gemeenten die druk bezig zijn om te kijken hoe ze de lopende bezuinigingen op kunnen vangen met de huidige doelgroepen. Op deze manier komt daar dus eenvoudigweg een doelgroep bij, zonder dat dat budgettair op een of andere manier gecompenseerd wordt.

Vaardigheden 2020

In de publieke discussie over onderwijs lijkt de restauratie steeds harder toe te slaan. We moeten koste wat kost het ouderwetse degelijke onderwijs herstellen. Dus weer ouderwets taal en rekenen; ouderwetse klassikale instructie; ouderwetse scholen met ouderwetse namen.

Eerlijk is eerlijk, deze hang naar ouderwetse vormen is deels veroorzaakt door het falen van vernieuwing. We ontkomen niet aan de conclusie dat goedbedoelde veranderingen in de afgelopen periode vaak niet beklijfden, vaak onvolledig uitgevoerd werden, vaak niet goed georganiseerd werden, etcetera.

Dat neemt niet weg dat onderwijs rekening moet (blijven) houden met wat de toekomst vraagt aan vaardigheden. Het lijkt alsof we, uit frustratie door de mislukkingen, nu onze ogen sluiten voor dat vraagstuk. Extra lastig wordt het omdat we ook moeten erkennen dat de toekomst steeds moeilijker te voorspellen lijkt. 

Dat neemt niet weg dat wat mij betreft de ambitie moet blijven bestaan om ons onderwijs in te richten met het oog op de toekomst. Onderstaand artikel kan daarbij helpen. Het geeft een interessant beeld van wat de jongeren van nu nodig hebben als zij straks de stap maken van onderwijs naar werk.

 Afbeelding

Welke vaardigheden hebben we nodig om ook in 2020 ons werk goed te kunnen doen? Het Institute for the Future (IFTF) van de University of Phoenix deed onderzoek naar die vraag en baseerde zich daartoe op zes ontwikkelingen die de toekomst mede gaan bepalen.

  1. We worden steeds ouder en zullen langer werken. Om het werk interessant te houden zullen we ons moeten blijven ontwikkelen, zodat we in ons werk steeds nieuwe uitdagingen kunnen vinden.
  2. Computers worden steeds intelligenter en kunnen steeds meer taken van ons overnemen. Als mensen zullen we ons moeten focussen op de dingen waar we voorlopig beter in blijven dan computers.
  3. Computertechnologie wordt steeds meer ingebouwd in alles om ons heen. Onze omgeving wordt daarmee programmeerbaar. Dat geldt ook voor de omgeving van ons werk en de omgevingen die we met ons werk creëren.
  4. Technologie biedt ons nieuwe mogelijkheden om te communiceren. Tekst heeft onze cultuur en communicatie lange tijd gedomineerd. Beeld en geluid zullen een prominentere plek veroveren.
  5. Traditionele organisatievormen maken plaats voor samenwerken via nieuwe technologieën. We zien dat al in begrippen als ‘co-creatie’ en ‘crowd sourcing’.
  6. In steeds meer sectoren en activiteiten wordt de wereld het werkterrein. Diversiteit en snelle veranderingen bepalend het speelveld.  

Vanuit bovenstaande ontwikkelingen formuleert het IFTF de volgende tien vaardigheden die belangrijk worden voor de professional in 2020:

  1. Kritisch kunnen denken en zinvolle betekenis kunnen geven aan grote hoeveelheden informatie.
  2. Sociale intelligentie: betekenisvolle verbindingen maken met anderen.
  3. Innovatief kunnen denken, aansluitend bij wat een specifieke situatie vraagt (adaptiviteit).
  4. Gevoel voor cultuur en cultuurverschillen en hierop kunnen inspelen.
  5. Kunnen bedenken hoe je computertechnologie in kunt zetten om je te ondersteunen bij het interpreteren van grote hoeveelheden data.
  6. Nieuwe media in kunnen zetten voor je communicatie en inhoud die via nieuwe media tot je komt kunnen begrijpen en waarderen.
  7. Multidisciplinair kunnen denken en (samen)werken.
  8. Kunnen denken als een ontwerper om de dingen om je heen meer naar je hand te zetten, gebruikmakend van alle mogelijkheden die technologie daarvoor biedt.
  9. Metacognitie, met name in het licht van om kunnen gaan met de grote hoeveelheden informatie en ‘prikkels’ die op ons afkomen.
  10. Tijd- en plaatsonafhankelijk kunnen samenwerken in virtuele settings.
Het volledige rapport is beschikbaar als pdf via deze link.
 

Ambitie? Moet je doen!

De afdeling communicatie van onze school heeft het woord “uitdaging” omhelsd als de kern van de boodschap die we uit willen stralen. Zo richting jaarwisseling brengt dat al snel de vraag met zich mee wat mijn uitdaging komend jaar is.
Hoe makkelijk is het om dan te denken aan alle lastige zaken die we het hoofd moeten bieden. Bezuinigingen en bureaucratie strijden om voorrang. Maar ze krijgen het niet. Dé uitdaging is namelijk om, terwijl die 2 B’s natuurlijk alom aanwezig zijn, te blijven werken aan je ambitie.
Werken aan ambitie vraagt om ruimte:
– Ruimte voor samenwerking
– Ruimte voor innovatie
– Ruimte voor passie

SAMENWERKING
– tussen deelnemers
– tussen docenten
– tussen opleidingen
– tussen scholen
– tussen school en omgeving
Ik ben er van overtuigd dat samenwerking leidt tot betere resultaten. Van onze deelnemers wordt steeds weer gevraagd dat ze kunnen samenwerken. Zo zit de wereld van werk tegnewoordig in elkaar.
Samenwerking is ook noodzakelijk omdat het tijdperk van verregaande taakdifferentiatie en individualisering van werk op zijn retour is. Dat paste in een tijd van industrialisatie. Maar meer en meer zien we dat, ook in de “harde, industriële sector”, dienstverlening een centrale plaats inneemt in de uitvoering van werkzaamheden.
Die dienstverlening mag uiteraard niet ten koste gaan van vakmanschap, maar dat laatste wordt meer en meer een commodity. We zijn niet tevreden omdat de kraan niet meer lekt als de loodgieter weggaat. Dat is een vanzelfsprekendheid. Uiteraard zijn we wel ontevreden als die kraan nog steeds blijkt te lekken!
Die veranderingen in de buitenwereld moeten zich weerspiegelen in de manier waarop we op school aan het werk zijn. Ook wij moeten toe naar een meer hybride werkwijze waarbij strakke grenzen vervagen:
– minder afbakening tussen verschillende opleidingen
– meer crossovers, meer kruisbestuiving
– meer ruimte voor samen ontwikkelen en voor leren van, met en aan elkaar

INNOVATIE
– inzet van deskundigen uit het werkveld
– inzet van nieuwe (digitale) middelen
– inspelen op wensen en mogelijkheden van deelnemers
Geen innovatie om de innovatie, maar omdat het beter kan én moet. Vernieuwing in het onderwijs loopt, deels noodgedwongen, altijd achter op vernieuwing in de wereld eromheen. Juist beroepsonderwijs zou meer om zich heen moeten kijken. Wat verandert in de wereld van werk door de toenemende digitalisering? Welke invloed hebben social media? Hoe kunnen we dat terug laten komen in ons onderwijs? Waarom zouden we het allemaal zelf willen doen als het voor mensen uit het bedrijfsleven al dagelijkse praktijk is?

PASSIE
– werken omdat je wilt i.p.v. omdat je moet
– werken vanuit je hart i.p.v. op basis van protocollen
We regelen alles kapot. Voor alles stellen we een overeenkomst op, inclusief de regels die gelden als we ons niet aan een afspraak houden. Deze juridificering haalt het leven uit ons onderwijs. Laten we minder kijken naar arbeidsovereenkomst en COA. Laten we kijken naar wat nodig is. Als jongeren kiezen voor een opleiding zijn ze daarvoor gemotiveerd. Ze leven een droom na. De belangrijkste taak voor het onderwijs is toch om die droom levend te houden? We moeten jongeren begeleiden bij het realiseren van die droom. Dat kan alleen gebeuren door mensen die zelf ook bezig zijn met de realisatie van een droom.

De P van papier(en wantrouwen)

Onlangs woonde ik een masterclass bij van Toon Gerbrands, de huidige algemeen directeur van AZ en voormalig volleybalcoach. Hij vatte zijn visie samen in drie woorden: visie, actie en passie. Hij wist het goed neer te zetten, bracht het met overtuigingskracht en met humor. Daarmee maak je natuurlijk indruk op je publiek, ook op mij.
Al luisterend bedacht ik steeds weer: “zo zit het ook bij ons op school”. Deze drie woorden kun je prima op een school toepassen, zeker op een school die bezig is om de kwaliiteit van het onderwijs te verbeteren:
VISIE: weten wat voor school je wilt zijn; weten welke uitgangspunten sturend zijn voor je onderwijs; weten hoe je naar leerlingen/studenten kijkt. Kortom, weten wat je voor elkaar wilt krijgen.
ACTIE: docenten en andere medewerkers moeten dingen doen om die visie te realiseren; als we ons onderwijs willen verbeteren is er beweging nodig; niet lullen, maar poetsen, om het zo maar even te zeggen.
PASSIE: beter onderwijs vraagt inspanning; met een “negen tot vijf mentaliteit” gaan we het niet redden; dat stapje extra zet je alleen maar als het bieden van goed onderwijs een diepgewortelde drijfveer is.

Ik loop daar al even mee rond. Met die drie woorden, waarvan ik denk dat ze ons kunnen helpen om te doen waar we voor zijn: goed, zeg maar gerust nog beter, onderwijs bieden. En, zoals altijd, in zo’n masterclass klinkt het allemaal simpel. En zoals altijd, kom je er dan later achter dat het zo makkelijk nu ook weer niet is.
Ik onthou in zo’n situatie de woorden vaak aan de hand van de beginletters. In dit geval dus V, A en P. Al piekerend merkte ik dat twee van die drie letters een ander woord bij me opriepen: de P van Papier en de V van Vertrouwen. Van het een hebben we teveel en van het ander te weinig. Maar eens even bij stil staan.

Vraag een docent waar hij last van heeft en hij noemt al snel het papierwerk waartoe hij zichzelf veroordeeld acht. Al dat papier verstikt de passie. Geen mens kiest voor het leraarsberoep omdat hij zin heeft om formulieren in te vullen. Dat geldt overigens ook voor de politieagent, de arts, etcetera. Het bijhouden van dossiers en dergelijke vraagt steeds meer tijd. Vaak overigens, zonder dat we ons afvragen wat het oplevert.
En die P van papier heeft alles te maken met die V van vertrouwen, althans het gebrek daaraan. Het grootste deel van het papierwerk komt voort uit het wantrouwen dat het onderwijs (en …) doordrenkt. Van hoog tot laag en omgekeerd, wantrouwen viert hoogtij. Wantrouwen leidt steeds meer tot een verantwoordingsdruk, die zich vertaalt in bergen papierwerk.

Een oplossing kun je zoeken in het “uitbesteden” van papierwerk aan administratieve ondersteuners. Helaas, voor je het weet krijg je als bestuurder te horen dat je te veel geld besteedt aan de overhead. Dus wordt het paard (weer) achter de wagen gespannen, verliezen medewerkers hun baan en worden docenten gedwongen om weer achter de PC plaats te nemen om te doen waarvoor ze NIET in de wieg gelegd zijn: formulieren invullen

Onderwijsbestuurder, een vak én een roeping

Als er een boek uitkomt met de titel “Leiden met liefde, op zoek naar de nieuwe onderwijsbestuurder” dan ervaar ik dat als verplichte kost. Wat wil je liever dan een boek dat zich bezig lijkt te houden met de vragen die voor jezelf min of meer tot de terugkerende thema’s van de dag horen. Extra aantrekkelijk wordt het als ik dit boek veel collega-bestuurders aan het woord komen en je dus het plaatje bij het praatje in je hoofd hebt tijdens het lezen.

Chris Tils schreef dit boek en ik las het zojuist uit. Met veel plezier! Ik vraag er dan ook graag aandacht voor via mijn weblog. Niet om mezelf als recensent te profileren. Wel omdat het boek een aantal zaken op een rij zet die ik graag vast wil houden. En dat is voor mij persoonlijk een van  de doelen van dit weblog. En daar hoort dan bij dat ik kort reflecteer op wat het boek bij mij in beweging zet. Dat doe ik nu simpelweg door datgene wat ik het meest herken of wat he meest raakt vetgedrukt weer te geven.

Het boek kent een zeer gestructureerde opzet, verdeeld in vier hoofdstukken. De teksten worden gelardeerd met veel citaten uit interviews die Chris hield en onderbroken door wat langere teksten uit die interviews. Onwillekeurig kijk je naar de lijst met geïnterviewden. En vraag je je af waarom juist deze mensen erin staan. Het is een zeer gevarieerde lijst. Ik kan er geen andere overeenkomst in vinden dan dat het onderwijsbestuurders betreft.

Een korte beschrijving per hoofdstuk:

H1.Wat zijn belangrijke elementen van de context waarin onderwijsbestuurders opereren?

  • Professionele onderwijsbestuurders kwamen op in een tijd waarin, met name op initiatief van de politiek, gestreefd werd naar grootschaligheid, autonomie en bedrijfsmatigheid.
  • Momenteel hebben onderwijsbestuurders te maken met drie ontwikkelingen: een scherp publieke debat, veranderingen in het profiel van de (gewenste) bestuurder, verschuivingen in politieke opvattingen over de taak/opdracht van de bestuurder.

H2. Welke rollen van onderwijsbestuurders kun je onderscheiden?

Dit is misschien wel het meest theoretische deel van het boek. Tils beschrijft tien rollen van bestuurders die hij verdeeld heeft over drie  categorieën. Wie alles wil weten leest het boek. Ik volsta hier met het noemen van de rollen. Daarnaast geeft Chris Tils per rol een of enkele aanbevelingen. Die vormen gelijk een aardige conclusie per rol en deze neem ik dan ook graag op.

Categorie 1: Symbolische rollen

  • Verantwoordelijkheidsdrager:
  • Draag de eindverantwoordelijkheid voluit en ontken of ontloop hem nooit.
  • Boegbeeld
  • Zeg nooit zelf dat je het Boegbeeld bent.
  • Werk actief aan de rol van Boegbeeld.
  • Symboolmanager
  • Zorg voor heldere eigen of sectorale regels, en leef ze na.
  • Verbind de keuzen betreffende de symbolen aan de waarden van de instelling.

Categorie 2: Richtinggevende rollen

  • Onderwijskundig leider
  • Maak onderwijskundig leiderschap tot topprioriteit. Laat daarbij persoonlijke betrokkenheid zien.
  • Maar een richtinggevende onderwijsvisie om het gesprek over goed onderwijs vorm te geven. Vermijd een voorschrijvende onderwijsvisie.
  • Strategisch leider
  • Kies een ambitieniveau dat passend is voor de ontwikkelingsfase van de instelling. Zet het onderwijs daarbij altijd op de eerste plaats.
  • Ontwikkel een strategisch plan samen met docenten, andere medewerkers en hun leidinggevenden. Ga niet achteraf draagvlak creëren voor een strategie die de bestuurder zelf heeft bedacht.
  • Change Agent
  • Maak duidelijk welke waarden ten grondslag liggen aan gewenst gedrag.
  • Zorg voor genoeg uitvoeringskracht
  • Ondernemer
  • Verlaat het idee van een onderwijsinstelling als winstgevend bedrijf.
  • Start pas ondernemende projecten buiten de sfeer van regulier onderwijs, als de onderwijskwaliteit en -ondersteuning op orde zijn. Ondernemerschap moet daarbij aantoonbaar leiden tot beter onderwijs.

Categorie 3: Technisch-uitvoerende rollen

  • Werkgever
  • Claim het probleemeigenaarschap van de professionaliteit van docneten,
  • Kijk verder dan de cao.
  • Verbinder
  • Zorg voor een goede maatschappelijke verankering van de instelling door veel verbindingswerk. Stimuleer ook anderen binnen de instelling tot verbinding met de buitenwereld.
  • Bedrijfsvoerder
  • Manage als het moet, bestuur als het kan.
  • Plaats de bedrijfsvoering altijd in dienst van het onderwijs.
  • Zorg voor een gegevensbasis en managementinformatie die buiten kijf staan.

H3. Wat zijn de belangrijkste drijfveren van onderwijsbestuurders? Van Tils beschrijft de volgende:

  • Passie voor onderwijs en talentontwikkeling
  • Geloof in maatschappelijke vooruitgang
  • Dienstbaarheid aan onderwijsprofessionals
  • Waardenvorming voor nieuwe generaties
  • Algemeen bestuurlijke drijfveren: vernieuwen en verbeteren, geld verdienen, carrière en ambitie, ondernemerschap, verantwoordelijkheid met zeggenschap, plezier in complexiteit

H4. Hoe valt de nieuwe onderwijsbestuurder te omschrijven? Op grond van zjin beeld van de context waarin onderwijsbestuurders opereren en op basis van de beschreven rollen en drijfveren presenteert van Tils zijn beeld van de moderne onderwijsbestuurder:

Uitdagingen:

  • Weg van de fusies, terug naar kleinschalig georganiseerd en beter onderwijs
  • Meer doen met minder, bij een krimpend aantal leerlingen
  • Aansluiten van de interne cultuur en werkwijze op veranderende maatschappelijke eisen

Rolinvulling/verschuiving in rollen:

  • De enorme maatschappelijke aandacht voor de symboolmanager maakt het meer dan ooit noodzakelijk dat onderwijsbestuurders een smetteloos blazoen hebben.
  • Er is behoefte aan een sterker ontwikkeld onderwijskundig leiderschap en een zwaarder accent op de rol van Change Agent.
  • In de rol van Werkgever ligt het accent steeds meer op de professionalisering van docenten.

Drijfveren: Tils identificeert de volgende drijfveren als cruciaal om in de huidige tijd als een geloofwaardige onderwijsbestuurder te werken:

  • Passie voor onderwijs en talentontwikkeling
  • Dienstbaarheid aan onderwijsprofessionals

Het boek sluit af met onderstaande “profielschets van de nieuwe onderwijsbestuurder”:

  1. Heeft liefde voor onderwijs, en vindt talentontwikkeling van jonge mensen oprecht belangrijk.
  2. Is dienstbaar aan de onderwijsprofessionals en maakt daarmee verbinding. Brengt het eigenaarschap van het onderwijs op praktische wijze terug bij docententeams.
  3. Heeft de ruggengraat om stormen te trotseren. Kan weerstand bieden aan grote politieke en maatschappelijke druk en vanuit authenticiteit toch een eigen koers bepalen.
  4. Is uitmuntend integer. Zorgt ervoor dat er rond de persoon van de bestuurder geen enkel incident ontstaat over salaris, declaraties of andere maatschappelijk gevoelige symbolen.
  5. Toont voorbeeldgedrag. Laat zien welk gedrag vanuit welke waarden belangrijk is. Laat zien dat hij zelf in staat is om te leren.
  6. Koppelt ondernemerschap aan het onderwijs van de instelling. Gaat alleen ondernemen als uitlegbaar is dat het onderwijs door het ondernemerschap beter wordt.
  7. Toont onderwijskundig leiderschap. Kan organiseren dat onderwijsteams ook gaan werken vanuit onderwijskundig leiderschap.
  8. Maakt actief de verbinding met de maatschappij. Heeft een excellent gevoel voor wat er in de maatschappij en de politiek gebeurt.

Al met al een boek dat je helpt om je eigen gedachten te ordenen. Een aantal invalshoeken komt sterk naar voren. Persoonlijk vind ik de onderdelen rondom de Symboolmanager en daarbij de betekenis van de publieke opinie erg zwaar aangezet. Modern besturen dreigt dan vooral bepaald te worden door hoe er naar de buitenkant gekeken wordt.

Chris kiest ervoor om in generieke termen over onderwijsbestuurders van alle sectoren te spreken. Ik merk bij mezelf twijfel daarover. Dat heeft met mij eigen drijfveren te maken. Juist als bestuurder in een ROC werk je op het snijvlak van onderwijs en arbeidsmarkt. Dat is voor mij een factor die het werken in deze sector extra aantrekkelijk maakt. Iedere sector zal zo zijn kenmerken hebben, maar je moet je als bestuurder wel aangetrokken voelen tot die specifieke elementen. Juist om die school zich te laten ontwikkelen.

Dat is misschien ook wel wat me het meest aanspreekt in het boek. Het afscheid nemen van de school als onderneming. Zonder ondernemerschap redden we het niet, maar dat gaat om gedrag en niet om de organisatiedoelstellingen. Wat dat laatste betreft gaat het er om dat je een school bent en blijft. En daar heb je het druk genoeg mee. De maatschappelijke opdracht die we krijgen is daarvoor belangrijk genoeg.

Geen regels, maar een goed gesprek

Na mijn vorige blogpost, ontkom ik er niet aan om ook dit keer stil te staan bij de voortgaande formalisering. Deze week kwam in het nieuws dat CNV onderwijs een protocol heeft opgesteld voor het gebruik van social media door schoolpersoneel.
Nou heb ik bij voorbaat grote twijfels bij het nut van een protocol bij het reguleren van gedrag. Maar hier worden probleem en oplossing volgens mij volstrekt verkeerd aan elkaar gekoppeld. Hoe zit dat (volgens mij)?
Social media zijn een vrij nieuw verschijnsel en langzaam maar zeker maken meer mensen er gebruik van. Logisch dat ook het gebruik in de school en onder medewerkers van scholen (fors) toeneemt.
In mijn eigen omgeving maak ik mee dat dat gebruik soms ongewenste effecten heeft. En voor wie daar onbekend mee is, lees de Volkskrant van vandaag. Vakantiefoto’s, persoonlijke ontboezemingen, het komt allemaal in de open wereld die internet heeft. En daarmee in de wereld van mensen voor wie je het wel verborgen had willen houden (vooral leerlingen worden genoemd, maar of je het allemaal bekend wilt maken aan je collega’s vraag ik me ook af).
Dus komt er een protocol.
In het protocol van CNV onderwijs lees ik onder andere de volgende regels:
– je publiceert op persoonlijke titel op social media
– je mag geen vertrouwelijke informatie verspreiden via social media
– je gaat geen discussie aan met ouders en leerlingen via social media
En tenslotte legt de school vast welke maatregelen genomen worden bij overtredingen van de regels.
Lost dit het probleem op?
Ik denk het dus niet. Uit de publicaties rondom dit thema komt naar voren dat gebruikers van social media niet altijd overzien hoe het werkt. Zij realiseren zich niet op elk moment wat het effect van een uiting kan zijn.
Dat vraagt dus vooral om meer informatie en voorlichting, niet om regelgeving en sancties.
Volgens mij moet het in scholen vooral gaan over (het gebruik van) social media. Het moet onderwerp van gesprek zijn. Mensen die er gebruik van maken moeten vertellen over hun ervaringen, hun verrassingen en hun teleurstellingen.
Social media kunnen uitgroeien tot een van de grootste vernieuwingen van dit decennium. Daarmee is gezegd dat ze de school binnen zullen komen, of we willen of niet. Het is een vernieuwing die we maar beter kunnen omarmen. Dat gebeurt niet via een protocol. Deze vernieuwing wordt omarmd (of afgewezen) zoals elke vernieuwing … tijdens het gesprek aan de koffieautomaat. Laten we dat gesprek zo open mogelijk voeren!

Oh ja, ik schrijf dit op persoonlijke titel 😉

Hoe sneller, hoe beter?

Ik maak me zorgen over een grote groep jongeren. Ik denk zelfs over de grote meerderheid van al onze jongeren. De belangrjkste reden daarvoor? Het onderwijsbeleid sluit niet aan bij de natuurlijke ontwikkeling van de jeugd.

In deze tijd van financiële krapte lijkt het alsof de titel van deze blogpost ook het motto van het ministerie is. We hebben hoge ambities als het gaat om het opleidingsniveau van de nederlandse jeugd, maar we hebben er niet heel veel geld voor over. Dus moet het allemaal zo snel (en dus goedkoop) mogelijk.

Ik geef een voorbeeld uit de sector waarin ik werkzaam ben, het MBO. Het onderwijs in het MBO is verdeeld in vier niveaus en in honderden opleidingen. Nou spelen er twee dingen:

  1. Jongeren worden geacht op hun 16e/17e uit die honderden opleidingen die ene te kiezen die bij hen past.
  2. Jongeren moeten direct instromen op het juiste niveau en op dat niveau het diploma te halen.
Waarom is dit onmogelijk en onwenselijk?
De meeste jongeren weten op die leeftijd nog niet zo nauwkeurig wat ze eigenlijk willen (worden). Voor degenenen die op een hoger niveau van het ondrwijssysteem actief zijn is dat probleem al iets minder. Zij kiezen later en vaak ook nog uit een wat bredere universitaire opleidingen, waarin de specialisatie pas later komt.
Binnen het MBO ontdekken jongeren vaak pas gedurende de rit wat ze nou eigenlijk gekozen hebben. En ook krijgen ze pas later scherp of hun keuze wel echt past bij hun ambitie, affiniteit en capaciteit.
En verder kennen we allemaal het verschijnsel van de “laatbloeiers”. Degenen die pas iets later “de geest krijgen” en daarmee de motivatie op kunnen brengen om er een schepje bovenop te gooien voor wat betreft de studie.
Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar in elk geval is duidelijk geworden dat de hersenen van jongeren zich zo ontwikkelen dat het vragen om een weldoordachte en toekomstbepalende keuze op zestienjarige leeftijd een onmogelijkheid is.
En waarom sta ik hier nu bij stil?
Het ministerie heeft aangekondigd dat er minder ruimte komt voor switchen (van opleiding) en stapelen (van niveau/diploma). Scholen krijgen in de toekomst minder bekostigd voor een deelnemer die, door een van deze oorzaken, langer over het MBO doet. Dat is overigens al lang geleden aangekondigd, maar langzaam maar zeker wordt nu duidelijk hoe dat uitpakt.
Daarmee zal het ministerie  de ruimte voor scholen om in te spelen op wat ik hierboven schets drastisch beperken.
Het ministerie lijkt de illusie te hebben dat een betere intake zal voorkomen dat jongeren ontdekken dat ze eigenlijk iets anders willen of dat ze eigenlijk best in staat zijn om dat hogere  niveau aan te kunnen.
Met de maatregelen die het ministerie hiervoor treft maakt men duidelijk jongeren en hun schoolloopbaan eigenlijk vooral als kostenpost te zien.
Wat mij betreft komt er weer ruimte voor beleid op basis van het uitgangspunt dat het hier gaat om investeringen in de toekomst.

Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën