Posts Tagged 'onderwijskwaliteit'

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

Onderwijskwaliteit: over reacties en oorzaken

Het is duidelijk dat we in Nederland niet tevreden zijn over de kwaliteit van ons onderwijs. Voor het gemak ga ik me hier beperken tot het MBO, maar de vraag is of alles wat hier volgt niet voor de hele onderwijssector geldt.

Bij het gesprek over dat gebrek aan kwaliteit wordt steeds weer gewezen op dezelfde oorzaken:

  • scholen zijn te groot geworden
  • bestuurders zijn vooral uit op macht en zelfverrijking
  • docenten krijgen onvoldoende ruimte voor het uitoefenen van hun vak

Laten we dit vraagstuk eens nader bekijken.

Zo’n 70% van de effectiviteit van het onderwijs wordt bepaald door de kwaliteit van de interactie tussen docent en leerling. Als de resultaten achterblijven moeten we dus op de eerste plaats kijken naar de kwaliteit van die interactie. En als we beter onderwijs willen, dan kunnen we dus maar het beste investeren in die interactie. Lijken me logische conclusies.

De relatie tussen kwaliteit van interactie en omvang van de scholen?

Mij lijkt het vergezocht om te vermoeden dat hier een eenvoudige, eenduidige relatie te leggen valt. Wat er gebeurt tussen docent en leerling hangt toch vooral af van de kwaliteit van die docent? En op een of andere manier lukt het ons niet om aan die kwaliteit heldere eisen te stellen. Zo hebben we bijvoorbeeld weinig invloed op de manier waarop docenten hun verplichte scholingstijd invullen. Dus is het maar de vraag of deze tijd echt gebruikt wordt en of dat op een effectieve manier gebeu

De relatie tussen de kwaliteit van de interactie en de bestuurder?

Persoonlijk heb ik niet de illusie dat ik in mijn rol als bestuurder direct kan sturen op verhoging van de kwaliteit van hetgeen zich afspeelt tussen docent en leerlingen. Uiteraard kan ik wel een indirecte invloed uitoefenen in termen van werkomstandigheden in de breedste zin van het woord.

Helaas krijgt het gesprek over de rol van bestuurders vooral inhoud door incidenten, (inderdaad ook echte) misstanden en vooringenomen journalistiek. Gelukkig kom ik in mijn werk nog steeds vooral collega’s tegen die schoolbestuurder werden om een positieve rol te spelen in de kwaliteit van het onderwijs in een snel veranderende samenleving. En misschien is dat wel de positie van de bestuurder op het speelveld: het snijvlak van school en omgeving. In de gaten houden wat daar gebeurt en met de mensen in school en omgeving bedenken hoe de school daar het beste op kan reageren. Tenslotte proberen om die reactie zo goed mogelijk te faciliteren.

De relatie tussen de kwaliteit van de interactie en de professionele ruimte van de docent?

Ook hier heb ik twijfels over deze relatie. Het bieden van ruimte aan docenten is een vanzelfsprekendheid geworden die we, zo lijkt het soms, niet meer ter discussie mogen stellen. Dat gebeurt onder verwijzing naar de autonomie van professionals. Maar hoe zit dat bij advocaten, verplegend personeel, chiriurgen, accountants? Volgens mij allemaal beroepen die binnen de definitie van professional vallen. En tevens allemaal beroepen waarbij de uitvoering gebonden is aan een groot aantal uitvoeringsregels. Het bieden van ruimte is dus geen vanzelfsprekendheid en volgens mij evenmin een garantie voor kwaliteit.

Gewoon, een kwestie van hard werken

Via Twitter stuitte ik afgelopen weekend op een brief van het LAKS aan de minister van onderwijs. Je kunt hem lezen via de volgende link: http://www.laks.nl/nieuws/nieuwsbericht/laks_stuurt_tweede_kamer_brief_over_onderwijstijd/ Het gaat me er nu niet om of ik het met alles in de brief eens ben, maar het is een verstandige, afgewogen brief. De mate van nuance is er een waar velen jaloers op kunnen zijn. En één passage zette me aan tot verder denken. In die passage betreurt het LAKS het dat de opdracht om binnen scholen een brede en informele dialoog op te zetten is losgelaten.

Daarmee kom je op een verschijnsel dat momenteel steeds grotere vormen aanneemt: de formalisering van ons onderwijs (en waarschijnlijk van een groter deel van de publieke sector). Een paar voorbeelden:

Binnen het MBO is een professioneel statuut opgesteld dat docenten een stevige positie geeft als het gaat om de inhoudelijke en personele invulling van het onderwijs. Hoe graag zou ik daarover op allerlei manieren met hen in gesprek gaan. Dat doe ik overigens ook, al zou het mooi zijn als het meer gebeurde. Maar wat moeten we nu doen: we moeten een reglement werkoverleg opstellen dat duidelijk maakt via welke spelregels dat gesprek gevoerd moet worden.

Op dezelfde manier is zijn de wet op de ondernemingsraad en de wet op de deelnemersraad aanleiding tot veel procedurele gesprekken. Vaak doen we dingen omdat de wet het voorschrijft. De vraag wat we echt nodig vinden als school, het gesprek over wat goed gaat en wat beter moet, wordt maar al te vaak vertroebeld door wet- en regelgeving. We doen dan wat we moeten doen in plaats van wat we willen doen.

De normen op onderwijstijd zijn deels terecht. Scholen worden bekostigd om een prestatie te leveren en dat dient dus ook te gebeuren. Maar we zijn intussen wel erg bezig om aan het juiste getal te komen. Moet het werken aan kwaliteit niet hoger op de agenda?

De eis om bevoegde docenten onderwijs te laten verzorgen lijkt logisch. Toch is het tevens zo dat je daarmee kijkt naar het bezit van een papieren kwalificatie in plaats van het echt waarnemen van kwaliteit. Als we studenten vragen van wie ze het meest leren, komen dan ook de bevoegde docenten om de hoek kijken? Of scoren de bevlogen ondernemers en andere ervaringsdeskundigen dan hoge(re) ogen?

Tenslotte, het gesprek over organisatiestructuur, CAO en functieprofielen leidt de aandacht vaak af van de echte opdracht die we onszelf moeten stellen: hoe klaren we met elkaar de klus waarvoor we school zijn: studenten op de beste manier zoveel mogelijk leren?

Ik ben zo bang dat we het hiermee niet gaan redden. Dat deze formalisering de ziel uit ons onderwijs haalt. Dat het juist dit is waar docenten op afknappen. Dat we dat niet kunnen repareren door een fenomeen als prestatiebeloning.

Gelukkig kwam ik in hetzelfde weekend een blog tegen waarin gepleit wordt voor goed teamwork om tot optimale prestaties te komen. Daarvoor zijn geen ingewikkelde procedures, regels en sturcturen nodig. Daarvoor zijn drie elementen van belang: inhoud, proces en relatie. En daar moet je gewoon met elkaar hard aan werken. Zie verder: http://xanderjongejan.nl/2011/10/de-3-onderdelen-van-goedteamwork/

Het kán slimmer

Mijn vorige blogpost leverde nogal wat lezers en ook aardig wat reacties op. Zeer tegengestelde reacties. In elk geval lijkt me dat een aanwijzing dat het over onderwerpen ging waar velen zich druk over maken. En uiteraard zetten al die reacties mij weer aan het denken.

Daar komt bij dat het onderwerp “productiviteit in het onderwijs” deze week ook via een andere weg nogal in het nieuws was. Ferry de Haan schreef een stuk in de Volkskrant en was te horen op de radio. Ook hij ging in op de noodzaak om de productiviteit van docenten te verhogen.

Wat me opviel aan de invalshoek van de Haan waren twee dingen:

  • Hij ging in zijn bijdrage vooral in op het omlaag brengen van het aandeel van “niet-productieven” in het onderwijs.
  • Hij koppelde productiviteitsverhoging nagenoeg één op één aan vergroting van de klassen.

In mijn ogen wordt het vraagstuk daarmee te zeer versimpeld. Dus probeer ik het hier nog een keer.

Wat is er aan de hand?

Wat je er ook van vindt, het is een gegeven dat het onderwijs meer moet doen met minder geld. De gemiddelde bijdrage per leerling/student loopt terug, zeker als we daarin de inflatie meerekenen. Daar komt bij dat we het in z’n algemeenheid als samenleving de komende tijd met minder moeten doen. Dan ben je als publieke sector mijns inziens verplicht om goed te kijken of je wel zeer zorgvuldig omgaat met het geld dat je uit de schatkist krijgt.

Wat kun je dan als onderwijs doen?

Ik ontken op geen enkele manier dat mensen in het onderwijs hard werken. Het verhogen van de productiviteit kan dus niet gerealiseerd worden door maar even te zeggen dat iedereen er een schepje bovenop moet doen. Maar we kunnen denk ik winst boeken door een combinatie van het volgende:

Goed kijken of datgene wat in de overhead gebeurt noodzakelijk of wenselijk is.

  • Noodzakelijk omdat het zorgt dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving
  • Wenselijk omdat het een bijdrage levert aan kwaliteitsverbetering

De aanpak in het onderwijs, zowel het primaire proces als de ondersteuning via overhead, zo efficiënt mogelijk aanpakken

  • Welke taken van de docent kunnen ook door anderen uitgevoerd worden (denk aan administratie, surveilleren, ..)?
  • Hoe kunnen we via standaardiseren en centraliseren ondersteunende zaken sneller organiseren en uitvoeren?
  • Hoe kunnen we flexibel omgaan met de verhouding tussen docent en leerlingen/studenten, zodat je ruimte creëert om daar waar nodig intensieve aandacht te bieden.

Tenslotte sta ik even stil bij de vraag wat de  inzet van IT kan betekenen voor de productiviteit van het onderwijs. Ik denk niet dat dat direct tot veel minder personele inzet zal leiden. Bovendien denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben voordat we op dit element echte stappen gaan zetten. Dat vraagt zowel inhoudelijk, als organisatorisch als qua cultuur nog een forse omslag.

Over beroepsonderwijs: modern, effectief en aantrekkelijk

Vandaag besprak ik bij de MBO-raad de stand van zaken met betrekking tot “Focus op vakmanschap”, het actieplan van de minister van Onderwijs dat moet zorgen voor de noodzakelijk geachte kwaliteitsverbetering van het middelbaar beroepsonderwijs. Elders op mijn weblog heb ik al een samenvatting van dit actieplan geplaatst. Nu ging het gesprek over het resultaat van de gesprekken tussen ministerie en de MBO-raad over de uitwerking en invoering van het actieplan.

Het resultaat zal later beoordeeld worden, maar nu al kun je constateren dat dat oordeel makkelijk twee kanten uit kan gaan. Zoals vaker na afloop van onderhandelingen is ook hier sprake van een glas dat halfvol of halfleeg is. Tja, dat kun je van een en hetzelfde glas zeggen en zegt meestal iets meer over de spreker dan over het glas. Los van het exacte resultaat zet het onderwerp in elk geval weer eens aan tot nadenken over de toekomst van het (middelbaar) beroepsonderwijs. Aan de hand van enkele maatregelen uit het actieplan, probeer ik wat beelden over die toekomst te schetsen.

Het actieplan is gebaseerd op een toekomst van het beroepsonderwijs waarin sprake is van een forse toename van kwaliteit. Dat is een ambitie waar je het volgens mij alleen maar heel erg mee eens kunt zijn. Los van je huidige oordeel over die kwaliteit, kun je moeilijk tegen een verhoging daarvan zijn.

Het belangrijkste en in mijn ogen meest bijzondere instrument om die kwaliteit te verhogen is de zogenaamde “intensivering”. Die intensivering krijgt vorm via een paar ingrepen:

  • opleidingen worden ingekort (van 4 naar 3 jaar)
  • de hoeveelheid onderwijstijd in het eerste jaar wordt uitgebreid (van 850 naar 1000 uur)
  • de hoeveelheid BPV (lees: stage) wordt verminderd ten gunste van begeleide onderwijstijd (lees: les)

In grote lijnen zijn dit niet perse slechte ingrepen. Gesprekken met docenten maken me de afgelopen tijd al duidelijk dat de verlenging van MBO-opleidingen van drie naar vier jaar vaak geleid heeft tot verdunning van de opleidingen. Ook van deelnemers hoor en lees ik te vaak dat ze zich vervelen tijdens de opleiding.

Uitbreiding van de onderwijstijd in het eerste jaar lijkt me enigszins symboolpolitiek. Veel ROC’s hebben al programma’s waarin jaarlijks aan deze voorwaarde voldaan wordt, dus het effect hiervan zal gering zijn.

Het grootste dilemma ervaar ik bij de verschuiving in de verdeling tussen BPV en begeleide onderwijstijd. Dat heeft een paar invalshoeken.

Zo is men in Den Haag blijkbaar ontevreden over het leerrendement van de BPV. Blijkbaar denkt men dat meer begeleide onderwijstijd een hoger rendement op zal leveren. Volgens mij zijn dit aannames die niet onderbouwd zijn. Zoals zo vaak zijn het hier ook weer indrukken en emoties op basis waarvan beleid gemaakt wordt, in plaats van onderzoek en analyse. Verder is het natuurlijk ook een makkelijke manier om iets dat je niet goed vindt, gewoon maar minder toe te staan.

Wat gaat nou maken of ik dat glas als half vol of half leeg zie? Ik ben er (ongeveer) uit! De vraag is voor mij of we de ruimte krijgen om die grotere hoeveelheid begeleide onderwijstijd in te vullen op een manier die past bij modern beroepsonderwijs:

  • modern, dus met gebruikmaking van alle moderne middelen die daarvoor beschikbaar zijn
  • beroepsonderwijs, dus wat mij betreft zoveel mogelijk in de context van het beroep

En daarmee kom ik ook uit bij mijn angst. Het lijkt er zo vaak op dat onderwijstijd alleen maar als goed gezien wordt wanneer die ingevuld wordt door een leraar voor het bord  met een krijtje in een klaslokaal met 25 jongeren. Als dat het gevolg is, betekent dat niet alleen een  half leeg glas. Het betekent ook dat we de verworvenheden van de afgelopen jaren verkwisten en dat het beroepsonderwijs teruggaat in de tijd. Dat past bij het sentiment dat het onderwijs momenteel omsingelt, maar het past niet bij een maatshappij die behoefte heeft aan modern en hoog opgeleide jongeren.

Iedereen blijft leren

In een eerder blog (https://frankvanh.wordpress.com/2011/08/28/hoe-houden-we-het-langer-vol/) schreef ik al kort over het belang van goed werkgeverschap om (ook in de toekomst) te kunnen beschikken over voldoende goed personeel. Ik schrijf vanuit de sector van het (beroeps)onderwijs, maar met het oog op vergrijzing van de bevolking denk ik dat deze stelling in grote lijnen breder geldt.

Met deze gedachten in mijn achterhoofd nam ik vandaag deel aan een bijeenkomst van de MBO-raad rondom werkgeverszaken. Een bjieenkomst waar een breed scala aan onderwerpen onder de noemer van deze paraplu viel. Op twitter schreef ik al het volgende: “Bij overleg werkgeverszaken van #mboraad veel aandacht voor kwaliteit van primair proces. Leiding en docenten hebben elkaar dus hard nodig.” Daarmee zijn die 140 karakters ongeveer vol, maar gelukkig kan ik er hier iets langer bij stil staan.

Gelukkig zie ik bij onze eigen school, maar ook bij collega’s, (weer) meer en meer focus op de kwaliteit van het primaire proces. Gelukkig zie je (weer) meer en meer dat we ons niet af laten leiden door allerlei randverschijnselen. Gelukkig zoeken we de oplossing van problemen (weer) steeds minder in allerlei zaken buiten het primaire proces.

Daarmee sluiten we aan bij uitkomsten van onderzoek: “het succes van het onderwijs hangt op de eerste plaats samen met de kwaliteit van de interactie tussen docent en leerling”, in verschillende bewoordingen is dat de boodschap die ik haal uit presentaties, white papers, handboeken en dergelijke.

Even tussendoor … zo logisch is het helemaal niet dat we beleid en acties baseren op onderzoeksresultaten. Hoe hard enige tijd geleden ook werd getamboereerd op het belang van “evidence based werken”, volgens mij is dat niet eens de schoolgebouwen binnengedrongen, laat staan de klaslokalen.

Dus: focus op verbetering van de kwaliteit van de interactie. Mooi uitgangspunt. Hopelijk laten we ons in de komende periode daar niet te makkelijk vanaf brengen. Alleen als we op dit onderwerp in beweging komen, kunnen we andere zaken voor elkaar krijgen. Zo denk ik dat MBO-opleidingen vaak wel ingekort kunnen worden, maar dat dat alleen verantwoord kan gebeuren als we verder werken aan de kwaliteit van hetgeen er gebeurt in de periode die wél overblijft.

Werken aan kwaliteitsverbetering is natuurlijk niet een impliciete erkenning dat de kwaliteit nu onder de maat is. Dat geldt immers ook niet voor al die chirurgen, psychologen, advocaten, accountants, etcetera die vanuit hun beroepsgroep de verplichting kennen om met regelmaat te werken aan de verhoging van hun eigen professionaliteit. Zo’n systeem van permanente educatie zou binnen het onderwijs een vanzelfsprekendheid moeten zijn.

Binnen zo’n systeem moeten volgens mij in elk geval de volgende zaken gewaarborgd te zijn:

  1. Een transparante aanpak om de kwaliteiten en tekortkomingen van deelnemende professionals in beeld te brengen.
  2. Een cultuur waarin feedback geven en ontvangen vanzelfsprekend en gewenst is.
  3. Een eenvoudig systeem waarin de professional kan registreren dat hij voldoet aan de beroepseisen.
  4. Een hoogstaand en divers aanbod van opleidingen en opleidingsvormen langs welke weg de professional kan zorgen dat zijn kwaliteit op orde komt en blijft
Hopelijk houden we oog voor al deze zaken om te voorkomen dat we over enige jaren moeten erkennen dat het (weer) niet gelukt is.

Is controle een illusie?

Deze week werkten we met een grote groep collega’s aan het vraagstuk van kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Centrale vraag voor de betrokken leidinggevenden was of je “in control” bent op dit terrein. Een geweldige dag met veel commitment om met elkaar de slagen te maken die we nodig vinden.

Het begrip “in control” vraagt enige toelichting. Ik denk dat het gaat om het maken van een drieslag:

  1. WETEN HOE HET ZIT: Weet je waar in de organisatie problemen bestaan en successen geboekt worden?
  2. WETEN HOE HET KOMT: Heb je een analyse die duidelijk maakt wat deze problemen en successen veroorzaakt?
  3. WETEN HOE HET MOET: Pleeg je interventies die effectief zijn bij het oplossen van problemen en behouden/verbreden van successen?
Voor de eerste stap hebben we met elkaar een krachtige set instrumenten beschikbaar. Om te weten hoe het zit kijken we op drie manieren naar de organisatie:
  1. Kwantitatief: hoe staat het er voor als we naar de cijfers kijken? Hoe zit het met rendement, met uitval, met ziekte, financieel?
  2. Kijken naar jezelf: hoe staat het met het bereiken van de resultaten waar je overeenstemming over bereikt hebt dat die van belang zijn?
  3. Luisteren naar je omgeving: hoe zien relevante anderen de meerwaarde die je toevoegt? Wat vinden onze cursisten, onze docenten en de bedrijven met wie we samenwerken?
De stappen 2 en 3 (hoe het komt en hoe het moet) zullen in de komende periode aandacht vragen.
MAAR, ….
eigenlijk zit ik met een ander vraagstuk ik mijn hoofd (of misschien zelfs in mijn maag): kun je wel “in control” zijn? Komt dit begrip (en het denken dat er achter zit) niet uit een omgeving die fundamenteel anders is dan die van het onderwijs (en vele andere omgevingen waarin dienstverlening centraal staat)?
In een geïndustrialiseerde omgeving kan ik me voorstellen dat er sprake is van een forse mate van controle. Je kunt een goede inschatting maken van de output, op basis van input en throughput. Ook weet je wat er gebeurt als je iets verandert. Het is mijn tak van sport niet, maar ik kan me een voorstelling maken bij de uitspraak van de manager dat hij “in control” is.
Hoe anders zit dat bij onderwijs. Hoe groot is de onzekerheid bij het zetten van de stappen 2 en 3! Kun je wel echt weten waarom het is zoals het is? Kun je wel verder komen dan het maken van een (enigszins onderbouwde) inschatting? En kun je wel echt voorspellen wat het effect van je interventies is? Is het niet zo dat wat de ene keer helpt de andere keer (ook al lijkt die nog zo op die ene) volstrekt anders uitpakt?
En, tenslotte … waar komt al die aandacht voor “in control zijn” vandaan? Als bestuurder krijg ik bij elke vorm van toezicht dezelfde vraag. Accountant, inspectie, raad van toezicht, ze vragen het allemaal “bent u als bestuurder in control?” In hoeverre is het stellen van deze vraag geen uiting van gebrek aan vertrouwen. Gebrek aan vertrouwen in degenen die uiteindelijk kwaliteit wel of niet realiseren: de professional op de werkvloer.

Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën