Posts Tagged 'onderwijskwaliteit'



Met minder handen licht werk

Iedereen lijkt ervan overtuigd dat we binnen afzienbare tijd binnen het onderwijs te maken krijgen met een personeelstekort. Vergrijzing van het huidige personeelsbestand is gaande en daarmee lijkt zo’n tekort onontkoombaar, mede met het oog op het feit dat er minder jongeren komen en dat het onderwijs nou niet bepaald populair is als werkkring.
Tegelijk lijkt het onderwijs te vragen om meer personeel. De aandacht voor vaardigheden, het werken aan competenties, het coachen en begeleiden van jongeren, het zijn allemaal zaken die lijken te leiden tot een verlaging van de ratio docent-leerling in plaats van een verhoging van die ratio.
Hieronder een aantal ideeën om dit te doen zonder dat dit tot groot kwaliteitsverlies hoeft te leiden:

Jongeren raken steeds meer gewend aan gebruik van social media. Dat kan helpen bij ondersteuning van zelfstandig werken met behulp van IT.

Je leert het meeste door dingen uit te leggen aan anderen. Laat ouderejaars onder begeleiding lesgeven aan jongerejaars.

Creëer mogelijkheden om te leren voor een beroep in de omgeving van dat beroep. Dat kan in leerbedrijven, op stageplekken, via simulaties, op echte werkplekken in de eigen school.

Maak meer gebruik van de kennis in bedrijven, door mensen uit die bedrijven te betrekken bij opleidingen. Maak het opleiden van nieuwe medewerkers tot reguliere taak van werknemers die daar affiniteit mee en kwaliteit voor hebben.

Informatie-overdracht kan plaatsvinden met behulp van moderne middelen. Opnemen en beschikbaar stellen via internet (Youtube) maakt het mogelijk om een eenmalige inzet van een docent vele malen te benutten.

Voor alle voorbeelden geldt dat je ze af kunt schieten door ze te ver door te voeren. Ook hier geldt: met mate en stap voor stap!
Er zullen meer mogelijkheden zijn en het probleem zal hiermee niet volledig verdwijnen. Ik ben er wel van overtuigd dat we initiatieven zoals deze ruimte moeten geven om ons onderwijs toekomstbestendig te maken.

Onbeantwoorde vragen

Al vaker had ik het over groot- en kleinschaligheid in (onderwjis)organisaties. In een van mijn recentere blogs benoem ik decentralisatie als een van de kenmerken van “menselijk onderwijs” . In een reactie schrijft een collega-bestuurder daarover: “Sommige zaken zijn volgens mij beter en efficienter wanneer ze centraal worden aangepakt.”

Klinkt logisch, maar deze (natuurlijk niet onbekende) stelling plaats mij als bestuurder voor de nodige dilemma’s die ik graag met de lezer deel. Natuurlijk in de hoop op reacties.

Een organisatie kan niet zonder centralisatie. Het centrale is immers wat de verschillende organisatieonderdelen aan elkaar bindt. Zonder centrale elementen valt de organisatie uiteen in meerdere onderdelen. Maar wat bevindt zich in dat centrale gedeelte van de organisatie? In grote lijnen zie ik daarvoor twee mogelijkheden:

  1. De organisatie heeft een aantal centrale, inhoudelijke kenmerken.
  2. De organisatie heeft in haar backoffice een aantal zaken gecentraliseerd.

Uiteraard kun je ook voor beide mogelijkheden gaan. Maar tenminste één ervan lijkt me minimaal.

MAAR … een organisatie kan ook niet zonder decentralisatie. Ik vul het maar even in voor een school:

  • Studenten willen gekend worden. Dat vraagt om een redelijk kleine schaal.
  • Docenten willen ruimte hebben. Dat geeft hen kansen als professional en vergroot hun eigenaarschap.
  • Verschillende onderdelen hebben te maken met verschillende stakeholders. Decentralisatie vergroot de mogelijkheden om daar adequaat op in te spelen.

Daarmee ontstaat een waarachtig dilemma: een keuzemogelijkheid waaruit geen mogelijkheid tot kiezen bestaat. Ofwel … het blijft altijd schipperen tussen deze twee uitersten. En schipperen kan goed aangepakt worden, dan heet het laveren, of slecht. In dat laatste geval spreken we over zwalken.

Als bestuurder moet je dus niet kiezen, maar laveren tussen centraal en decentraal.

Op wiens vakmanschap is focus gericht?

Aanstaande woensdag bespreekt de tweede kamer het Actieplan MBO met de titel “Focus op vakmanschap”. Ik heb zojuist een samenvatting, inclusief commentaar op mijn weblog gezet.

Het wordt een spannende week voor het MBO. Kort gezegd komt het er wat mij betreft op neer dat met het plan goede ambities omgezet worden in een uitvoeringsagenda die onhaalbaar, want onuitvoerbaar en onbetaalbaar is.

Daar komt bij dat het plan wat mij betreft een ander element blootlegt: het gebrek aan vertrouwen van de politiek in de scholen die uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de realisatie van goed onderwijs.

Het vakmanschap, waar dus volgens de titel de focus op moet liggen, van alle betrokkenen wordt feitelijk miskend. De ontwikkeling van vakmanschap wordt onmogelijk gemaakt.

Op de eerste plaats geldt dat voor onze deelnemers. Het vakmanschap dat werkgevers van hen verwachten wordt vervangen door een verhoging van taal- en rekenvaardigheid in algemene zin. Alle initiatieven om deze vaardigheden aan te leren gekoppeld aan het beroep waarvoor deelnemers opgeleid worden, worden om zeep geholpen. Ik zie het gebeuren dat ze straks “gewoon” meedoen aan het HAVO-examen. Wel zo handig en wel zo goedkoop.

Het vakmanschap van onze docenten wordt ontkend. Dus gaan we over tot verdere standaardisering. Nu de examens, straks krijgen we staatspedagogiek die ook de programma’s voorschrijft.

Veel van ons onderwijs krijgt nu vorm in de praktijk. Logisch, want daar gebeurt het. Dat is waarvoor onze deelnemers gemotiveerd zijn: werken in de echte praktijk. Ze leren het meeste van het aanpakken van datgene wat ze daar tegenkomen. Maar ze komen er straks steeds minder tegen, want ze worden teruggestuurd naar de schoolbankjes (die ze vaak met een zucht van opluchting achter zich gelaten dachten te hebben).

Ook het vakmanschap van de mensen die deelnemers in die praktijk tegenkomen en die hen begeleiden, wordt door deze plannen ontkend. Anders zou je het toch niet in je hoofd halen om ze daar weg te halen?

Tenslotte wordt het vakmanschap van management en bestuur van onze scholen ontkend. Dus schrijft het plan en detail voor hoe het een en ander gerealiseerd moet worden.

Ik ontken niet dat er veel beter kan en moet op onze scholen. Die verantwoordelijkheid neem ik mét collega’s in school, mét de rest van onze sector en mét de partners in onze omgeving graag op me. Maar laat het ons dan ook even uitzoeken!

Actieplan MBO, samenvatting en reacties

Hieronder volgt een samenvatting van het Actieplan MBO. Dit is overgenomen van het weblog van Frank Tromp (ROCVA), waarvoor dank.

De verschillende onderdelen worden gevolgd door een reactie waarvoor ikzelf, in overleg met enkele collega-bestuurders, verantwoordelijk ben.

Focus op vakmanschap

Het plan bevat de volgende doelstellingen:

– verhoging kwaliteit

– verbetering besturing en bedrijfsvoering

– vereenvoudiging van het BVE stelsel

Het is nog te vroeg om alle doelstellingen in het plan te vertalen naar concrete gevolgen voor de ROC’s. Getuige het aantal wijzigingen in het veld van het MBO, kan wel worden geconcludeerd dat alle ROC’s de gevolgen van het plan zullen gaan voelen. Niet alleen de toekenning van middelen zal sterk veranderen en nog meer afhankelijk zijn van de prestaties van het ROC. Ook de opzet van MBO-opleidingen zal veranderen.

Algemene reactie:

Het plan is gebaseerd op ambities die passen bij de ambities van de instellingen: we willen beter worden, we willen het beter doen, we moeten het eenvoudiger en beter uitvoerbaar maken. De sector moet de uitdaging aangaan om deze ambities te realiseren, ook in een tijd waarin bezuinigingen onontkoombaar lijken. De omvang van deze bezuinigingen is wellicht te dragen, de wijze van invulling roept grote vraagtekens op.

Het plan miskent de specifieke grondslag van de ROC-vorming en het Middelbaar Beroepsonderwijs. ROC’s zijn ingericht om integraal te kunnen werken op basis van de regionale context. Dat vraagt om een totaalpakket en om diversiteit. Het plan knabbelt aan het totaal en gaat uit van uniformiteit. Het knabbelt zowel aan het in 1996 beoogde ROC model (community college) als aan het beroepsonderwijs algemeen (zie ook daar waar wij ingaan op avo-isering ten gevolge van dit plan).

Het plan ademt een sfeer van wantrouwen uit jegens de ROC’s. Ze hebben er een puinhoop van gemaakt en we gebruiken deze bezuinigingsronde om weer meer grip te krijgen op deze instellingen.

Het plan is niet consistent met eerdere kabinetsreacties op bijvoorbeeld het rapport van de commissie Dijsselbloem (OCW is voor ‘wat’, de instellingen gaan over ‘hoe’) en de commissie Oudeman (bewaar rust in het veld, de instellingen zijn op de goede weg, geen reden tot forse ingrepen). In tegenstelling tot hetgeen deze commissies adviseren behelst het plan, gezien haar strekking en impact, een stelselwijziging.

Het plan discrimineert het MBO tov het HBO (bekostiging oudere deelnemers, ruimte voor invulling aan de instellingen).

De plannen van de minister kunnen worden samengevat in de volgende punten:

1. Verhoging kwaliteit

Meer onderwijstijd, intensiveren en verkorten opleidingen

De onderwijstijd voor het eerste leerjaar wordt verhoogd naar 1.000 uren waarvan 750 onder begeleiding. De overige leerjaren blijven gehandhaafd op 850 uren waarvan 600 onder begeleiding en 250 uren BPV.

Zonder in herhaling te vervallen, wijzen we hier nogmaals op het feit dat OCW zich op deze manier expliciet bezighoudt met de wijze waarop het beroepsonderwijs uitgevoerd dient te worden. Beter zou het zijn om de sector de opdracht te geven om met een plan te komen dat leidt tot intensievere en kortere opleidingen.

De ruimte voor BPV wordt hier drastisch beperkt. Dat is te zien als een stap terug. Het specifieke van beroepsonderwijs wordt ermee ontkend en de avo-isering doet zijn intrede. De verlaging van het maximum aandeel BPV frustreert de implementatie van CGO. Meer dan voorheen vindt het opdoen van inzicht, vaardigheden en beroepshouding plaats in de praktijk. Dat wordt hiermee miskent. In plaats van een generieke maatregel zou het een opdracht voor de ROC’s en het regionale bedirjfsleven meoten zijn om te komen tot een optimum ten aanzien van de omvang van de BPV, in combinatie met een inhoudelijk optimale invulling van dit deel van de opleiding.

De grote vrees is dat de minister op basis hiervan ook de discussie opstart over de vraag wat wel of niet onder begeleide onderwijstijd gaat vallen. Hoe zit het met tijd die doorgebracht wordt in interne of externe leerbedrijven, niet zijnde BPV-plaatsen? Aan welke eisen moet voldaan worden om dit als begeleide onderwijstijd te laten tellen? Of meotten die 750/600 uren doorgebracht worden in een klaslokaal met rijtjes schoolbanken? Wordt vernieuwing beperkt tot vervanging van het schoolboord door het digibord?

De opleidingsduur wordt verkort van 4 naar 3 jaar (niveau 4). De bekostiging gaat per leerjaar verschillen. Eerste jaars studenten tellen zwaarder mee in de bekostiging dan 2e jaars. 2e jaars tellen zwaarder mee dan  3e jaars studenten etc. In het plan wordt verondersteld dat de verkorting van de opleidingsduur het mogelijk moet maken om meer onderwijstijd te kunnen bieden.

Deze maatregel staat in elk geval op zeer gespannen voet met de ambitie om het onderwijs eenvoudiger en transparanter te maken. Onduidelijk is wat de effecten hiervan zijn.

Wat gebeurt er als een deelnemer na een jaar besluit om over te stappen naar een andere opleiding? Begint dan opnieuw zijn eerste jaar (van de opleiding) of gaat hij naar zijn tweede jaar (van de school)? En als hij overstapt naar een andere opleiding in een andere instelling?

Hoe zit het met een deelnemer die na zijn driejarige niveau 3 opleiding door wil naar niveau 4. Krijgt die het vierde jaar niet meer bekostigd?

Worden met deze maatregel geen verkeerde prikkels ingebouwd die leiden tot misstanden die we juist uit willen bannen?

Effectievere en efficientere opleidingen kunnen wellicht in een kortere periode uitgevoerd worden. Invoering van een dergelijke maatregel vraagt om nader onderzoek t.a.v. de vraag hoe dit het beste gerealiseerd kan worden. Het grote risico van het afkondigen van een dergelijke maatregel is dat een en ander met vallen en opstaan ingevoerd wordt. Deelnemers zullen hiervan de wrange vruchten plukken.

Betere examens

De minister wil de MBO examens verbeteren en zet het examenbeleid voort. Er komen landelijke examens voor de Nederlandse en Engelse taal en voor rekenen.

Uit de nul-metingen rekenen en taal blijkt dat landelijk ongeveer de helft van de instroom in het mbo niet het taalniveau heeft dat aan het einde van eht vmbo behaald moet zijn. Voor rekenen voldoet een nog groter deel niet aan de niveauvereisten. Er zijn dus afspraken met (of eisen aan) het vmbo nodig om de kwaliteit van de instroom omhoog te brengen.

Jammer is ook dat hiermee alle goede ontwikkelingen om taal en rekenen in de context van beroepsonderwijs te leren en te examineren verdwijnen.

Organisatorisch en financieel is niet duidelijk of het mogelijk en betaalbaar is. Het lijkt of voor het afnemen van examens volledige lokalen apart ingericht moeten worden, inclusief een forse investering qua automatisering. Vraag is of dit betaalbaar en organiseerbaar is.

Professionalisering docenten

De minister stelt het bij- en nascholen van leraren verplicht. Bovendien komt er een lerarenregister.

Het streven naar een register kan een impuls zijn voor verdere kwaliteitsverbetering. Tegelijk zijn er nog vele vragen die in dit kader om een antwoord vragen.

Regionaal aanbod opleidingen

De minister wil een einde maken aan de concurrentie tussen ROC’s en stelt een autoriteit in die overleg tussen de ROC’s mogelijk moet gaan maken. In de toekomst zal een stichting toezien op doelmatig aanbod in de regio’s. Dit betekent dat de ROC’s samen het opleidingenaanbod moeten gaan verdelen. De stichting zal tevens arbitreren bij eventuele geschillen tussen ROC’s.

Waarom wordt het niet aan de instellingen in de regio overgelaten om dit voor elkaar te krijgen. Zij moeten een en ander betaalbaar organiseren en in alle gevallen voldoen aan kwaliteitseisen. Laat bestuur en toezicht van de sector keuzes maken die ten goede komen aan deelnemers en het regionale bedrijfsleven. Laat hen aan die stakeholders verantwoording afleggen over gemaakte keuzes.

VM2

De VM2 regeling (combinatie van VMBO en MBO opleiding) wordt verlengd en per augustus 2012 omgezet in een wettelijk kader.

Omzetting in een wettelijk kader vraagt nadere evaluatie van lopende experimenten. Op basis daarvan dienen uitspraken gedaan te worden over de positie van VMBO en MBO in deze regeling.

2. Besturing en bedrijfsvoering op orde

Er komt een zogenaamde prestatiebox waarmee de prestaties op gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de tevredenheid van het bedrijfsleven in financiële middelen wordt omgezet. Hoe beter de prestaties, hoe meer geld de instelling ontvangt.

3. Vereenvoudiging van het BVE stelsel

30+ maatregel

De uitwerking van de 30+ maatregel is nog niet bekend is gemaakt in dit plan. Daarmee blijft onzekerheid bestaan over de financiering van onderwijs voor mensen van 30 jaar en ouder. De minister belooft dat deze maatregel in mei op de agenda van de ministerraad komt en in september in de 2e kamer zal worden behandeld. Beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2012.

Inmiddels heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen omtrent de compensatie die voor deze maatregel geboden wordt. Voor wat betreft de bezuiniging lijkt daarmee de kou uit de lucht, alhoewel het nog steeds zo is dat de compensatie een stuk lager is dan de omvang van de bezuiniging.

Bovendien roept de brief nog tal van vragen op:

  • Waarom alleen BBL-trajecten voor 30+? Ook hier weer in tegenstelling tot het HBO, waar voltijds trajecten voor oudere studenten gewoon bekostigd worden? Het lijkt dat met name de laaggeschoolden die op jonge leeftijd de stap naar de arbeidsmarkt gezet hebben de dupe van deze maatregel worden. Daarmee zijn het de zwakkeren die deze lasten dragen, terwijl (bijvoorbeeld in het HO) de sterke schouders alle kans krijgen om met volledige bekostiging “een leven lang leren” tot realiteit te maken.
  • Hoe valt de landelijke limiet aan het aantal deelnemers (gesteld op 47.000) te controleren, met het oog op de continue en decentrale in- en uitstroom van deze deelnemers?
  • Het ziet er naar uit dat de bekostiging per deelnemer via de compensatie lager is dan de reguliere bekostiging? Hoe valt dat te verklaren en te vertalen naar de bedrijfsvoering? Hoe kan de instelling onderscheid in het programma realiseren tussen een 29-jarige en een 30-jarige? Moeten er verschillende programma’s opgezet worden? Moeten deze deelnemers in verschillende groepen geplaatst worden?
  • De compenserende maatregel geldt per deelnemer slechts voor twee jaar. Betekent dit dat oudere deelnemers van niveau 3/4 onderwijs worden uitgesloten? Hoe verhoudt dit zich tot de ambitie om juist te investeren in kennis en een hoger kennisniveau? Voor deze doelgroep wordt afscheid genomen van het idee van een Leven Lang Leren.

De grote vrees is dat deze met gejuich onthaalde compensatie een doekje voor het bloeden zal blijken te zijn dat weer forse nieuwe vraagstukken oproept.

Einde drempelloze instroom

De drempelloze instroom in niveau 2 van het mbo wordt beëindigd. Voor toelating voor een niveau 2 opleiding hebben studenten voortaan een diploma voortgezet onderwijs nodig of een diploma niveau 1. Daarnaast wordt voor ongediplomeerde jongeren, die bijvoorbeeld na enkele jaren werken weer willen gaan leren, een toelatingsonderzoek op instellingsniveau ingevoerd. Als ze dit met positief resultaat afronden, kunnen ze instromen op niveau 2, anders op niveau 1. De beoogde inwerkingtreding is het schooljaar 2013-2014.

Dit is een van de maatregelen waarbij het MBO nadelig wordt behandeld tov het HBO. Om het niveau van het HBO omhoog te brengen worden eisen gesteld aan het voorafgaande traject. Dus moet het MBO deelnemers beter gaan voorbereiden op het HBO.

De instroom in het MBO wordt slechts gekoppeld aan een diploma, zonder dat gekeken wordt naar de vraag of daarmee inhoudelijk gezien de kwaliteit van de instroom daadwerkelijk beter wordt. Is het niet zo dat het grootste deel van de instroom wel degelijk over een VMBO-diploma beschikt? Is het niet zo dat deze diploma’s voor een deel onvoldoende de kwlaiteit representeren die nodig is voor succesvolle doorstroom? Waarom wordt daar niet naar gekeken? Is het werkelijk zo dat met de diploma-eis de kwaliteit van de instroom gewaarborgd is?

 Entree opleidingen

De MBO opleidingen op niveau 1 krijgen een nieuwe naam namelijk “entree opleidingen”. Deze opleidingen worden apart gefinancierd en er wordt een bindend studieadvies ingevoerd, waarmee scholen een leerprestatie kunnen afdwingen. De ROC’s ontvangen voor entree opleidingen een vast budget.

Betekent een apart budget ook aparte verantwoording. De MBO-raad stelt voor om dit budget uiteindelijk aan de lumpsum toe te voegen. Daarmee ontstaat vrijheid voor de instelling om het adequaat in te zetten. Verantwoording vindt dan niet plaats op de inzet van middelen, maar op de gerealiseerde prestaties.

Grote vraag is wat er gebeurt als zich meer deelnemers aanmelden voor deze opleiding, dan waar de bekostiging vanuit gaat. Het kan niet zo zijn dat vanwege het bereiken van een maximum jongeren op dit niveau geen toegang meer tot deze opleidingen hebben.

Vavo onder rijksaansturing

De bekostiging van het Vavo komt met ingang van 1 augustus 2014 vanuit het Rijk en is alleen beschikbaar voor mensen tot 30 jaar.

Grote onduidelijkheid over de wijze waarop dit precies geregeld zal worden, betekent dat een oordeel hier niet gegeven kan worden. Het uitgangspunt om dit onderwijs direct onder OC&W te brengen verdient steun.

Keep the dream alive

Ooit bezocht ik enkele Community Colleges in Birmingham. Samen met Nederlandse collega’s bekeek ik hoe daar aan alle leden van de gemeenschap opleidingen en cursussen gegeven werden. Ik zag hoe met die omgeving bekeken werd aan welk aanbod behoefte bestond, vanuit de mensen én vanuit bedrijven en instellingen.
Dat beeld heeft me nooit losgelaten en was voor mij een drijfveer om bij een ROC te gaan werken. Daar bestaat immers de ruimte om dit beeld ook hier te realiseren.
Als ik naar ons ROC kijk, vind ik dat we een aantal aspecten van deze “droom” aardig benaderen:

  • We gaan ervoor om goed aanbod voor ALLE doelgroepen te ontwikkelen.
  • We gaan ervoor om een intense samenwerking te ontwikkelen met de omgeving: gemeenten, bedrijven, instellingen

Tegelijk erken ik dat er nog veel moet gebeuren:

  • Onze organisatie verbetert, maar daar zijn we nog niet klaar mee.
  • Ons rendement gaat omhoog, maar onze ambitie van 85% is nog een hele weg.
  • We hebben veel tevreden cursisten en medewerkers, maar het moeten er nog meer worden.
  • We krijgen niet giga veel klachten, maar iedere klacht is er één te veel
  • … zo kan ik nog even doorgaan

Reden genoeg, zou je zeggen, voor al die kritiek die de afgelopen periode steeds weer over ROC’s wordt heengestort. Reden genoeg dus ook om de schouders er heel stevig onder te zetten, om te luisteren naar cursisten, medewerkers, omgeving, zodat we met elkaar doorgaan met beter worden.

Maar, in plaats van met elkaar bedenken hoe het beter kan, wordt er steeds meer gedacht hoe het minder kan. De breedte van ROC’s dreigt vervangen te worden door de smalheid van vakcolleges, werkscholen, bedrijfsopleidingen, etcetera. Een goed voorbeeld van “met het kind het badwater weggooien” als je bedenkt dat:

  • Wij op de laagste niveaus in veel opleidingen inmiddels resultaten van zo’n 70% halen en deze stijgen nog steeds.
  • Wij, in overleg met andere MBO-aanbieders, inmiddels een succesvolle reboundvoorziening voor MBO-deelnemers draaien.
  • Het VSV-percentage, zoals in een convenant afgesproken, sinds drie jaar jaarlijks zo’n 10% (of meer) daalt.
  • Jongeren die van opleiding willen veranderen inmiddels op het moment dat het past steeds beter begeleid de overstap kunnen maken, zonder naar een geheel andere instelling te hoeven.
  • Jongeren die (nog) niet goed weten wat ze willen, toch hun opleiding kunnen starten en oriëntatie en opleiding prima kunnen combineren.

Zoals gezegd, er is nog veel te verbeteren, maar toch … laten we onze ogen niet sluiten voor wat bereikt is

Een spagaat in praktijk

Ik wist niet dat ik hem kon, maar word ertoe gedwongen: de spagaat! Sterker nog, ergens voel ik me gevierendeeld. Verschillende krachten proberen me uiteen te trekken en ik moet proberen de boel bij elkaar te houden (beetje besmette uitdrukking, maar het moet maar).

De regering snijdt fors in de bekostiging van het onderwijs, alsof er geen verkiezingen en verkiezingsprogramma’s waren. Inburgering, participatie, volwassenonderwijs, extra zorg en begeleiding .. alles staat ter discussie en ik houd mijn hart vast voor wat er komen gaat.

Tegelijk roept de omgeving om meer en betere opleidingen. Dreigende tekorten aan arbeidskrachten in diverse sectoren, onvoldoende kwalificatie van mensen in andere delen van de arbeidsmarkt, onvoldoende mogelijkheden voor mensen ondanks het bezit van een startkwalificatie.

En … we hebben een opleidingsmodel opgetuigd onder de noemer MBO dat volgens mij niet levensvatbaar blijkt te zijn. Het MBO biedt 600 verschillende opleidingen! Wie durft het aan om een zestienjarige deze keuze voor te houden? En dan klagen we dat ze zo vaak (en snel) overstappen. Als ik zelf mijn zak snoep samen moet stellen, denk ik ook steeds “die wil ik ook, die is nog lekkerder”. Het effect is dat allerlei opleidingen volstrekt onvoldoende deelnemers hebben en docenten alle zeilen bij moeten zetten om iedereen de opleiding te laten volgend die ze gekozen hebben.

Tenslotte hebben we te maken met een eigen arbeidsmarkt, die van onderwijzend personeel, die volledig is dichtgetimmerd. De rotsvaste rechtspositie maakt het onmogelijk om flexibel om te gaan met inzet van personeel. Het wordt bijkans onmogelijk om met het personeel soepel in te spelen op groei en krimp van opleidingen. De kosten die gemoeid zijn met mobiliteit zijn zo hoog dat het realiseren ervan ten koste dreigt te gaan van inzet van mensen in het primaire proces.

Dus inderdaad … gevierendeeld …. en dan toch de goede keuzes maken … mooie uitdaging om over in gesprek te gaan!

Begrensd vermogen

Een paar punten uit de afgelopen dagen:

  • Ahmed Marcouch twittert over een jongen die uit onvrede over het ROC naar een particuliere MBO-instelling gaat. Daar gaat het goed met hem.
  • Jan van Zijl, voorzitter van de MBO-raad, luidt de noodklok en zegt dat het niet mogelijk zal zijn om de uitval uit het MBO nog veel verder terug te dringen.

Op Marcouch reageerde ik met de mededeling dat groei van het particuliere MBO de gemeenschapsdoelen van de ROC’s in gevaar kan brengen. Juist om die te realiseren is het van belang dat er een forse diversiteit aan opleidingen én deelnemers blijft bestaan.

Van Zijl heeft een punt, maar zou geen gelijk moeten mogen krijgen. We kúnnen het niet toestaan dat zijn vooruitblik werkelijkheid wordt. De uitval van jongeren uit het onderwijs móet omlaag.

Voor mij als bestuurder geven beide situaties me een opdracht:

  • hoe blijven we als ROC zo interessant en goed dat jongeren voor óns kiezen als ze een MBO-opleiding willen volgen?
  • hoe houden we al die jongeren die zich bij ons inschrijven binnen tot het moment dat we ze met een diploma uit kunnnen zwaaien?

Zoals vaker gezegd, ik wil me nergens achter verschuilen. We moeten de kwaliteit van het onderwijs op onze ROC’s verder verbeteren. Maar het wordt ons niet makkelijk gemaakt! En de plannen van het nieuwe kabinet, die natuurlijk nog verder uitgewerkt moeten worden, wijzen ook in een totaal verkeerde richting.

Terwijl de zorgvraag in onze scholen toeneemt, nemen de middelen om daar antwoorden op te formuleren steeds meer af. Het verschil in beschikbare middelen tussen VMBO en MBO is schrikbarend groot. Met het wegvallen van de nodige financiële impulsen wordt die kloof alleen maar groter.

Het is aan ROC’s om door te gaan met het realiseren van goed onderwijs voor álle potentiële deelnemers. Maar het is aan de politiek om dat ook realistisch te houden.


Mijn laatste tweets

Archief

Categorieën