Posts Tagged 'onderwijs'



Vaardigheden 2020

In de publieke discussie over onderwijs lijkt de restauratie steeds harder toe te slaan. We moeten koste wat kost het ouderwetse degelijke onderwijs herstellen. Dus weer ouderwets taal en rekenen; ouderwetse klassikale instructie; ouderwetse scholen met ouderwetse namen.

Eerlijk is eerlijk, deze hang naar ouderwetse vormen is deels veroorzaakt door het falen van vernieuwing. We ontkomen niet aan de conclusie dat goedbedoelde veranderingen in de afgelopen periode vaak niet beklijfden, vaak onvolledig uitgevoerd werden, vaak niet goed georganiseerd werden, etcetera.

Dat neemt niet weg dat onderwijs rekening moet (blijven) houden met wat de toekomst vraagt aan vaardigheden. Het lijkt alsof we, uit frustratie door de mislukkingen, nu onze ogen sluiten voor dat vraagstuk. Extra lastig wordt het omdat we ook moeten erkennen dat de toekomst steeds moeilijker te voorspellen lijkt. 

Dat neemt niet weg dat wat mij betreft de ambitie moet blijven bestaan om ons onderwijs in te richten met het oog op de toekomst. Onderstaand artikel kan daarbij helpen. Het geeft een interessant beeld van wat de jongeren van nu nodig hebben als zij straks de stap maken van onderwijs naar werk.

 Afbeelding

Welke vaardigheden hebben we nodig om ook in 2020 ons werk goed te kunnen doen? Het Institute for the Future (IFTF) van de University of Phoenix deed onderzoek naar die vraag en baseerde zich daartoe op zes ontwikkelingen die de toekomst mede gaan bepalen.

  1. We worden steeds ouder en zullen langer werken. Om het werk interessant te houden zullen we ons moeten blijven ontwikkelen, zodat we in ons werk steeds nieuwe uitdagingen kunnen vinden.
  2. Computers worden steeds intelligenter en kunnen steeds meer taken van ons overnemen. Als mensen zullen we ons moeten focussen op de dingen waar we voorlopig beter in blijven dan computers.
  3. Computertechnologie wordt steeds meer ingebouwd in alles om ons heen. Onze omgeving wordt daarmee programmeerbaar. Dat geldt ook voor de omgeving van ons werk en de omgevingen die we met ons werk creëren.
  4. Technologie biedt ons nieuwe mogelijkheden om te communiceren. Tekst heeft onze cultuur en communicatie lange tijd gedomineerd. Beeld en geluid zullen een prominentere plek veroveren.
  5. Traditionele organisatievormen maken plaats voor samenwerken via nieuwe technologieën. We zien dat al in begrippen als ‘co-creatie’ en ‘crowd sourcing’.
  6. In steeds meer sectoren en activiteiten wordt de wereld het werkterrein. Diversiteit en snelle veranderingen bepalend het speelveld.  

Vanuit bovenstaande ontwikkelingen formuleert het IFTF de volgende tien vaardigheden die belangrijk worden voor de professional in 2020:

  1. Kritisch kunnen denken en zinvolle betekenis kunnen geven aan grote hoeveelheden informatie.
  2. Sociale intelligentie: betekenisvolle verbindingen maken met anderen.
  3. Innovatief kunnen denken, aansluitend bij wat een specifieke situatie vraagt (adaptiviteit).
  4. Gevoel voor cultuur en cultuurverschillen en hierop kunnen inspelen.
  5. Kunnen bedenken hoe je computertechnologie in kunt zetten om je te ondersteunen bij het interpreteren van grote hoeveelheden data.
  6. Nieuwe media in kunnen zetten voor je communicatie en inhoud die via nieuwe media tot je komt kunnen begrijpen en waarderen.
  7. Multidisciplinair kunnen denken en (samen)werken.
  8. Kunnen denken als een ontwerper om de dingen om je heen meer naar je hand te zetten, gebruikmakend van alle mogelijkheden die technologie daarvoor biedt.
  9. Metacognitie, met name in het licht van om kunnen gaan met de grote hoeveelheden informatie en ‘prikkels’ die op ons afkomen.
  10. Tijd- en plaatsonafhankelijk kunnen samenwerken in virtuele settings.
Het volledige rapport is beschikbaar als pdf via deze link.
 

Ambitie? Moet je doen!

De afdeling communicatie van onze school heeft het woord “uitdaging” omhelsd als de kern van de boodschap die we uit willen stralen. Zo richting jaarwisseling brengt dat al snel de vraag met zich mee wat mijn uitdaging komend jaar is.
Hoe makkelijk is het om dan te denken aan alle lastige zaken die we het hoofd moeten bieden. Bezuinigingen en bureaucratie strijden om voorrang. Maar ze krijgen het niet. Dé uitdaging is namelijk om, terwijl die 2 B’s natuurlijk alom aanwezig zijn, te blijven werken aan je ambitie.
Werken aan ambitie vraagt om ruimte:
– Ruimte voor samenwerking
– Ruimte voor innovatie
– Ruimte voor passie

SAMENWERKING
– tussen deelnemers
– tussen docenten
– tussen opleidingen
– tussen scholen
– tussen school en omgeving
Ik ben er van overtuigd dat samenwerking leidt tot betere resultaten. Van onze deelnemers wordt steeds weer gevraagd dat ze kunnen samenwerken. Zo zit de wereld van werk tegnewoordig in elkaar.
Samenwerking is ook noodzakelijk omdat het tijdperk van verregaande taakdifferentiatie en individualisering van werk op zijn retour is. Dat paste in een tijd van industrialisatie. Maar meer en meer zien we dat, ook in de “harde, industriële sector”, dienstverlening een centrale plaats inneemt in de uitvoering van werkzaamheden.
Die dienstverlening mag uiteraard niet ten koste gaan van vakmanschap, maar dat laatste wordt meer en meer een commodity. We zijn niet tevreden omdat de kraan niet meer lekt als de loodgieter weggaat. Dat is een vanzelfsprekendheid. Uiteraard zijn we wel ontevreden als die kraan nog steeds blijkt te lekken!
Die veranderingen in de buitenwereld moeten zich weerspiegelen in de manier waarop we op school aan het werk zijn. Ook wij moeten toe naar een meer hybride werkwijze waarbij strakke grenzen vervagen:
– minder afbakening tussen verschillende opleidingen
– meer crossovers, meer kruisbestuiving
– meer ruimte voor samen ontwikkelen en voor leren van, met en aan elkaar

INNOVATIE
– inzet van deskundigen uit het werkveld
– inzet van nieuwe (digitale) middelen
– inspelen op wensen en mogelijkheden van deelnemers
Geen innovatie om de innovatie, maar omdat het beter kan én moet. Vernieuwing in het onderwijs loopt, deels noodgedwongen, altijd achter op vernieuwing in de wereld eromheen. Juist beroepsonderwijs zou meer om zich heen moeten kijken. Wat verandert in de wereld van werk door de toenemende digitalisering? Welke invloed hebben social media? Hoe kunnen we dat terug laten komen in ons onderwijs? Waarom zouden we het allemaal zelf willen doen als het voor mensen uit het bedrijfsleven al dagelijkse praktijk is?

PASSIE
– werken omdat je wilt i.p.v. omdat je moet
– werken vanuit je hart i.p.v. op basis van protocollen
We regelen alles kapot. Voor alles stellen we een overeenkomst op, inclusief de regels die gelden als we ons niet aan een afspraak houden. Deze juridificering haalt het leven uit ons onderwijs. Laten we minder kijken naar arbeidsovereenkomst en COA. Laten we kijken naar wat nodig is. Als jongeren kiezen voor een opleiding zijn ze daarvoor gemotiveerd. Ze leven een droom na. De belangrijkste taak voor het onderwijs is toch om die droom levend te houden? We moeten jongeren begeleiden bij het realiseren van die droom. Dat kan alleen gebeuren door mensen die zelf ook bezig zijn met de realisatie van een droom.

De P van papier(en wantrouwen)

Onlangs woonde ik een masterclass bij van Toon Gerbrands, de huidige algemeen directeur van AZ en voormalig volleybalcoach. Hij vatte zijn visie samen in drie woorden: visie, actie en passie. Hij wist het goed neer te zetten, bracht het met overtuigingskracht en met humor. Daarmee maak je natuurlijk indruk op je publiek, ook op mij.
Al luisterend bedacht ik steeds weer: “zo zit het ook bij ons op school”. Deze drie woorden kun je prima op een school toepassen, zeker op een school die bezig is om de kwaliiteit van het onderwijs te verbeteren:
VISIE: weten wat voor school je wilt zijn; weten welke uitgangspunten sturend zijn voor je onderwijs; weten hoe je naar leerlingen/studenten kijkt. Kortom, weten wat je voor elkaar wilt krijgen.
ACTIE: docenten en andere medewerkers moeten dingen doen om die visie te realiseren; als we ons onderwijs willen verbeteren is er beweging nodig; niet lullen, maar poetsen, om het zo maar even te zeggen.
PASSIE: beter onderwijs vraagt inspanning; met een “negen tot vijf mentaliteit” gaan we het niet redden; dat stapje extra zet je alleen maar als het bieden van goed onderwijs een diepgewortelde drijfveer is.

Ik loop daar al even mee rond. Met die drie woorden, waarvan ik denk dat ze ons kunnen helpen om te doen waar we voor zijn: goed, zeg maar gerust nog beter, onderwijs bieden. En, zoals altijd, in zo’n masterclass klinkt het allemaal simpel. En zoals altijd, kom je er dan later achter dat het zo makkelijk nu ook weer niet is.
Ik onthou in zo’n situatie de woorden vaak aan de hand van de beginletters. In dit geval dus V, A en P. Al piekerend merkte ik dat twee van die drie letters een ander woord bij me opriepen: de P van Papier en de V van Vertrouwen. Van het een hebben we teveel en van het ander te weinig. Maar eens even bij stil staan.

Vraag een docent waar hij last van heeft en hij noemt al snel het papierwerk waartoe hij zichzelf veroordeeld acht. Al dat papier verstikt de passie. Geen mens kiest voor het leraarsberoep omdat hij zin heeft om formulieren in te vullen. Dat geldt overigens ook voor de politieagent, de arts, etcetera. Het bijhouden van dossiers en dergelijke vraagt steeds meer tijd. Vaak overigens, zonder dat we ons afvragen wat het oplevert.
En die P van papier heeft alles te maken met die V van vertrouwen, althans het gebrek daaraan. Het grootste deel van het papierwerk komt voort uit het wantrouwen dat het onderwijs (en …) doordrenkt. Van hoog tot laag en omgekeerd, wantrouwen viert hoogtij. Wantrouwen leidt steeds meer tot een verantwoordingsdruk, die zich vertaalt in bergen papierwerk.

Een oplossing kun je zoeken in het “uitbesteden” van papierwerk aan administratieve ondersteuners. Helaas, voor je het weet krijg je als bestuurder te horen dat je te veel geld besteedt aan de overhead. Dus wordt het paard (weer) achter de wagen gespannen, verliezen medewerkers hun baan en worden docenten gedwongen om weer achter de PC plaats te nemen om te doen waarvoor ze NIET in de wieg gelegd zijn: formulieren invullen

Onderwijsbestuurder, een vak én een roeping

Als er een boek uitkomt met de titel “Leiden met liefde, op zoek naar de nieuwe onderwijsbestuurder” dan ervaar ik dat als verplichte kost. Wat wil je liever dan een boek dat zich bezig lijkt te houden met de vragen die voor jezelf min of meer tot de terugkerende thema’s van de dag horen. Extra aantrekkelijk wordt het als ik dit boek veel collega-bestuurders aan het woord komen en je dus het plaatje bij het praatje in je hoofd hebt tijdens het lezen.

Chris Tils schreef dit boek en ik las het zojuist uit. Met veel plezier! Ik vraag er dan ook graag aandacht voor via mijn weblog. Niet om mezelf als recensent te profileren. Wel omdat het boek een aantal zaken op een rij zet die ik graag vast wil houden. En dat is voor mij persoonlijk een van  de doelen van dit weblog. En daar hoort dan bij dat ik kort reflecteer op wat het boek bij mij in beweging zet. Dat doe ik nu simpelweg door datgene wat ik het meest herken of wat he meest raakt vetgedrukt weer te geven.

Het boek kent een zeer gestructureerde opzet, verdeeld in vier hoofdstukken. De teksten worden gelardeerd met veel citaten uit interviews die Chris hield en onderbroken door wat langere teksten uit die interviews. Onwillekeurig kijk je naar de lijst met geïnterviewden. En vraag je je af waarom juist deze mensen erin staan. Het is een zeer gevarieerde lijst. Ik kan er geen andere overeenkomst in vinden dan dat het onderwijsbestuurders betreft.

Een korte beschrijving per hoofdstuk:

H1.Wat zijn belangrijke elementen van de context waarin onderwijsbestuurders opereren?

  • Professionele onderwijsbestuurders kwamen op in een tijd waarin, met name op initiatief van de politiek, gestreefd werd naar grootschaligheid, autonomie en bedrijfsmatigheid.
  • Momenteel hebben onderwijsbestuurders te maken met drie ontwikkelingen: een scherp publieke debat, veranderingen in het profiel van de (gewenste) bestuurder, verschuivingen in politieke opvattingen over de taak/opdracht van de bestuurder.

H2. Welke rollen van onderwijsbestuurders kun je onderscheiden?

Dit is misschien wel het meest theoretische deel van het boek. Tils beschrijft tien rollen van bestuurders die hij verdeeld heeft over drie  categorieën. Wie alles wil weten leest het boek. Ik volsta hier met het noemen van de rollen. Daarnaast geeft Chris Tils per rol een of enkele aanbevelingen. Die vormen gelijk een aardige conclusie per rol en deze neem ik dan ook graag op.

Categorie 1: Symbolische rollen

  • Verantwoordelijkheidsdrager:
  • Draag de eindverantwoordelijkheid voluit en ontken of ontloop hem nooit.
  • Boegbeeld
  • Zeg nooit zelf dat je het Boegbeeld bent.
  • Werk actief aan de rol van Boegbeeld.
  • Symboolmanager
  • Zorg voor heldere eigen of sectorale regels, en leef ze na.
  • Verbind de keuzen betreffende de symbolen aan de waarden van de instelling.

Categorie 2: Richtinggevende rollen

  • Onderwijskundig leider
  • Maak onderwijskundig leiderschap tot topprioriteit. Laat daarbij persoonlijke betrokkenheid zien.
  • Maar een richtinggevende onderwijsvisie om het gesprek over goed onderwijs vorm te geven. Vermijd een voorschrijvende onderwijsvisie.
  • Strategisch leider
  • Kies een ambitieniveau dat passend is voor de ontwikkelingsfase van de instelling. Zet het onderwijs daarbij altijd op de eerste plaats.
  • Ontwikkel een strategisch plan samen met docenten, andere medewerkers en hun leidinggevenden. Ga niet achteraf draagvlak creëren voor een strategie die de bestuurder zelf heeft bedacht.
  • Change Agent
  • Maak duidelijk welke waarden ten grondslag liggen aan gewenst gedrag.
  • Zorg voor genoeg uitvoeringskracht
  • Ondernemer
  • Verlaat het idee van een onderwijsinstelling als winstgevend bedrijf.
  • Start pas ondernemende projecten buiten de sfeer van regulier onderwijs, als de onderwijskwaliteit en -ondersteuning op orde zijn. Ondernemerschap moet daarbij aantoonbaar leiden tot beter onderwijs.

Categorie 3: Technisch-uitvoerende rollen

  • Werkgever
  • Claim het probleemeigenaarschap van de professionaliteit van docneten,
  • Kijk verder dan de cao.
  • Verbinder
  • Zorg voor een goede maatschappelijke verankering van de instelling door veel verbindingswerk. Stimuleer ook anderen binnen de instelling tot verbinding met de buitenwereld.
  • Bedrijfsvoerder
  • Manage als het moet, bestuur als het kan.
  • Plaats de bedrijfsvoering altijd in dienst van het onderwijs.
  • Zorg voor een gegevensbasis en managementinformatie die buiten kijf staan.

H3. Wat zijn de belangrijkste drijfveren van onderwijsbestuurders? Van Tils beschrijft de volgende:

  • Passie voor onderwijs en talentontwikkeling
  • Geloof in maatschappelijke vooruitgang
  • Dienstbaarheid aan onderwijsprofessionals
  • Waardenvorming voor nieuwe generaties
  • Algemeen bestuurlijke drijfveren: vernieuwen en verbeteren, geld verdienen, carrière en ambitie, ondernemerschap, verantwoordelijkheid met zeggenschap, plezier in complexiteit

H4. Hoe valt de nieuwe onderwijsbestuurder te omschrijven? Op grond van zjin beeld van de context waarin onderwijsbestuurders opereren en op basis van de beschreven rollen en drijfveren presenteert van Tils zijn beeld van de moderne onderwijsbestuurder:

Uitdagingen:

  • Weg van de fusies, terug naar kleinschalig georganiseerd en beter onderwijs
  • Meer doen met minder, bij een krimpend aantal leerlingen
  • Aansluiten van de interne cultuur en werkwijze op veranderende maatschappelijke eisen

Rolinvulling/verschuiving in rollen:

  • De enorme maatschappelijke aandacht voor de symboolmanager maakt het meer dan ooit noodzakelijk dat onderwijsbestuurders een smetteloos blazoen hebben.
  • Er is behoefte aan een sterker ontwikkeld onderwijskundig leiderschap en een zwaarder accent op de rol van Change Agent.
  • In de rol van Werkgever ligt het accent steeds meer op de professionalisering van docenten.

Drijfveren: Tils identificeert de volgende drijfveren als cruciaal om in de huidige tijd als een geloofwaardige onderwijsbestuurder te werken:

  • Passie voor onderwijs en talentontwikkeling
  • Dienstbaarheid aan onderwijsprofessionals

Het boek sluit af met onderstaande “profielschets van de nieuwe onderwijsbestuurder”:

  1. Heeft liefde voor onderwijs, en vindt talentontwikkeling van jonge mensen oprecht belangrijk.
  2. Is dienstbaar aan de onderwijsprofessionals en maakt daarmee verbinding. Brengt het eigenaarschap van het onderwijs op praktische wijze terug bij docententeams.
  3. Heeft de ruggengraat om stormen te trotseren. Kan weerstand bieden aan grote politieke en maatschappelijke druk en vanuit authenticiteit toch een eigen koers bepalen.
  4. Is uitmuntend integer. Zorgt ervoor dat er rond de persoon van de bestuurder geen enkel incident ontstaat over salaris, declaraties of andere maatschappelijk gevoelige symbolen.
  5. Toont voorbeeldgedrag. Laat zien welk gedrag vanuit welke waarden belangrijk is. Laat zien dat hij zelf in staat is om te leren.
  6. Koppelt ondernemerschap aan het onderwijs van de instelling. Gaat alleen ondernemen als uitlegbaar is dat het onderwijs door het ondernemerschap beter wordt.
  7. Toont onderwijskundig leiderschap. Kan organiseren dat onderwijsteams ook gaan werken vanuit onderwijskundig leiderschap.
  8. Maakt actief de verbinding met de maatschappij. Heeft een excellent gevoel voor wat er in de maatschappij en de politiek gebeurt.

Al met al een boek dat je helpt om je eigen gedachten te ordenen. Een aantal invalshoeken komt sterk naar voren. Persoonlijk vind ik de onderdelen rondom de Symboolmanager en daarbij de betekenis van de publieke opinie erg zwaar aangezet. Modern besturen dreigt dan vooral bepaald te worden door hoe er naar de buitenkant gekeken wordt.

Chris kiest ervoor om in generieke termen over onderwijsbestuurders van alle sectoren te spreken. Ik merk bij mezelf twijfel daarover. Dat heeft met mij eigen drijfveren te maken. Juist als bestuurder in een ROC werk je op het snijvlak van onderwijs en arbeidsmarkt. Dat is voor mij een factor die het werken in deze sector extra aantrekkelijk maakt. Iedere sector zal zo zijn kenmerken hebben, maar je moet je als bestuurder wel aangetrokken voelen tot die specifieke elementen. Juist om die school zich te laten ontwikkelen.

Dat is misschien ook wel wat me het meest aanspreekt in het boek. Het afscheid nemen van de school als onderneming. Zonder ondernemerschap redden we het niet, maar dat gaat om gedrag en niet om de organisatiedoelstellingen. Wat dat laatste betreft gaat het er om dat je een school bent en blijft. En daar heb je het druk genoeg mee. De maatschappelijke opdracht die we krijgen is daarvoor belangrijk genoeg.

Geen regels, maar een goed gesprek

Na mijn vorige blogpost, ontkom ik er niet aan om ook dit keer stil te staan bij de voortgaande formalisering. Deze week kwam in het nieuws dat CNV onderwijs een protocol heeft opgesteld voor het gebruik van social media door schoolpersoneel.
Nou heb ik bij voorbaat grote twijfels bij het nut van een protocol bij het reguleren van gedrag. Maar hier worden probleem en oplossing volgens mij volstrekt verkeerd aan elkaar gekoppeld. Hoe zit dat (volgens mij)?
Social media zijn een vrij nieuw verschijnsel en langzaam maar zeker maken meer mensen er gebruik van. Logisch dat ook het gebruik in de school en onder medewerkers van scholen (fors) toeneemt.
In mijn eigen omgeving maak ik mee dat dat gebruik soms ongewenste effecten heeft. En voor wie daar onbekend mee is, lees de Volkskrant van vandaag. Vakantiefoto’s, persoonlijke ontboezemingen, het komt allemaal in de open wereld die internet heeft. En daarmee in de wereld van mensen voor wie je het wel verborgen had willen houden (vooral leerlingen worden genoemd, maar of je het allemaal bekend wilt maken aan je collega’s vraag ik me ook af).
Dus komt er een protocol.
In het protocol van CNV onderwijs lees ik onder andere de volgende regels:
– je publiceert op persoonlijke titel op social media
– je mag geen vertrouwelijke informatie verspreiden via social media
– je gaat geen discussie aan met ouders en leerlingen via social media
En tenslotte legt de school vast welke maatregelen genomen worden bij overtredingen van de regels.
Lost dit het probleem op?
Ik denk het dus niet. Uit de publicaties rondom dit thema komt naar voren dat gebruikers van social media niet altijd overzien hoe het werkt. Zij realiseren zich niet op elk moment wat het effect van een uiting kan zijn.
Dat vraagt dus vooral om meer informatie en voorlichting, niet om regelgeving en sancties.
Volgens mij moet het in scholen vooral gaan over (het gebruik van) social media. Het moet onderwerp van gesprek zijn. Mensen die er gebruik van maken moeten vertellen over hun ervaringen, hun verrassingen en hun teleurstellingen.
Social media kunnen uitgroeien tot een van de grootste vernieuwingen van dit decennium. Daarmee is gezegd dat ze de school binnen zullen komen, of we willen of niet. Het is een vernieuwing die we maar beter kunnen omarmen. Dat gebeurt niet via een protocol. Deze vernieuwing wordt omarmd (of afgewezen) zoals elke vernieuwing … tijdens het gesprek aan de koffieautomaat. Laten we dat gesprek zo open mogelijk voeren!

Oh ja, ik schrijf dit op persoonlijke titel 😉

Hoe sneller, hoe beter?

Ik maak me zorgen over een grote groep jongeren. Ik denk zelfs over de grote meerderheid van al onze jongeren. De belangrjkste reden daarvoor? Het onderwijsbeleid sluit niet aan bij de natuurlijke ontwikkeling van de jeugd.

In deze tijd van financiële krapte lijkt het alsof de titel van deze blogpost ook het motto van het ministerie is. We hebben hoge ambities als het gaat om het opleidingsniveau van de nederlandse jeugd, maar we hebben er niet heel veel geld voor over. Dus moet het allemaal zo snel (en dus goedkoop) mogelijk.

Ik geef een voorbeeld uit de sector waarin ik werkzaam ben, het MBO. Het onderwijs in het MBO is verdeeld in vier niveaus en in honderden opleidingen. Nou spelen er twee dingen:

  1. Jongeren worden geacht op hun 16e/17e uit die honderden opleidingen die ene te kiezen die bij hen past.
  2. Jongeren moeten direct instromen op het juiste niveau en op dat niveau het diploma te halen.
Waarom is dit onmogelijk en onwenselijk?
De meeste jongeren weten op die leeftijd nog niet zo nauwkeurig wat ze eigenlijk willen (worden). Voor degenenen die op een hoger niveau van het ondrwijssysteem actief zijn is dat probleem al iets minder. Zij kiezen later en vaak ook nog uit een wat bredere universitaire opleidingen, waarin de specialisatie pas later komt.
Binnen het MBO ontdekken jongeren vaak pas gedurende de rit wat ze nou eigenlijk gekozen hebben. En ook krijgen ze pas later scherp of hun keuze wel echt past bij hun ambitie, affiniteit en capaciteit.
En verder kennen we allemaal het verschijnsel van de “laatbloeiers”. Degenen die pas iets later “de geest krijgen” en daarmee de motivatie op kunnen brengen om er een schepje bovenop te gooien voor wat betreft de studie.
Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar in elk geval is duidelijk geworden dat de hersenen van jongeren zich zo ontwikkelen dat het vragen om een weldoordachte en toekomstbepalende keuze op zestienjarige leeftijd een onmogelijkheid is.
En waarom sta ik hier nu bij stil?
Het ministerie heeft aangekondigd dat er minder ruimte komt voor switchen (van opleiding) en stapelen (van niveau/diploma). Scholen krijgen in de toekomst minder bekostigd voor een deelnemer die, door een van deze oorzaken, langer over het MBO doet. Dat is overigens al lang geleden aangekondigd, maar langzaam maar zeker wordt nu duidelijk hoe dat uitpakt.
Daarmee zal het ministerie  de ruimte voor scholen om in te spelen op wat ik hierboven schets drastisch beperken.
Het ministerie lijkt de illusie te hebben dat een betere intake zal voorkomen dat jongeren ontdekken dat ze eigenlijk iets anders willen of dat ze eigenlijk best in staat zijn om dat hogere  niveau aan te kunnen.
Met de maatregelen die het ministerie hiervoor treft maakt men duidelijk jongeren en hun schoolloopbaan eigenlijk vooral als kostenpost te zien.
Wat mij betreft komt er weer ruimte voor beleid op basis van het uitgangspunt dat het hier gaat om investeringen in de toekomst.

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën