Posts Tagged 'onderwijs'



Kwaliteitszorg … een mensenzaak

Bij haar bezoeken aan (MBO-)scholen kijkt de inspectie meer en meer naar de wijze waarop de kwaliteit van onderwijs en examinering geborgd is. Daarmee komt zij op het terrein van kwaliteitszorg, het geheel aan maatregelen, processen en instrumenten dat ervoor moet zorgen dat volstrekt helder is welke kwaliteit gerealiseerd wordt, waar die kwaliteit te wensen overlaat en hoe dat op zo kort mogelijke termijn aangepakt wordt.
Ook wij zijn op school (dus?) druk bezig om toe te werken naar een aanpak waarmee we de bij ons geleverde kwaliteit in beeld brengen en, indien nodig, verbeteren. Alhoewel die aanpak behoorlijk vorm krijgt, kan het topch nooit kwaad om eens te kijken hoe anderen hierover denken. Ik kwam daarbij het boek tegen van Theo Douma, Ronald Stevens en Roel in ’t Veld: “Naar (h)erkende kwaliteit in het mbo”. Voor meer informatie over het boek, zie: http://www.auditakademia.nl
Zij relateren kwaliteit(szorg) onder andere aan de sector waar het om gaat. Daarbij denk ik dat voor het MBO met name de dienstverlenende sector interessant kan zijn. Hoe je het ook wendt of keert, het valt niet te ontkennen dat het onderwijs op een of an dere manier een dienstverlenende institutie is. Voor wat betreft het MBO denk ik dat we die diensten verlenen aan onze deelnemers, hun ouders, de bedrijven waar zij als werknemer aan de slag gaan, het hoger onderwijs waar zij als student hun schoolloopbaan voortzetten.
Voor de dienstverlenende sector worden in het boek, naar analogie van wat daarover te vinden is bij http://www.servicemanagement.nl, de volgende aandachtspunten aangehaald:

Verschijningsvorm:voldoen de gebouwen, de bedrijfsmiddelen, de medewerkers en het communicatiemateriaal aan de verwachtingen van de klant?
Betrouwbaarheid:wordt de beloofde dienstverlening op tijd en volgens afspraak geleverd?
Bereidheid tot dienstverlening: worden klanten snel en adequaat geholpen?
Deskundigheid: hebben de medewerkers de vereiste vaardigheden en expertise om de gewenste dienst te kunnen bieden?
Hoffelijkheid: zijn de medewerkers beleefd, vriendelijk en welwillend naar de klant toe?
Toegankelijkheid: kan de klant gemakkelijk met de organisatie in contact komen?
Maatwerk: is er een mogelijkheid om de klant maatwerk te leveren die afwijkt van het normale aanbod?
Herstel van klachten of fouten: worden fouten snel, effectief en klantgericht hersteld?
Communicatie: wordt er in een voor klanten begrijpelijke taal gecommuniceerd? Wordt er echt geluisterd naar klanten?
Begrip: wordt er daadwerkelijk geprobeerd de klanten te begirjpen en hun wensen te kennen

Een mooi lijstje … volop uitdaging zou ik zeggen voor alle collega’s in de scholen

Als ik het voor het zeggen had …

Vanmiddag mocht ik met deze vraag in het achterhoofd een pitch houden tijdens de talkshow in “Het gesprek van Sneek” in Café Vellinga. Na het nodige twijfelen en selecteren maakte ik de keuze om één heldere prioriteit te stellen: voorkomen en bestrjiden van jeugdwerkloosheid.

Daarvoor is veel nodig, maar ik beperkte me tot twee acties.

Op de eerste plaats géén beperking van de verblijfsduur in het (middelbaar) beroepsonderwijs. We mogen de lessen uit het verleden niet vergeten. In de jaren ’80 was er
sprake van een verloren generatie omdat jongeren gedurende een crisisperiode niet aan de bak konden komen. Enkele jaren geleden lukte het om de jeugdwerkloosheid, ondanks de crisis, laag te houden door jongeren te stimuleren om op school te blijven. Nu is de minister van plan om het onmogelijk te maken veel langer dan vier jaar in het mbo te blijven. Doorstromen van een laag naar een hoog niveau wordt daardoor bijna onmogelijk.

Daarnaast moeten we op een nieuwe manier kijken naar mogelijkheden om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt op elkaar af te stemmen. Daarvoor zie ik grote zalen, gekoppeld aan een regio, vol met
– jongeren die werk zoeken
– werkgevers die mensen zoeken
– en onderwijsinstellingen die daar waar de match niet direct gemaakt kan worden zorgen voor bijspijkeren, omscholen, etc.
En ik zie géén bureaucratische vormen van bemiddeling, géén bureaus waar je je moet melden. Laat de verbinding direct tot stand komen!

Waar ik het niet over had, maar hier wel even wil noemen is de aandacht die zou moeten gaan naar nieuwe vormen van samenwekring tussen school en jeugdzorg. Daarbij pleit ik voor het minimaliseren van bureaucratie. Gisteren las ik in de Leeuwarder Courant een citaat van Peter Paul Doodkorte: “weg met het
protocol”.
We praten al jaren over samenwerking tussen school en zorg. Maar we proberen daarbij veel te veel te regelen in plaats van gewoon te beginnen.

Twee jaar geleden zijn wij gewoon begonnen. Eerst klein, sindsdien steeds meer. En wat geberut er? Istellingen voor jeugdzorg hebben zich daadwerkelijk gecommitteerd aan hulpverlening in de school. Niet alleen in woord, maar ook in daad. Inmiddels zijn van elf instellingen mensen actief in onze school. Zij hebben geen spreekuur, maar zijn daadwerkelijk in de klassen en in de gangen aanspreekbaar voor jongeren én medewerkers.
Onderzoek maakt duidelijk dat dor deze aanpak schooluitval terugloopt. Ook ontstaat er minder vraag naar zware vormen van hulpverlening.

PvdA, ook als het om onderwijs gaat

Het kon niet uitblijven: de vraag waarom ik PvdA kies, met het oog op de plannen van die partij voor het onderwijs. Ik probeer er hier iets over te zeggen, met de kanttekening dat ik niet op een partij stem vanwege één onderwerp. Ik ben PvdA-er vanwege de koers, het kompas, zoals Diederik Samsom dat gisteren noemde. En die koers vat ik samen met de woorden solidair, duurzaam, eerlijk, … (lijkt me een helder rijtje dat je altijd aan kunt vullen).

Maar wat wil die PvdA nou met het onderwijs? En zie ik die plannen zitten. Tijdens een feestelijke verkiezingsavond zei Samsom gisteren dat het gaat om drie dingen: “onderwijs, onderwijs en onderwijs”.  Dat klinkt mooi, maar wat betekent dat. Hopelijk gaat de PvdA deze vraag niet verengen tot een financiële kwestie. D’66 schermt met miljarden die in het onderwijs geïnvesteerd worden, maar we weten dat dat op zich niet betekent dat het onderwijs (lees: de leerling./student) er beter van wordt. De SP gaat bezuinigen op onderwijs, maar rechtvaardigt dat met de uitspraak dat het niet ten kosten van leraar en leerling gaat. Die miljard wordt gehaald bij de bestuurders/managers, waar we blijkbaar wel met wat minder kunnen. Ik betwijfel sterk of daar zoveel te halen valt en ga niet meedoen met de retoriek dat het allemaal de schuld is van die “duurbetaalde bovenlaag”, al was het maar omdat ik er zelf deel van uitmaak. Het gros van de leidinggevenden zit volgens mij in het onderwijs met de ambitie om goed onderwijs voor alle leerlingen en studenten mogelijk te maken. Daarvoor wil je een goede werkgever zijn voor de docenten die dat onderwijs verzorgen en je wilt een goede partner zijn voor andere scholen en overige bedrijven/instellingen waar je met die ambitie in het achterhoofd mee samenwerkt.

Terug naar de PvdA. Daar is onderwijs een van de zeven onderwerpen die in het voorjaar een plek innamen in het document waarmee de partij haar koers presenteerde. Samengevat maakt de PvdA de volgende keuzes voor wat betreft onderwijs:

De PvdA investeert in het onderwijs zodat meer tijd van beter opgeleide docenten ten goede komt aan leerlingen die daardoor verder komen in hun ontwikkeling en Nederland sterker maken voor de toekomst.

  • De uniforme norm van 1040 uur gaat van tafel. Er komt ruimte voor maatwerk.
  • Meer inzet op taal- en rekenonderwijs.
  • Meer ruimte en middelen voor initiatieven als de werkschool en Vakscholen.
  • Grenzen stellen aan de omvang van klassen, locaties en besturen.
  • Een sociaal leenstelsel in het Hoger Onderwijs tbv investeringen in het onderwijs.

Ik vul het aan met enkele citaten uit de uitwerking die mij in elk geval aanspreken:

“Veel leerlingen zijn gebaat bij structuur, regelmaat en stevige begeleiding in het onderwijs. Ook hier geldt weer: geen eenvormige oplossingen. Afhankelijk van leeftijd en schooltype moet een kritische evaluatie van de huidige pedagogiek en didactiek worden gemaakt.”

”Het verlagen van onze verwachtingen voor kinderen op basis van hun afkomst is funest voor hun kansen. Daarnaast moeten we zorgen dat de effectiviteit van het ingezette extra onderwijsgeld fors omhoog gaat.”

Verder noem ik enkele punten die me aanspreken in de PvdA-plannen voor onderwijs:

  • Geen marktwerking en daarbij passende concurrentie, maar een verstandige afweging per regio over de vraag wat een gewenst opleidingenaanbod is.
  • Herwaardering van het (middelbaar) beroepsonderwijs, de sector die zorgt voor de opleiding van 60% van de Nederlandse bevolking en daarmee voor de kurk waarop de economie drijft.
  • Een pleidooi voor een verstandige maatvoering als het gaat om schaalgrootte op het niveau van klas, school(locatie) en bestuur. Hierover worden enkele voorzichtige uitspraken gedaan, maar het gaat er vooral om dat we met elkaar die discussie gaan voeren.

 Tenslotte sta ik stil bij twee onderwerpen die, bijvoorbeeld via Twitter, steeds weer boven komen drijven in de discussies over onderwijs(politiek):

  • De positie van docenten
  • De omvang van instellingen

Bij beide zaken lopen we het risico om te simplificeren. Dat eindigt bij volledige autonomie van docenten in kleine scholen. Alsof docenten en kleine scholen persé goed zijn.

 Wat mij betreft zijn de docenten de professionals in een school waar de kwaliteit van de school voor het grootste deel door bepaald wordt. Ook uit onderzoek komt dat steeds weer naar voren: op een goede school lopen goede docenten rond.

Binnen het MBO werken we sinds enige tijd met een professioneel statuut waarin beschreven staat op welke manier docenten in de gelegenheid gesteld worden die professionaliteit in te zetten in het vormgeven van goed onderwijs. Daarin staat ook dat zij daarbij, als team, de nodige autonomie hebben. Wat mij betreft een voorbeeld dat navolging verdient.

Uiteraard plaats ik daar een paar kanttekeningen bij:

  • Het is niet zo dat binnen de scholen leiding en docenten zo sterk tegenover elkaar staan als sommigen beweren. Het lijkt soms alsof binnen die scholen de klassenstrijd weer opnieuw vorm krijgt. Volgens mij gaat het juist om het zoeken van goede vormen van samenwerking waarbij allen binnen de school betrokken zijn op basis van eigen positie en kwaliteiten.
  • Bij professionele ruimte en autonomie hoort ook professionele verantwoording. Dat kan bijvoorbeeld uitgewerkt worden door de instelling van een lerarenregister waarin docenten aantonen dat zij (blijven) voldoen aan de eisen die gesteld worden aan die professionaliteit.
  • Het uitwerken van een professioneel statuut moet wat mij betreft gebeuren op basis van vertrouwen over en weer. Als dat vertrouwen ontbreekt zal het leiden tot allerlei regeltjes en bureaucratie die slechts de indruk wekken dat iedereen voldoet aan verplichtingen.

 Er is al lange tijd veel te doen over de omvang van onderwijsinstellingen. Ik gaf al eerder aan dat het een goede zaak is om die discussie met elkaar te voeren. Kern is daarbij volgens mij dat leerlingen/studenten en docenten zich thuis moeten voelen binnen hun school. Kennen en gekend worden zijn daarbij essentiële zaken. Ik blijf van mening dat dat prima binnen een wat grotere constellatie gerealiseerd kan worden.

Als ik naar mijn eigen (middelgrote) school kijk, zie ik nog enkele voordelen in het hebben van enige omvang als organisatie:

  • Het brede aanbod van opleidingen maakt het mogelijk om soepel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Zo zie je in het MBO een toenemende aandacht voor zaken als:
    • ICT-toepassingen in de zorg
    • Procestechniek in de voedingstechniek

Doordat de ene opleiding deskundigheid kan halen bij een andere opleiding is dit relatief snel om te zetten in modern beroepsonderwijs dat aansluit bij ontwikkelingen in het werkveld.

  • Het lukt ons om op het gebied van (extra) zorg en begeleiding de nodige voorzieningen in te richten en overeind te houden, juist ook doordat we wat groter zijn. Dat biedt ruimte om mensen in staat te stellen zich daarop te specialiseren of om afspraken te maken met instanties die hierop meerwaarde bieden.

Op een aantal onderwerpen is er soms sprake van enige spanning tussen mijn denken en de lijn van de PvdA. En dat hoort ook zo, want de waarheid heeft niemand in pacht. Gelukkig vind ik binnen de partij voldoende plek om over deze zaken van gedachten te wisselen. Dat hoort ook bij mijn keuze: dialoog en (soms) debat!

Samenwerken is meer … gedeelde visie (1)

Samenwerken is mensenwerk. Bij een van onze samenwerkingspartners spreken we niet meer over studenten, cursisten, leerlingen of zo, maar over medewerkers in opleiding. Dat zegt iets over je visie op de positie van deze mensen in het bedrijf. Het zegt overigens ook iets over je visie op opleiden, maar daarover een andere keer.
Omdat het bij de samenwerking tussen school en bedrijf altijd gaat over opleiden van mensen, moet je op een aantal wezenlijke elementen een gedeelde visie hebben. Hoe je mensen opleidt/op wilt leiden wordt voor een belangrijk deel bepaald door de visie die je hebt op die mensen zelf. In schooltermen: is de leerling iemand die probeert met zo min mogelijk inspanning een diploma te halen of is het iemand die echt beter wil worden in een vak of op een gebied dat hem aanspreekt.
Uitgaan van het eerste is volgens mij het bankroet van het onderwijs. Als het waar is dat de leerling het “slechts” doet voor “het papiertje” dan is het niet meer nodig om bevlogen docenten te hebben en doordachte aanpakken. Nee, dan moeten we hem wegwijs maken op internet en introduceren in de trucs die nodig zijn om op het juiste moment te scoren. Dat is wat we al enigszins zien bij de manier waarop basisschoolleerlingen voorbereid worden op de CITO-toest. Het gaat dan alleen nog maar om een goed resultaat, niet om een resultaat waar je wat aan hebt.

Wat mij betreft baseren we onderwijs op het uitgangspunt dat de jongeren die we in de scholen hebben willen groeien, als vakman en/of als mens. Als je dat écht denkt, dan kan het niet zo zijn dat dat stopt op het moment dat deze jongeren de school verlaten en als medewerker in dienst treden bij een werkgever.
Het gaat dus nooit om je visie op leerlingen, maar om je visie op mensen. Daarover hieronder een aantal gedachten. Deze zijn voor een belangrijk deel ontleend aan de uitgangspunten die bij ons op school gehanteerd worden in de zogenaamde Sprint2-methodiek. Oorspronkelijk ontwikkeld voor effectief NT2-onderwijs, maar inmiddels ook uitgewerkt voor andere onderwerpen, blijkt dit een aanpak te zijn die zeer motiverend werkt voor studenten én docenten. Wat mij betreft met de kanttekening dat het een aanpak is die gebaseerd is op een aantal belangrijke uitgangspunten. Wie die niet onderschrijft, loopt het risico dat de methodiek een kunstje wordt. Zoals eerder gesteld: ik pleit voor kunst niet voor kunstjes!
Voor meer informatie over Sprint2 verwijs ik naar het weblog van de geestelijk vader: http://www.jandeutekom.nl

Terug naar de visie op mensen, het mensbeeld dat wat mij betreft ten grondslag ligt aan samenwerking tussen school en bedrijf. Of het nou gaat om initieel opleiden, om na- en bijscholing, of om ontwikkeling van medewerkers op welke andere manier dan ook, het gaat er hier om dat mensen groeien. Ze worden beter in wat ze doen of ze leren om ook andere dingen te doen.
Om dat te faciliteren ga ik uit van een aantal zaken:

  1. mensen groeien als ze verantwoordelijkheid (moeten) dragen
  2. mensen groeien niet als je ze laat doen wat ze (al lang) kunnen
  3. groeien doe je samen
  4. mensen groeien als er hoge verwachtingen van hen bestaan
  5. mensen ontwikkelen zich als er een bepaalde noodzaak bestaat
  6. in navolging van Daniel Pink denk ik dat mensen gemotiveerd worden door:
  • voldoende autonomie (zoals eerder gezegd: geef hen verantwoordelijkheid; laat hen zelf mee bepalen hoe ze een taak aanpakken)
  • een helder doel (zie ook het belang van noodzaak: je moet weten waarom je iets doet)
  • het verlangen om beter te worden in wat ze doen (maar dat verlangen vraagt ook dat we dat van hen blijven verwachten)

Meer hierover in de prachtige animatie van RSAnimate: http://www.youtube.com/watch?v=u6XAPnuFjJc

Een kwestie van kiezen

We hebben in Nederland een groeiend probleem: een tekort aan technisch opgeleide mensen!  Dit tekort groeit extra snel omdat steeds minder jongeren kiezen voor een technische opleiding. Met name in dunbevolkte delen van het land lijkt dit probleem al in alle hevigheid los te barsten.Zo hoorde ik eergisteren een ondernemer vertellen dat hij naast zijn hoofdkantoor in Friesland, inmiddels twee andere vestigingen geopend had, enkel en alleen om dichter bij de doelgroep te zitten van mensen die hij nodig heeft om zijn (groei-)ambities waar te maken.

In deze tijd van verkiezingen kijk ik natuurlijk extra nieuwsgierig naar de oplossingen die politieke partijen voor dergelijke problemen denken te bieden. Voor wat betreft bovenstaand probleem ben ik dan niet optimistisch. Ik schets twee van de geboden oplossingen:

  1. De Partij van de Arbeid stelt voor om het collegegeld voor technische studies af te schaffen. De inkomstenderving die daardoor voor de staat ontstaat zou in samenspraak met het bedrijfsleven aangepakt moeten worden.
  2. De VVD ziet de oplossing in betere voorlichting. Iedere studie zou aan aspirant-studenten informatie moeten bieden omtrent de kansen die de desbetreffende studie biedt op een baan en de verwachtingen die je mag hebben ten aanzien van salaris/arbeidsvoorwaarden.

Van mij mag het collegegeld afgeschaft worden voor alle studies. En eerlijke voorlichting, inclusief de onderwerpen die de VVD aankaart, lijkt me eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Tot zover niets aan de hand. Maar … los je hiermee het geschetste probleem op? Dat is immers de pretentie waarmee beide partijen deze maatregelen voorstellen. Ik vrees het ergste.

Deze voorstellen, hoe verschillend ook, gaan uit van een bepaalde visie op het keuzeproces van jongeren. Dat is blijkbaar een behoorlijk rationeel afwegen van voor- en nadelen, op korte en op langere termijn. Dat nu, is volgens mij een misvatting. En daarin sta ik niet alleen. 

In opdracht van de Taskforce Jeugdwerkloosheid verscheen in oktober 2004 een quick scan onder de titel: “Jongeren op weg naar opleiding en werk”. (zie voor volledig rapport: http://docs.szw.nl/pdf/129/2004/129_2004_3_6553.pdf) Daarin wordt ingegaan op de vraag hoe jongeren een vervolgopleiding en een beroep kiezen. Een citaat:

Äls je weet dat een bepaalde opleiding geen goede toekomstperspectieven biedt, dan zal ik die opleiding niet willen kiezen.

Tenzij het een hobby is of ik het echt heel graag wil. Dan wel” 


Het laatste deel heb ik expres dikgedrukt, omdat het volgens mij van doorslaggevend belang is. Het geeft aan dat er hele andere zaken meespelen.

In hetzelfde rapport staat vermeld wie de keuzes van jongeren het meeste beïnvloeden. De top vier:

  1. niemand (45%)
  2. ouders (44%)
  3. vrienden (18%)
  4. familie (17%)

Voor school is hier dus slechts een zeer bescheiden rol weggelegd. En wat zijn dan de belangrijkste motieven voor een opleidingskeuze:

  • De opleiding zelf lijkt leuk (49%)
  • Het werk, dat ze kunnen gaan doen, lijkt aantrekkelijk (37%)
  • Mensen om hen heen adviseren het (35%)

Nog een citaat, speciaal voor vrienden van de VVD: “Maar 15% kiest de opleiding vanwege het geld dat ze kunnen gaan verdienen.”

Een oplossing van het dreigend tekort aan technici is volgens mij niet eenvoudig te vinden. De genoemde maatregelen zullen het volgens mij in elk geval niet brengen. Om iets meer zicht te krijgen op een oplossingsrichting ga ik te rade bij het zogenaamde Bètamentality model (zie www.betamentality.nl).

De kracht van dit model zit hem in het feit dat het gebaseerd is op behoorlijk grootschalig onderzoek onder de doelgroep. Bovendien wordt op basis van dat onderzoek verschillende benaderingen gekozen worden voor vier verschillende doelgroepen:

Ik schets in het kort de vier doelgroepen en zeg iets over een mogelijk succesvolle benadering:

Concrete Bètatechnici, (31%):

  • houdt van techniek, 
  • is praktisch en nieuwsgierig (“hoe werkt dat?”)
  • wil iets in de techniek, maar weet nog niet goed wat
  • kiest graag een opleiding die brede oriëntatie mogelijk maakt
  • verwacht wel een goede baan en dito inkomen, maar dat is niet van invloed op hun keuze

Carrière Bèta’s (28%):

  • geniet van technische innovatie
  • meer affiniteit met theorie dan met praktijk
  • geïnteresseerd in status en carrière (hechten dan ook belang aan te verwachten salaris)
  • negatief imago van techniek verhindert keuze voor techniek
  • kiezen eerder voor iets economisch

Mensgerichte generalisten (28%):

  • geen specifieke interesse voor techniek
  • houden van leren en studeren (en kunnen dat ook vrij goed)
  • kiezen voor een baan die ze leuk vinden, waarmee ze nuttig zijn voor maatschappij
  • kiezen niet met oog op status of beroepsperspectief
  • komen moeilijk tot een keuze voor een opleiding/beroep

Non Bèta’s (13%):

  • hebben (bijna) aversie tegen techniek, “niet leuk, saai, ouderwets”
  • oriënteren zich uitgebreid op vervolgopleiding, maar zoek daarbij in hele andere hoeken dan techniek

Met deze gedachten in het achterhoofd, zouden politieke partijen terughoudend moeten zijn met het bieden van ogenschijnlijk eenvoudige oplossingen voor dit complexe probleem.

Beroepsonderwijs is van de regio!

De afgelopen dagen had ik in allerlei samenstellingen de nodige gesprekken over hoe het verder moet met het beroepsonderwijs.In dit blog ga ik niet in op alle  gesignaleerde problemen. Wel probeer ik een perspectief te schetsen waar we volgens mij naar toe zouden kunnen/moeten werken om beroepsonderwijs te moderniseren en te verduurzamen.

Dat perspectief heeft als uitgangspunt dat een perspectief voor beroepsonderwijs alleen zinvol is als het alle sectoren van beroepsonderwijs erbij betrekt en aan elkaar verbindt: VMBO, MBO, HBO.

Dat perspectief wordt sterk gekleurd door kenmerken van de regio waarin ik werkzaam ben: Friesland, relatief dun bevolkt, veel kleine kernen, behoorlijk verspreide voorzieningen voor VMBO, redelijk geconcentreerde voorzieningen voor MBO en HBO.

Het beroepsonderwijs moet “twee meesters dienen”:

  1. jongeren die een schoolloopbaan in het beroepsonderwijs kiezen
  2. bedrijven en instellingen die hun werknemers uit dat beroepsonderwijs zien komen

Zolang we denken dat we tussen deze twee moeten kiezen komt het niet goed. We krijgen dan onvoldoende oog voor een van beide zaken:

  • voor de keuzes, motivering, levens van de desbetreffende jongeren

Een eenduidige keuze voor de instroomwens van bedrijven, betekent dat we onvoldoende aandacht schenken aan keuzegedrag en motieven van jongeren. Jongeren in een richting dwingen die ze niet zien zitten leidt tot demotivatie, gedragsproblemen, leerproblemen, schooluitval. Het hoeft geen betoog dat de effecten hiervan op de jongeren zelf, maar ook op de omgeving van die jongeren zeer ongewenst zijn.

  • voor de noodzaak in de bedrijven, maar ook in de regio daaromheen om een adequate instroom van werknemers te realiseren

Alleen maar kijken naar “wat willen jongeren” is eveneens te simpel. Het is ook de taak van het onderwijs om jongeren duidelijk te maken dat ze opgroeien in een omgeving waarin van alles gebeurt. Keuzes maken zonder oog voor die omgeving kan voor de korte termijn erg prettig zijn, maar langzaam maar zeker komt het er ook op aan die keuzes te verbinden met die omgeving.

Modern en duurzaam beroepsonderwijs verbindt dus deze twee invalshoeken:

  1. Het biedt leertrajecten die passen bij de verschillende doelgroepen in het onderwijs. Niet alleen met het oog op het niveau, maar juist ook met het oog op de vraag hoe ver jongeren zijn in hun oriëntatie- en keuzeproces. Wie weet wat hij wil, moet de kans krijgen daarin te groeien. Wie dat niet weet, moet de kans krijgen het te ontdekken. En wie van keuze verandert moet de kans krijgen om zonder al te veel verlies van energie en tijd over te stappen.
  2. Het biedt leertrajecten die passen bij ontwikkelingen in de omgeving. Die ontwikkelingen zijn moeilijk te voorspellen, maar het is goed om in de driehoek onderwijs-ondernemers-overheid speerpunten vast te stellen die herkenbaar terugkomen in zowel de economische ontwikkeling van de regio als de inhoudelijke programmering van het beroepsonderwijs.

De uitdaging is om vanuit bovenstaande invalshoeken met álle betrokken partijen te komen tot een wenkend perspectief voor het beroepsonderwijs én het bedrijfsleven, dat we met elkaar kunnen realiseren en waar we ons met elkaar ook hard voor maken.

Entreeopleiding doet deuren niet alleen open, maar ook dicht

Entreeopleidingen in het MBO, over het kind en het badwater

In Focus op Vakmanschap, het actieplan waarmee de minister kwaliteit in het MBO een impuls wil geven, wordt de inrichting aangekondigd van zogenaamde entreeopleidingen. Deze opleidingen vervangen de huidige niveau 1 en AKA-opleidingen.
Ondanks een aantal goede bedoelingen zal de introductie van de entreeopleidingen desastreuze gevolgen hebben voor bepaalde groepen jongeren. Hieronder schets ik een aantal van die negatieve aspecten.

Een en ander is gekoppeld aan het beëindigen van de drempelloze instroom in niveau 2 en de beëindiging van de beperkte verblijfsduur in het VMBO.
De entreeopleidingen zijn uitsluitend bedoeld voor degenen die zonder diploma aankloppen bij het MBO. De vraag is natuurlijk wie dat zullen zijn. Ondanks onbeperkt verblijf in het VMBO komen zij daar toch zonder diploma vanaf!

Welke problemen komen we tegen in de (beoogde) regelgeving:

De entreeopleidingen zijn niet voor jongeren met multiproblematiek. Daarvoor zijn de plusvoorzieningen bedoeld! In hoeverre is dit een reëel alternatief? Eind 2011 is een onderzoek naar de plusvoorzieningen verschenen. Dat maakt wat mij betreft een paar dingen duidelijk:
– Het is nog te vroeg om deze voorziening een structurele positie in het onderwijs- en begeleidingsaanbod te geven. Het onderzoek baseert zich nog grotendeels op papieren planenn en niet op effecten in de praktijk. Voor dat laatste is het gewoon te vroeg.
– Er zijn nog zeer uiteenlopende vormen van plusvoorzieningen te vinden. Welke blijken straks effectief te zijn?
– De huidige plusvoorzieningen zijn vooral een aanvulling op regulier aanbod. In de aanpak van de minister lijkt het een volwaardige en zelfstandige voorziening te zijn. Dat is net het geval.

De entreeopleiding als schakel tussen VMBO en MBO-2 lijkt een aantrekkelijke optie. Voor een aantal groepen biedt het huidige voorstel echter geen perspectief:
– De verblijfsduur is beperkt tot twee jaar, waarvan het tweede jaar slechts voor 50% bekostigd wordt.
– Wat gebeurt er met een jongere die, om wat voor reden dan ook, meer tijd nodig heeft?
– Hoe kan van scholen verwacht worden dat voor een groep die juist zeer intensieve begeleiding vraagt, onderwijs verzorgd wordt tegen 50% van de bekostiging?
– Na twee jaar worden ze van de entreeopleiding uitgeschreven. Dan is er geen vorm van onderwijs meer voor deze groep beschikbaar!
– Uitvallers uit het reguliere MBO (niveau 2,3,4) zijn niet toelaatbaar tot entreeopleidingen. Zij hebben immers een diploma. Maar de deskundigheid die zij nodig hebben bevindt zich vaak op gebied van begeleiding. Deze is bij entreeopleidingen (lees: huidige niveau 1) aanwezig.
-Na vier maanden ontvangen deelnemers aan entreeopleiding een bindend studieadvies. Het effect van een negatief studieadvies hangt af van de leeftijd.
– 18-min: overstappen naar andere entreeopleiding! Dit betekent dus iedere vier maanden overstappen? Hoeveel entreeopleidingen zijn er in een regio? Wat zou overstappen op moeten leveren? Dit betekent rondpompen tot de 18e verjaardag!
– 18-plus: van school verwijderd. Dat betekent ongeschoold en ongekwalificeerd werk zoeken. Deze groep zal op stoep staan van gemeente. Wat zij besparen aan kosten voor OCW zullen ze in veelvoud en langdurig gaan kosten aan SZW.

Uiteindelijk zullen de uitvallers uit entreeopleidingen het onderwijs verlaten. Daarmee zijn ze niet langer de zorg van de school. In plaats daarvan kloppen zij aan bij de gemeenten die druk bezig zijn om te kijken hoe ze de lopende bezuinigingen op kunnen vangen met de huidige doelgroepen. Op deze manier komt daar dus eenvoudigweg een doelgroep bij, zonder dat dat budgettair op een of andere manier gecompenseerd wordt.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën