Posts Tagged 'onderwijspolitiek'

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

Als je niet alles kunt wat je wilt, …. (over onhaalbare eisen en oplossingen)

Afbeelding

Het MBO heeft in de wet een drievoudige opdracht meegekregen:

  • opleiden voor een beroep (vakopleiding)
  • toerusten voor de maatschappij (burgerschap)
  • voorbereiden op een leven lang leren (leerhouding)

Twee van de drie doelen die ik hier benoem lijken me niet exclusief voor het MBO. Het hele onderwijs zou leerlingen en studenten moeten toerusten voor actieve participatie in de maatschappij. En een leven lang leren is ook niet voorbehouden aan MBO-studenten.

Als MBO-instelling hebben we overigens nog een andere “dubbele”opdracht. Naast het toeleiden naar de arbeidsmarkt (vakopleiding) leiden we ongeveer 50% van onze niveau 4 studenten op voor een vervolgopleiding aan het HBO (vooropleiding).

Bij het combineren van al deze verschillende doelstellingen ervaar ik momenteel enkele problemen. En ik denk over een oplossing daarvoor. Dit laatste ter geruststelling. Dit blog gaat niet over een probleem, maar over een mogelijke oplossing!

Het hele onderwijs wordt momenteel gevraagd om na te denken over een aanpak die moet leiden tot een betere beheersing van de basisvakken, zoals we die momenteel zien: Nederlandse taal, rekenen (en Engels). Dat lijkt me terecht. Als onderdeel van de algemene ontwikkeling die moet leiden tot een invulling van burgerschap en tot een actieve leerhouding zijn dit onmisbare vaardigheden.

Het lijkt inmiddels ook niet meer echt ter discussie te staan dat het niveau op deze gebieden in de afgelopen jaren te zeer omlaag gegaan is. Ik accepteer dat standpunt nu, zonder dat ik echt weet of het waar is. Overigens denk ik wel dat er ook de nodige kennis en vaardigheden in de plaats gekomen is voor deze niveauverlaging.

Het terugbrengen van kennis en vaardigheden om het gewenste niveau is een kwestie van lange adem en moet op jonge leeftijd beginnen. Dat neemt niet weg dat we, om een verloren generatie te voorkomen, breed in moeten zetten om “te redden wat er te redden valt”.

Het is dan ook terecht dat het MBO de opdracht krijgt om fors in te zetten op deze vakken. De vraag is echter of het reëel is om de gevraagde resultaten daadwerkelijk te verwachten. Onlangs hoorde ik weer dat 60% van de instromende MBO-studenten bij binnenkomst een rekenniveau bleek te hebben dat onder het eindniveau basisschool ligt. Hoe verwacht men dat dit vervolgens in 2-4 jaar hersteld kan worden?

De inspanningen van primair en voortgezet onderwijs leiden binnen enkele jaren hopelijk tot een verhoging van het beginniveau in het MBO. Maar de vraag is nu wat we in de tussenperiode doen.

Nogmaals: op de eerste plaats werken we ook in het MBO met man en macht aan een verhoging van het niveau op de drie genoemde gebieden. Docenten worden daartoe geprofessionaliseerd en in het rooster wordt er tijd voor vrijgemaakt. Wat we verder ook doen om zaken aan te passen en/of op te lossen … deze inspanning moet blijvend geleverd worden!

De exameneisen zoals die nu echter voor het MBO geformuleerd zijn, lijken mij, ondanks alle inspanningen, onhaalbaar. Als we niets doen, betekent dat de komende jaren een forse verhoging van de ongediplomeerde uitstroom of een forse verlaging van het uitstroomniveau.

Dat betekent een forse aderlating op het gebied van die andere doelstelling van het MBO: het bieden van een vakopleiding. Het valt niet te ontkennen dat beheersing van (alledrie) deze basisvaardigheden niet voor alle MBO-studenten even relevant is, als je kijkt wat ze nodig hebben voor hun toekomstig beroep. Ook werkgevers bevestigen dit. ZIj pleiten steeds weer voor meer aandacht in de opleiding voor de vakvaardigheden. Dit mag van hen best ten koste van Nederlands, rekenen en Engels gaan. Uiteraard moeten we hier wel onderscheid maken met beroepen waarvoor deze vakken (ook) tot de beroepsvaardigheden horen.

Voor degenen die doorstromen naar het HBO is dat natuurlijk heel anders. Daar zien we dat een goede beheersing van deze vakken van groot belang is als het gaat om de kans op succes. Het loslaten van de gestelde eisen leidt wellicht direct tot een verdere verlaging van de succeskansen van MBO-studenten op het HBO.

Wat te doen?

Zoals gezegd hoop ik dat we hier met een tijdelijk probleem te maken hebben. De structurele aandacht voor deze vakken vanaf jonge leeftijd in combinatie met de eisen die gesteld worden in het kader van diplomering zouden binnen een aantal jaren tot een niveauverhoging moeten leiden.

In de tussenliggende periode pleit ik voor een dubbel systeem van diplomering in het MBO. Dat betekent dat voor opleidingen twee soorten diploma’s uitgereikt gaan worden: diploma’s met en zonder doorstroomrecht.

Kort gezegd: wie door wil studeren op een hoger MBO-niveau of een HBO-instelling moet op de gebieden Nederlands, rekenen en Engels voldoen aan de exameneisen zoals deze momenteel gesteld zijn. Wie daar niet aan kan voldoen, maar wel beschikt over alle kennis, vaardigheden en overige eisen die de arbeidsmarkt stelt, kan een diploma ontvangen zónder doorstroomrecht.

Voor de korte termijn voorkomen we daarmee een aantal problemen:

  • een tekort aan werknemers doordat te weinig MBO-studenten aan de diploma-eisen kunnen voldoen, terwijl zij wel in staat zijn om het desbetreffende beroep adequaat uit te oefenen
  • een verlaging van de motivatie van studenten, omdat zij het behalen van een diploma ervaren als een hopeloze missie, want er worden onhaalbare eisen gesteld op terreinen die voor uitoefening van het gewenste beroep niet noodzakelijk zijn
  • een verhoging van het succes van MBO-studenten op het HBO omdat hun instroomniveau beter aansluit bij eisen en verwachtingen van die sector

Vreemde ogen dwingen? … Laten we het hopen

Gisteren sprak ik als lid van de programmaraad van het ECBO met een team van de OECD. Zij doen momenteel onderzoek naar het MBO in Nederland. Het grootste deel van het gesprek ging over vijf aanbevelingen die zij formuleerden voor verdere versterking van het MBO. Ik sta daar graag even bij stil.

1. Zorg voor meer kansen om door te leren
Het zou goed zijn als jongeren meer kansen kregen om na hun MBO-opleiding door te studeren. De ontwikkeling van Associate Degrees zouden daarvoor een mogleijkheid kunnen zijn, maar kennen twee problemen die samenhangen met het gegeven dat ze verbonden zijn aan het HBO:
– Ze hebben een sterk academische insteek, in plaats van het praktijkgerichte dat juist zo’n belangrijk kenmerk is van het MBO.
– Ze blijven in het HBO altijd een ondergeschoven kindje omdat ze daar moeten concurreren met de bachelor-studies.
Verder hinken de AD’s op twee gedachten omdat ze zowel aan moeten sluiten bij de arbeidsmarkt en tegelijk dienen als begin van een bachelor opleiding.

2. Bied meer kansen voor volwassenen
ROC’s zouden meer aanbod moeten ontwikkelen voor volwassenen op alle niveaus. Dat aanbod zou moeten passen bij hun persoonlijke omstandigheden en dus vaak bestaan uit korte(re) cursussen, avondonderwijs.
Het is wellicht de moeite om te kijken naar het financieringsmodel dat Denemarken op dit gebied heeft. Dat bestaat uit een combinatie van publieke bekostiging en particuliere bijdrage van deelnemers.

3. Verstevig de positie van de MBO-1 student
De positie van de niveau 1 opleidingen is te onduidelijk in het huidige systeem. Er kunnen vraagtekens geplaatst worden bij hun relevantie voor de arbeidsmarkt. De doelgroepen in deze opleidingen zijn te divers, ondanks het feit dat ze het gevolg lijken te zijn van de zeer vroege studie- en beroepskeuzes die het Nederlandse systeem kenmerken.
Het zou beter zijn als het MBO meer inclusief zou worden, waardoor deze groepen studenten een integraler onderdeel van de MBO-opleidingen vormen.

4. Verhoog de kwaliteit van het docentenkorps
Het is van belang om de verbinding tussen de onderwijskennis in de scholen en de praktijkkennis in bedrijven steviger met elkaar te verbinden. Dat vraagt twee dingen:
– Kennis uit de bedrijven de scholen inbrengen. Dit kan met gast-/parttime docenten uit het bedrijfsleven die gedurende een bepaalde periode onderwijs verzorgen. Dat vraagt wel om aparte kwalifactie-eisen voor deze mensen, aangezien het niet reëel is om van hen een volledige lerarenopleiding te vragen. Het lijkt verstandig als je praktijkexperts uit bedrijven de kans geeft om zich via een korte opleiding te kwalificeren als part-time docent in het MBO.
– Docenten missen momenteel een regelmatige “opfrissing” voor wat betreft ontwikkelingen in de praktijk van de branche waarvoor zij opleiden. Daardoor weten ze eigenlijk niet goed meer wat er in die bedrijven aan de hand is.

5. Moedig leerwegen aan die op de praktijk gebaseerd zijn
Het Nederlandse systeem van praktijkleren is bijzonder in de internationale context. Niet veel landen kennen een dergelijk systeem. Het is iets om te koesteren en te ondersteunen. Vanuit het ministerie is het van belang dat er maatregelen genomen worden die dit systeem versterken. Dat zou een belangrijke doelstelling van het beleid moeten zijn.

Vijf aanbevelingen die volgens mij van groot belang zijn als het om de verbetering en modernisering van het beroepsonderwijs gaat. Het zou goed zijn als we er in slagen om in beeld te brengen hoe deze aanbevelingen concreet vorm kunnen krijgen en wellicht ook al op diverse plaatsen in praktijk gebracht worden.
Het gaat dan om meer dan alleen maar versterken van wat we hebben. Het zou goed zijn als we op zoek gaan naar nieuwe vormen waarin BBL en BOL meer in elkaar overlopen en waarin docenten uit scholen en praktijkexperts uit bedrijven in één team en mét elkaar verantwoordleijk zijn voor opleidingen.

Ode aan een minister

AfbeeldingIn de afgelopen twee weken stuurde de nieuwe minister van OC&W twee belangrijke brieven naar de Tweede Kamer. Het betrof een “reactie op het rapport van de Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis” (zie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/01/21/kamerbrief-met-uitgebreide-reactie-op-rapport-amarantis.html ) en een kamerbrief naar aanleiding van het “wetsvoorstel doelmatige leerwegen en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs”n (zie http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/01/30/kamerbrief-over-wetsvoorstel-doelmatige-leerwegen-en-het-moderniseren-van-de-bekostiging-van-het-beroepsonderwijs.html )

Nou is het nog vroeg. Het kabinet zit er pas een paar maanden. Maar wie deze brieven leest, moet de toekomst toch wel met enig vertrouwen tegemoet zien. Jet Bussemaker lijkt een bewindspersoon waar het beroepsonderwijs de komende jaren veel plezier van kan beleven, ook al zullen er stevige knopen doorgehakt moeten worden.

In dit blog sta ik stil bij de inhoud van de tweede brief. Dat is de brief waarin Bussemaker haar visie geeft op de wijze waarop het actieplan MBO “Focus op Vakmanschap” omgezet moet worden in wetgeving. Een brief waar je blij van wordt. Die blijheid onderbouw ik hieronder met een serie citaten uit de brief.

Ik begin met het belangrijkste citaat: “Uitgangspunt (voor het inspectietoezicht) is vertrouwen geven waar het kan en controleren waar het moet”. Dit uitgangspunt lijkt niet alleen voor de inspectie te gelden, maar ook voor het beleid dat ontwikkeld wordt. Al eerder pleitte ik voor beleid en werken dat gebaseerd is op vertrouwen. Zou dat nu waarheid gaan worden …?

En verder zegt de minister in deze brief een hoop dat mij dierbaar is (voor de duidelijkheid van mijn interpretatie heb ik hier en daar wat vetgedrukt):

Goed beroepsonderwijs moet in de visie van dit kabinet voldoen aan scherpe kwaliteitseisen, aansluiten bij behoeften van studenten en afgestemd zijn op de vragen van de regionale arbeidsmarkt.

De minister formuleert zeven heldere ambities: “Dat vraagt om (1) heldere normen die (2) genoeg ruimte laten voor ontwikkelingen en nieuwe inzichten, om (3) professionele onderwijsteams die garant staan voor goed onderwijs, om (4) intensieve onderwijsprogramma’s en stevige begeleiding. om (5) herkenbare scholen en een (6) herkenbaar opleidingenaanbod dat aansluit bij de regio  en om (7) sterk bestuur van instellingen, dart verantwoordelijkheid kan nemen voor een overzichtelijke en uitvoerbare opdracht.”

Dan gaat de minister eerst in op het verschijnsel onderwijstijd. De wijze waarop daar tot nu toe mee omgegaan wordt leidt tot een enorme administratieve last bij instellingen én tot buitenproportionele maatregelen in gevallen dat niet 100% aan het vereiste aantal uren wordt voldaan (volgens de onderwijsinspectie):

“Voldoende onderwijsuren én begeleiding door bekwaam onderwijspersoneel vormen essentiële elementen om de gewenste onderwijskwaliteit te bereiken. (…) Ook is essentieel dat jonge studenten ‘nuttig bezig zijn’ en een goed gevuld programma op school en leerbedrijf hebben, met voldoende structuur en begeleiding.”

“… dat onderwijstijd geen doel op zich is, maar een onderdeel van de inspanningen die een onderwijsinstelling moet leveren om kwalitatief hoogwaardig onderwijs te realiseren.”

“… de gewenste ruimte om een eigentijds, gevarieerd onderwijsprogramma aan te bieden door een multidisciplinair onderwijsteam met bevoegde docenten, maar ook met de voor het mbo zo belangrijke instructeurs, gastdocenten en studiebegeleiders.”

“Mijn visie is dat het primair aan de school is om te bepalen wat goed onderwijs is, wat goede begeleiding en ondersteuning is. (…) De urennorm staat in functie van deze kwaliteit en het bevoegd gezag is primair verantwoordelijk voor de kwaliteit. (…) Er moet dus op grond van de behaalde resultaten end e tevredenheid daarover van studenten en hun toekomstige werkgevers kunnen worden vastgesteld dat de kwaliteit van de opleiding op orde is. (…) De urennorm blijft dan alleen een inrichtingsvoorschrift (kwaliteitseis) en is geen bekostigingsparameter meer.”

De rest van de brief gaat over enkele aspecten van de bekostiging. Die moeten nog verder uitgewerkt worden, maar ook hier stemt de tekst hoopvol:

“Er worden nu negen prijsfactoren gebruikt voor ruim 600 verschillende opleidingen. Deze systematiek is verouderd: de relatie tussen de hoogte van de prijsfactor en de kosten van een opleiding is gaandeweg minder direct geworden.”

Dat was al “oud nieuws”, maar dan toont de minister haar luisterend oor: “Bij werkgevers en onderwijsinstsellingen blijkt zorg te bestaan over het voornemen de prijsfactoren af te schaffen. Men vraagt zich af of het dan nog wel aantrekkelijk is om bijvoorbeeld dure techniekopleidingen te blijven aanbieden. (…) Dit alles overziende stel ik voor de aanpassing vand e prijsfactoren te onderzoeken in het licht van de nieuwe kwalificatiestructuur en tot die tijd te blijven werken met de bestaande prijsfactoren.” Zo pakt dus de “zorgvuldige invoering van Focus op Vakmanschap” uit, waar in het regeerakkoord sprake van is. Hulde!

Een ander aspect van bekostiging betreft de invoering van een cascademodel en de effecten daarvan. Een koerswijziging:

“Dat betekent dat stapelen mogelijk moet blijven. (…) Stapelen moet het belang van de leerling dienen. (…) Bij de uitwerking van de cascade wil ik ook dat er een adequate bekostiging is van het vierde leerjaar van opleidingen die 4 jaar mogen blijven.”

Ter afsluiting:

“Het is mijn voornemen om de cascade minder steil te maken dan aanvankelijk werd beoogd. Daarmee wordt bereikt:

  • het inbouwen van een prikkel die onnodig lange leerroutes afremt
  • terwijl tegelijk stapelen mogelijk blijft
  • en er ook bij een vierjarige opleiding sprake is van een adequate bekostiging.”

Binnenkort sta ik waarschijnlijk stil bij de andere brief. Die staat vooral stil bij de wijze waarop intern en extern toezicht op besturen verbeterd dient te worden. Een lastig onderwerp om de balans tussen “werken vanuit vertrouwen” en reageren op gebleken misstanden te bewaken.

Maar voorlopig heb ik er alle vertrouwen in!

Advies aan de (in)formateurs omtrent de toekomst van het MBO

Het actieplan van minister van Bijsterveldt biedt een goede basis om op door te bouwen. Het spreekt aan in de sector omdat het een hoog ambitieniveau kent en omdat het MBO als stevig alternatief gezien wordt voor de HAVO als opstap naar het HBO.

Het is dan ook verstandig om door te gaan op de ingeslagen weg als het gaat om een van de belangrijkste onderdelen uit het actieplan: intensivering van onderwijs. Dit wordt vertaald in:

  • Meer onderwijstijd per leerjaar, waarbij begeleide onderwijstijd en BPV (lees: stage) afzonderlijk benoemd en gewaardeerd worden.
  • Daar waar mogelijk inkorten van vierjarige opleidingen op niveau vier. Door intensivering moet het lukken om deze opleidingen grotendeels terug te brengen naar drie jaar. Dat maakt ook het “tijdsverlies” dat optreedt t.o.v. een leerroute via de HAVO minder groot. Naar mijn idee zal dit voor het grootste deel van de studenten aan het MBO ook motiverend werken. Te vaak horen we nu nog dat onze studenten zich in de school(banken) zitten te vervelen.

Een valkuil hierbij is de inmiddels vaak genoemde AVO-isering van het beroepsonderwijs. Jongeren kiezen niet voor niets voor een beroepsopleiding. Dat zegt iets over wát zij willen leren, maar ook over hóe zij dat willen doen. Om dat vorm te geven kies ik voor de term “modern beroepsonderwijs”. Dat vindt niet plaats in de “traditionele” setting van het klaslokaal, maar juist voor een belangrijk deel in praktijksituaties. Van belang daarbij is dat er voldoende omvang en kwaliteit van begeleiding gewaarborgd wordt. Dus:

  • Moet er ruimte bestaan voor onderwijs in praktijksituaties dat niet als stage, maar als volwaardig begeleide onderwijstijd geldt.
  • Moet onderwijs met behulp van IT, op adequate manier begeleid, meetellen als onderwijstijd.

Toch zou het goed zijn om op dit moment de ingeslagen weg op een aantal punten aan te passen. Wat mij betreft gaat het dan in elk geval om het volgende:

Hef de dreigende beperking van de verblijfsduur op. Een aantal jongeren, met name uit sociaal zwakkere milieus, blijkt baat te hebben bij de mogelijkheid om (langzaam) op te klimmen. Zij beginnen vaak met een opleiding op een niveau dat lager blijkt dan hun ambitie en potentie. Geef hen de kans door te gaan! Zeker met de huidige oplopende jeugdwerkloosheid is beperking van de verblijfsduur contraproductief. Enkele jaren geleden was Nederland succesvol in het voorkomen van jeugdwerkloosheid door maatregelen uit het actieplan jeugdwerkloosheid. Een belangrijk onderdeel van dat actieplan was het stimuleren van jongeren om langer op school te blijven en uiteindelijk op een hoger niveau uit te stromen naar de arbeidsmarkt. Op die manier werd voorkomen dat zij te snel in de bakken van het UWV terecht zouden komen. Bovendien werden ze, door het bereiken van een hoger niveau,  beter inzetbaar op de arbeidsmarkt.

Zorg voor betaalbaarheid van duurdere opleidingen. Dit geldt met name in de sector techniek. Het is terecht dat gekeken wordt naar manieren om de financiering van  het MBO te vereenvoudigen. Dat kan door het aantal verschillende bekostigingsfactoren, zoals momenteel gehanteerd, te verkleinen. Maar dit dreigt door te schieten als we alles over één kam gaan scheren. Los van directe financiële gevolgen hiervan dreigt het op deze manier zeer onaantrekkelijk te worden om juist de opleidingen die we zo hard nodig hebben in de lucht te houden.

Houd rekening met regionale verschillen. Stimuleer samenwerking/afstemming scholen, bedrijven en overheid juist ín de regio. Daar moet gekeken worden of en hoe opleiding en (toekomstige) arbeidsmarkt bij elkaar passen. Centrale, landelijke regie op dit onderwerp leidt al snel tot maatregelen die in een bepaalde context een averechts effect hebben.

Voorkom té smalle vakopleidingen. Om de algemene vorming én de duurzame inzetbaarheid van de toekomstige werknemers te waarborgen is het van belang dat het MBO een brede basis biedt. In overleg met het regionale bedrijfsleven zou deze basis aangevuld moeten worden met relevante specialisaties. De betaalbaarheid van ons onderwijs wordt bevorderd als die specialisaties aangeboden worden in en/of met het bedrijfsleven. Op die manier wordt zowel de afstemming tussen onderiwjs en arbeidsmarkt bevorderd, als het streven naar een leven lang leren in de lucht gehouden.

PvdA, ook als het om onderwijs gaat

Het kon niet uitblijven: de vraag waarom ik PvdA kies, met het oog op de plannen van die partij voor het onderwijs. Ik probeer er hier iets over te zeggen, met de kanttekening dat ik niet op een partij stem vanwege één onderwerp. Ik ben PvdA-er vanwege de koers, het kompas, zoals Diederik Samsom dat gisteren noemde. En die koers vat ik samen met de woorden solidair, duurzaam, eerlijk, … (lijkt me een helder rijtje dat je altijd aan kunt vullen).

Maar wat wil die PvdA nou met het onderwijs? En zie ik die plannen zitten. Tijdens een feestelijke verkiezingsavond zei Samsom gisteren dat het gaat om drie dingen: “onderwijs, onderwijs en onderwijs”.  Dat klinkt mooi, maar wat betekent dat. Hopelijk gaat de PvdA deze vraag niet verengen tot een financiële kwestie. D’66 schermt met miljarden die in het onderwijs geïnvesteerd worden, maar we weten dat dat op zich niet betekent dat het onderwijs (lees: de leerling./student) er beter van wordt. De SP gaat bezuinigen op onderwijs, maar rechtvaardigt dat met de uitspraak dat het niet ten kosten van leraar en leerling gaat. Die miljard wordt gehaald bij de bestuurders/managers, waar we blijkbaar wel met wat minder kunnen. Ik betwijfel sterk of daar zoveel te halen valt en ga niet meedoen met de retoriek dat het allemaal de schuld is van die “duurbetaalde bovenlaag”, al was het maar omdat ik er zelf deel van uitmaak. Het gros van de leidinggevenden zit volgens mij in het onderwijs met de ambitie om goed onderwijs voor alle leerlingen en studenten mogelijk te maken. Daarvoor wil je een goede werkgever zijn voor de docenten die dat onderwijs verzorgen en je wilt een goede partner zijn voor andere scholen en overige bedrijven/instellingen waar je met die ambitie in het achterhoofd mee samenwerkt.

Terug naar de PvdA. Daar is onderwijs een van de zeven onderwerpen die in het voorjaar een plek innamen in het document waarmee de partij haar koers presenteerde. Samengevat maakt de PvdA de volgende keuzes voor wat betreft onderwijs:

De PvdA investeert in het onderwijs zodat meer tijd van beter opgeleide docenten ten goede komt aan leerlingen die daardoor verder komen in hun ontwikkeling en Nederland sterker maken voor de toekomst.

  • De uniforme norm van 1040 uur gaat van tafel. Er komt ruimte voor maatwerk.
  • Meer inzet op taal- en rekenonderwijs.
  • Meer ruimte en middelen voor initiatieven als de werkschool en Vakscholen.
  • Grenzen stellen aan de omvang van klassen, locaties en besturen.
  • Een sociaal leenstelsel in het Hoger Onderwijs tbv investeringen in het onderwijs.

Ik vul het aan met enkele citaten uit de uitwerking die mij in elk geval aanspreken:

“Veel leerlingen zijn gebaat bij structuur, regelmaat en stevige begeleiding in het onderwijs. Ook hier geldt weer: geen eenvormige oplossingen. Afhankelijk van leeftijd en schooltype moet een kritische evaluatie van de huidige pedagogiek en didactiek worden gemaakt.”

”Het verlagen van onze verwachtingen voor kinderen op basis van hun afkomst is funest voor hun kansen. Daarnaast moeten we zorgen dat de effectiviteit van het ingezette extra onderwijsgeld fors omhoog gaat.”

Verder noem ik enkele punten die me aanspreken in de PvdA-plannen voor onderwijs:

  • Geen marktwerking en daarbij passende concurrentie, maar een verstandige afweging per regio over de vraag wat een gewenst opleidingenaanbod is.
  • Herwaardering van het (middelbaar) beroepsonderwijs, de sector die zorgt voor de opleiding van 60% van de Nederlandse bevolking en daarmee voor de kurk waarop de economie drijft.
  • Een pleidooi voor een verstandige maatvoering als het gaat om schaalgrootte op het niveau van klas, school(locatie) en bestuur. Hierover worden enkele voorzichtige uitspraken gedaan, maar het gaat er vooral om dat we met elkaar die discussie gaan voeren.

 Tenslotte sta ik stil bij twee onderwerpen die, bijvoorbeeld via Twitter, steeds weer boven komen drijven in de discussies over onderwijs(politiek):

  • De positie van docenten
  • De omvang van instellingen

Bij beide zaken lopen we het risico om te simplificeren. Dat eindigt bij volledige autonomie van docenten in kleine scholen. Alsof docenten en kleine scholen persé goed zijn.

 Wat mij betreft zijn de docenten de professionals in een school waar de kwaliteit van de school voor het grootste deel door bepaald wordt. Ook uit onderzoek komt dat steeds weer naar voren: op een goede school lopen goede docenten rond.

Binnen het MBO werken we sinds enige tijd met een professioneel statuut waarin beschreven staat op welke manier docenten in de gelegenheid gesteld worden die professionaliteit in te zetten in het vormgeven van goed onderwijs. Daarin staat ook dat zij daarbij, als team, de nodige autonomie hebben. Wat mij betreft een voorbeeld dat navolging verdient.

Uiteraard plaats ik daar een paar kanttekeningen bij:

  • Het is niet zo dat binnen de scholen leiding en docenten zo sterk tegenover elkaar staan als sommigen beweren. Het lijkt soms alsof binnen die scholen de klassenstrijd weer opnieuw vorm krijgt. Volgens mij gaat het juist om het zoeken van goede vormen van samenwerking waarbij allen binnen de school betrokken zijn op basis van eigen positie en kwaliteiten.
  • Bij professionele ruimte en autonomie hoort ook professionele verantwoording. Dat kan bijvoorbeeld uitgewerkt worden door de instelling van een lerarenregister waarin docenten aantonen dat zij (blijven) voldoen aan de eisen die gesteld worden aan die professionaliteit.
  • Het uitwerken van een professioneel statuut moet wat mij betreft gebeuren op basis van vertrouwen over en weer. Als dat vertrouwen ontbreekt zal het leiden tot allerlei regeltjes en bureaucratie die slechts de indruk wekken dat iedereen voldoet aan verplichtingen.

 Er is al lange tijd veel te doen over de omvang van onderwijsinstellingen. Ik gaf al eerder aan dat het een goede zaak is om die discussie met elkaar te voeren. Kern is daarbij volgens mij dat leerlingen/studenten en docenten zich thuis moeten voelen binnen hun school. Kennen en gekend worden zijn daarbij essentiële zaken. Ik blijf van mening dat dat prima binnen een wat grotere constellatie gerealiseerd kan worden.

Als ik naar mijn eigen (middelgrote) school kijk, zie ik nog enkele voordelen in het hebben van enige omvang als organisatie:

  • Het brede aanbod van opleidingen maakt het mogelijk om soepel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Zo zie je in het MBO een toenemende aandacht voor zaken als:
    • ICT-toepassingen in de zorg
    • Procestechniek in de voedingstechniek

Doordat de ene opleiding deskundigheid kan halen bij een andere opleiding is dit relatief snel om te zetten in modern beroepsonderwijs dat aansluit bij ontwikkelingen in het werkveld.

  • Het lukt ons om op het gebied van (extra) zorg en begeleiding de nodige voorzieningen in te richten en overeind te houden, juist ook doordat we wat groter zijn. Dat biedt ruimte om mensen in staat te stellen zich daarop te specialiseren of om afspraken te maken met instanties die hierop meerwaarde bieden.

Op een aantal onderwerpen is er soms sprake van enige spanning tussen mijn denken en de lijn van de PvdA. En dat hoort ook zo, want de waarheid heeft niemand in pacht. Gelukkig vind ik binnen de partij voldoende plek om over deze zaken van gedachten te wisselen. Dat hoort ook bij mijn keuze: dialoog en (soms) debat!

Een kwestie van kiezen

We hebben in Nederland een groeiend probleem: een tekort aan technisch opgeleide mensen!  Dit tekort groeit extra snel omdat steeds minder jongeren kiezen voor een technische opleiding. Met name in dunbevolkte delen van het land lijkt dit probleem al in alle hevigheid los te barsten.Zo hoorde ik eergisteren een ondernemer vertellen dat hij naast zijn hoofdkantoor in Friesland, inmiddels twee andere vestigingen geopend had, enkel en alleen om dichter bij de doelgroep te zitten van mensen die hij nodig heeft om zijn (groei-)ambities waar te maken.

In deze tijd van verkiezingen kijk ik natuurlijk extra nieuwsgierig naar de oplossingen die politieke partijen voor dergelijke problemen denken te bieden. Voor wat betreft bovenstaand probleem ben ik dan niet optimistisch. Ik schets twee van de geboden oplossingen:

  1. De Partij van de Arbeid stelt voor om het collegegeld voor technische studies af te schaffen. De inkomstenderving die daardoor voor de staat ontstaat zou in samenspraak met het bedrijfsleven aangepakt moeten worden.
  2. De VVD ziet de oplossing in betere voorlichting. Iedere studie zou aan aspirant-studenten informatie moeten bieden omtrent de kansen die de desbetreffende studie biedt op een baan en de verwachtingen die je mag hebben ten aanzien van salaris/arbeidsvoorwaarden.

Van mij mag het collegegeld afgeschaft worden voor alle studies. En eerlijke voorlichting, inclusief de onderwerpen die de VVD aankaart, lijkt me eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Tot zover niets aan de hand. Maar … los je hiermee het geschetste probleem op? Dat is immers de pretentie waarmee beide partijen deze maatregelen voorstellen. Ik vrees het ergste.

Deze voorstellen, hoe verschillend ook, gaan uit van een bepaalde visie op het keuzeproces van jongeren. Dat is blijkbaar een behoorlijk rationeel afwegen van voor- en nadelen, op korte en op langere termijn. Dat nu, is volgens mij een misvatting. En daarin sta ik niet alleen. 

In opdracht van de Taskforce Jeugdwerkloosheid verscheen in oktober 2004 een quick scan onder de titel: “Jongeren op weg naar opleiding en werk”. (zie voor volledig rapport: http://docs.szw.nl/pdf/129/2004/129_2004_3_6553.pdf) Daarin wordt ingegaan op de vraag hoe jongeren een vervolgopleiding en een beroep kiezen. Een citaat:

Äls je weet dat een bepaalde opleiding geen goede toekomstperspectieven biedt, dan zal ik die opleiding niet willen kiezen.

Tenzij het een hobby is of ik het echt heel graag wil. Dan wel” 


Het laatste deel heb ik expres dikgedrukt, omdat het volgens mij van doorslaggevend belang is. Het geeft aan dat er hele andere zaken meespelen.

In hetzelfde rapport staat vermeld wie de keuzes van jongeren het meeste beïnvloeden. De top vier:

  1. niemand (45%)
  2. ouders (44%)
  3. vrienden (18%)
  4. familie (17%)

Voor school is hier dus slechts een zeer bescheiden rol weggelegd. En wat zijn dan de belangrijkste motieven voor een opleidingskeuze:

  • De opleiding zelf lijkt leuk (49%)
  • Het werk, dat ze kunnen gaan doen, lijkt aantrekkelijk (37%)
  • Mensen om hen heen adviseren het (35%)

Nog een citaat, speciaal voor vrienden van de VVD: “Maar 15% kiest de opleiding vanwege het geld dat ze kunnen gaan verdienen.”

Een oplossing van het dreigend tekort aan technici is volgens mij niet eenvoudig te vinden. De genoemde maatregelen zullen het volgens mij in elk geval niet brengen. Om iets meer zicht te krijgen op een oplossingsrichting ga ik te rade bij het zogenaamde Bètamentality model (zie www.betamentality.nl).

De kracht van dit model zit hem in het feit dat het gebaseerd is op behoorlijk grootschalig onderzoek onder de doelgroep. Bovendien wordt op basis van dat onderzoek verschillende benaderingen gekozen worden voor vier verschillende doelgroepen:

Ik schets in het kort de vier doelgroepen en zeg iets over een mogelijk succesvolle benadering:

Concrete Bètatechnici, (31%):

  • houdt van techniek, 
  • is praktisch en nieuwsgierig (“hoe werkt dat?”)
  • wil iets in de techniek, maar weet nog niet goed wat
  • kiest graag een opleiding die brede oriëntatie mogelijk maakt
  • verwacht wel een goede baan en dito inkomen, maar dat is niet van invloed op hun keuze

Carrière Bèta’s (28%):

  • geniet van technische innovatie
  • meer affiniteit met theorie dan met praktijk
  • geïnteresseerd in status en carrière (hechten dan ook belang aan te verwachten salaris)
  • negatief imago van techniek verhindert keuze voor techniek
  • kiezen eerder voor iets economisch

Mensgerichte generalisten (28%):

  • geen specifieke interesse voor techniek
  • houden van leren en studeren (en kunnen dat ook vrij goed)
  • kiezen voor een baan die ze leuk vinden, waarmee ze nuttig zijn voor maatschappij
  • kiezen niet met oog op status of beroepsperspectief
  • komen moeilijk tot een keuze voor een opleiding/beroep

Non Bèta’s (13%):

  • hebben (bijna) aversie tegen techniek, “niet leuk, saai, ouderwets”
  • oriënteren zich uitgebreid op vervolgopleiding, maar zoek daarbij in hele andere hoeken dan techniek

Met deze gedachten in het achterhoofd, zouden politieke partijen terughoudend moeten zijn met het bieden van ogenschijnlijk eenvoudige oplossingen voor dit complexe probleem.


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën