Posts Tagged 'ROC'

MBO-colleges … niet alleen het verkeerde medicijn, maar is de patiënt wel ziek?

Afgelopen week verscheen een brief van de minister van onderwijs aan de tweede kamer. Hierin beschrijft zij hoe ze in de komende tijd de menselijke maat in het MBO wil stimuleren en samenwerking tussen scholen wil bevorderen. Met name dat eerste deel kwam vervolgens stevig in de pers terecht en werd vertaald als “minister wil MBO-instellingen splitsen”.

Op dat onderdeel wil ik hier ook vooral ingaan, maar niet zonder te zeggen dat het vormen van samenwerkingscolleges als instrument om samenwerking te bevorderen in mijn ogen veel mogelijkheden biedt, mits het ook leidt tot afschaffing van de nodige regelgeving die die samenwerking tot nu toe weliswaar niet onmogelijk maakt, maar zeker ook niet bevordert.

Maar goed … die menselijke maat. Daarvoor presenteert de minister een drietal samenhangende oplossingen waarmee dit, ook volgens de minister complexe, probleem opgelost zou moeten worden.

Eerst maar eens het probleem en de analyse van dat probleem. Dat het op dat gebied niet heel stevig staat, blijkt voor mij al uit een van de eerste zinnen hierover. Daarin wordt gesproken over “het onbehagen (bij veel betrokken partijen) over de grote mbo-scholen, de ‘leerfabrieken’. JAMMER, maar hier wordt al direct een blunder gemaakt! De term “grote mbo-scholen” zegt iets over aantallen (studenten, met name). De term “leerfabrieken” zegt iets over de kwaliteit van hoe het eraan toegaat in school. Door dat in één zin aan elkaar te koppelen wek je de indruk dat dat direct samenhangt. Daar is echter geen enkel bewijs voor.

De conclusie dat het onderwijs niet te grootschalig mag zijn, wijst dan ook wel in de richting van actie om leerfabrieken te voorkomen, maar zegt niets over de omvang van de organisaties waarin dat leren plaatsvindt.

Het wordt er overigens niet sterker op als de minister voor de zoveelste keer komt met het voorbeeld van Amarantis om haar betoog te staven. Ook inhoudelijk niet als zij beweert dat daar “onderwijskwaliteit en belangen van studenten ondergeschikt (waren) aan het vergroten van het marktaandeel.” Dat is een prima argument om nog eens goed te kijken naar het concurrentiedenken en de ruimte voor marktwerking waar we in de publieke sector steeds weer mee geconfronteerd worden. Maar daarover schrijft de minister later weer dat ze dat, onder de noemers “diversiteit” en “keuzevrijheid” juist graag in stand houdt.

Kortom, een tekortschietende probleemstelling en wankele analyse. Wellicht niet vreemd, want het is ook niet eenvoudig. De minister schrijft het zelf: “We zien dat grote instellingen de menselijke maat in het onderwijs proberen te versterken”. Ze willen wel, aldus de minister, maar het is ook erg complex. Vreemd dat ze zo’n complex probleem op zo’n eenvoudige wijze denkt op te lossen ….

Dan maar eens kijken naar de oplossingen die de minister in haar brief presenteert. Dat zijn er drie:

  1. Grote instellingen moeten zich opsplitsen in “kleinschalige mbo-colleges”.
  2. Scholen moeten zich, in het kader van de kwaliteitsafspraken, verantwoorden over de wijze waarop zij zich kleinschalig organiseren.
  3. De instelling van een collegedirecteur als onderwijskundig leider moet leiden tot hogere kwaliteit.

MBO-colleges

Instellingen die groter zijn dan 5000 studenten moeten zich opsplitsen en komen tot een gemeenschap van mbo-colleges. Die kleinere eenheden zouden moeten leiden tot kleinschalig en herkenbaar onderwijs.

De minister haalt enkele voorbeelden aan van instellingen die zich al in deze richting ontwikkelen. Zij wil hen graag de wind in de rug geven. Maar …

  • Ervaren deze scholen dit ook daadwerkelijk als wind in de rug?
  • Is de geschetste problematiek in deze scholen ook daadwerkelijk niet of minder aanwezig? Hoe is dat in vergelijking met andere scholen die kleinschaligheid op een andere manier vormgeven?
  • Waarom met het steunen van een aantal goede voorbeelden gebeuren in de vorm van een verplichting voor iedereen?

“Want studenten presteren beter als ze het gevoel hebben dat ze door docenten gekend, gehoord en gemist worden”, aldus de brief van de minister. Dat is waar en wordt ook door onderzoek onderschreven. Maar gaat dat lukken in mbo-colleges van enkele duizenden studenten?

Voorlopig blijf ik denken dat het zaak is om onderwijs in te richten rondom teams die verantwoordelijk zijn voor een of enkele (samenhangende) opleidingen. Daarbij denk ik aan een omvang die bovenstaand citaat mogelijk maakt. Maar dan organiseer je op een heel andere schaal dan de schaal van een mbo-college. En dat zegt (nog) niets over de grootte van de overkoepelende organisatie, of dat nu een mbo-college of een ROC heet te zijn.

Kwaliteitsafspraken

Nog niet zo lang geleden is het mbo gestart met het maken en realiseren van zogenaamde kwaliteitsafspraken. Rondom een aantal thema’s zijn kwaliteitsplannen gemaakt die op de desbetreffende gebieden moeten leiden tot hogere kwaliteit. Daarvoor krijgen scholen extra middelen, deels prestatieafhankelijk.

Het thema “kleinschaligheid” lijkt nu toegevoegd te worden aan de onderwerpen die in het kwaliteitsplan aan bod moeten komen. Maar we zijn net begonnen! Zullen we eerst eens een keer kijken of dat wat we hiermee willen bereiken, kwaliteitsverbetering, ook daadwerkelijk bereikt wordt?

Op deze manier lijkt het idee van kwaliteitsafspraken en –plannen vooral een instrument waarmee scholen gedwongen worden om zich steeds uitgebreider te verantwoorden over onderwerpen die de minister aangepakt wil zien worden.

Die verantwoordingslast wordt overigens, als de minister haar zin krijgt, ook op een andere manier sterk vergroot. Het vormen van mbo-colleges is namelijk niet verplicht. Onder voorwaarden is het mogelijk af te wijken (instemming OR en SR, onderwijskundige argumenten en kwaliteit op orde). Maar … zelfs als aan die voorwaarden is voldaan dient hierover verantwoording afgelegd te worden in het jaarverslag.

Collegedirecteur

De collegedirecteur is een nieuwe functie, te plaatsen tussen CvB en de direct leidinggevenden. In veel scholen zal een dergelijke functie, onder een andere naam, al bestaan (vestigingsdirecteur, sectordirecteur, onderwijsdirecteur, …). De minister ziet de collegedirecteur als een antwoord op de roep om meer onderwijskundig leiderschap.

Dat laatste is overigens terecht, want een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar de scholen mee bezig zijn.

Maar moet dat leiderschap bij een collegedirecteur komen te liggen, met de verantwoording over enkele duizenden studenten (en dus ook honderden docenten)? Moet dat niet veel meer liggen in de onderwijsteams en bij degene die direct verantwoordelijk is voor begeleiding van en leiding aan de onderwijsteams?

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsbestel is een bijzonder bestel met een grote mate van autonomie voor scholen en schoolbesturen. Dat heeft voor- en nadelen. Als dat leidt tot slechte kwaliteit moet de minister in kunnen grijpen. Het gaat immers om ónze jeugd, ónze maatschappij (en ónze belastingcenten).

Maar deze ingreep is te drastisch, lost een probleem op dat op veel plaatsen niet bestaat (zie ook de interviews met studenten in de afgelopen dagen) en denkt een complex cultuurprobleem op te lossen met een simpele structuuringreep… dat heeft nog nooit gewerkt en dat had de minister toch wel geleerd mogen hebben.

Voor tweede keer stoten aan dezelfde steen? Geloof in marktwerking onderwijs blijft bestaan

Op 29 januari nam ik deel aan een rondetafelgesprek van de kamercommissie van OCW. Onderwerp was de ontwikkelingen rondom volwasseneneducatie. Een onderwerp waar verkeerde dingen gebeuren terwijl veel te weinig mensen zich er druk om maken. Hier mijn tekst:
Bijdrage Ronde Tafel Gesprek Volwasseneducatie (29-1-2014)

Problemen/uitdagingen
In de afgelopen jaren is de focus van VE steeds scherper geworden. Daarmee is ook veel verloren gegaan aan opleidingen en cursussen die zich in de volle breedte richtten op het optimaliseren van participatiemogelijkheden van desbetreffende doelgroepen.
In de afgelopen jaren was sprake van een forse terugloop van beschikbare middelen. OP macroniveau van 350M naar 50M; op de instelling waar ik werk van ongeveer 5,7M naar 1,5M (VAVO isnin beide bedragen niet meegenomen!).
De beperkte middelen noodzaakten tot het maken van keuzes en daarmee tot het aanscherpen van de focus. Nu is die focus met name gericht op het thema “laaggeletterdheid”.

Aanpak laaggeletterdheid
Wij hechten grote waarde aan de professionaliteit van de uitvoering als we spreken over laaggeletterdheid. Het gaat hier om een vak dat niet eenvoudig overgenomen kan worden door vrijwilligers, ook niet nadat zij een beperkte mate van scholing ontvangen hebben. Misschien moeten we die bijzondere term “educatie” wel heroverwegen. Daarmee wordt voortdurend een onderscheid gemaakt met al het overige “onderwijs”. Maar dit is gewoon een vorm van onderwijs, zoals voortgezet, hoger, universitair …
Let wel, we spreken hier niet (meer) over het aanleren van dagelijkse taalvaardigheden, zoals we dat begin jaren tachtig kenden bij het lesgeven aan zogenaamde Nieuwe Nederlanders. Als vrijwilliger kun je iemand prima het verschil tussen een tafel en een stoel aanleren. Maar het taalniveau waarop iemand in Nederland volwaardig kan participeren gaat over andere dingen. Over abstracte begrippen, over juiste toepassing van grammaticale regels, over semantische nuances, over het adequaat omgaan met een steeds verder gedigitaliseerde (taal)omgeving.
Het is niet voor niets dat in het onderwijs zoveel aandacht aan taal- en rekenniveau besteed wordt. Voor volwaardige kansen op participatie, en zeker voor een reële kans op werk, worden op dit vlak forse eisen gesteld. Dat kan slechts waargemaakt worden als ook de begeleiding aan hoge professionele eisen voldoet.
Op de basisschool krijgen jongeren acht jaar de tijd om zich, onder professionele begeleiding, deze vaardigheden eigen te maken. Volwassenen krijgen minder tijd en ook aan de kwaliteit van de begeleiding dreigt geknabbeld te worden,
Onze afdeling voor volwasseneneducatie heeft in de afgelopen jaren, samen met gemeenten, gewerkt aan de ontwikkeling van een stevige infrastructuur. Daarbij werden lessen gegeven op plaatsen die zich zo dicht mogelijk bij de doelgroep bevonden. Daarbij ging het niet per definitie om schoolgebouwen, maar in principe om locaties die door de doelgroep als laagdrempelig beschouwd worden. Denk aan buurthuizen, verenigingsgebouwen, bibliotheken, basisscholen, etc.
Met name op het platteland dreigt de verlaging van het beschikbare budget te leiden tot een afbraak van deze dringend gewenste fijnmazige infrastructuur.

Effecten bekostiging
Al eerder wees ik op de forse terugloop van het beschikbare budget voor volwasseneneducatie. Het is niet meer dan logisch dat het aanbod daardoor verschraalt. Wij zijn blij met het gegeven dat in elk geval de VAVO-middelen zijn veiliggesteld voor de komende periode. Daarmee kan deze voorziening, die een belangrijke rol speelt in het toeleiden naar een hoger kwalificatieniveau van bepaalde groepen, in stand blijven.
Het resterende, beperkte budget voor educatie blijft nu bij de gemeente. Zijn zijn vrij in het kiezen van de uitvoerder. Daarmee komt het budget op de vrije markt, vergelijkbaar aan de ontwikkelingen rondom inburgeringsmiddelen in de periode rond 2007-2008. Blijkbaar hebben we daar weinig van geleerd. Naast het mogelijke principiële standpunt dat een dergelijke publieke voorziening niet onderhevig moet worden aan de vrije marktwerking, hebben we ook gezien dat deze beweging een nadelig effect heeft op de kwaliteit en het voorzieningenniveau.
Veel tijd (en geld!) gaat zitten in omslachtige aanbestedingsprocedures. Veel gemeenten dachten goedkoper uit te zijn, maar bleken een kat in de zak gekocht te hebben. Naast publieke instellingen en kwalitatief hoogwaardige private opleiders, vonden ook de zogenaamde “vrije jongens” deze doelgroep. Met personeel dat gebukt ging onder zeer matige arbeidsvoorwaarden konden zij trajecten aanbieden waar, zeker met de onderwijs-cao, niet tegen te concurreren viel.
Het gefaseerd toebrengen van de middelen naar de vrije markt is voor scholen een welkome maatregel. Zowel met het oog op zorgvuldig omgaan met personeel als op het inspelen op de nieuwe situatie biedt dit meer mogelijkheden. Het blijft echter een uitsmeren van de pijn. De pijn wordt er in totaal nauwelijks minder van.
De beperkte middelen die gemeenten krijgen betekenen ook, zeker in combinatie met andere bezuinigingsopdrachten die zij moeten realiseren, dat kansen voor jongeren en ouderen die niet als vanzelf mee kunnen in het scholingssysteem dat we in Nederland kennen, steeds kleiner worden. Scholen komen steeds meer buiten spel te staan als het deze groep betreft. Gemeenten hebben steeds minder middelen beschikbaar om alternatieven te ontwikkelen en te financieren waarmee deze doelgroepen alsnog de draad van “leven en leren” op kunnen pakken.

“Waar voor je geld” of “Kat in de zak”? … over marktwerking in het onderwijs

In de tweede helft van het vorige decennium werd besloten om het verzorgen van inburgeringscursussen over te dragen van de gedwongen winkelnering bij bekostigd volwassenenonderwijs naar de vrije markt.
Ondanks de desastreuze gevolgen die dat had, lijken er geen lessen geleerd te zijn nu de minister ook educatie-activiteiten rondom Nederlands (al dan niet als tweede taal) en rekenen vrij wil geven aan de markt. Dit voornemen maakte zij 16 mei jl. bekend in een brief aan de Tweede Kamer.

Wat is de huidige situatie?
Gemeenten krijgen jaarlijks middelen t.b.v. de educatie van hun inwoners. Het gaat daarbij om onderwerpen als basisvaardigheden, taal, rekenen en Nederlands als tweede taal.
Gemeenten zijn verplicht om deze middelen te besteden bij een ROC, maar zij zijn vrij in de keuze van een ROC voor zover deze activiteiten in het aanbod van dat ROC zitten. De praktijk is dat gemeenten, voor zover mij bekend, nagenoeg altijd besteden bij het ROC in de regio. Het voordeel van deze (zij het beperkte) gedwongen winkelnering is dat er een historie van samenwerking kon ontstaan. Er is sprake van wederzijdse afhankelijkheid, die partijen dwingt om met elkaar een partnerschap te ontwikkelen dat leidt tot optimale kwaliteit.

En nu?
In haar brief kondigt de minister aan deze vorm van verplichte winkelnering los te laten. Passend bij de trend van decentralisatie houden gemeenten wel het budget, maar zij zijn vanaf 1-1-2015 vrij om te bepalen waar besteding plaatsvindt.
Klinkt logisch. Zo heb je een maximale kans op “waar voor je geld”. Maar de geschiedenis leert ons andere lessen. In plaats van “waar voor je geld” koop je op deze manier waarschijnlijk een “kat in de zak”.

Wat is het probleem?
Marktwerking is niet altijd een verstandige strategie. Zeker in de publieke sector is het zaak er voorzichtig mee om te gaan. Waarom geldt dat ook hier?
Divers onderzoek heeft uitgewezen dat de kwaliteit van het onderwijs niet toenam ten gevolge van marktwerking. Dat is te verklaren. Bij de aanbesteding van educatie-activiteiten ging het al snel niet meer om de kwaliteit, maar om de kosten. Gemeenten wilden, al dan niet gedwongen door openbare aanbestedingstrajecten, “voor een dubbeltje op de eerste rang zitten”.
Daar kwam bij dat de druk op het gemeentelijk apparaat fors toenam ten gevolge van de aanbesteding van onderwijs. Veel gemeenten kregen het niet voor elkaar, waardoor het aantal deelnemers fors achterbleef bij de verwachtingen.
Verder is er bij marktwerking in het onderwijs geen sprake van een “level playing field”. Door hun gebondenheid aan bekostigingsvoorwaarden en CAO-afspraken, zijn ROC’s niet in staat tot een gelijke concurrentie met andere aanbieders. Opgebouwde expertise ging daardoor verloren en de rechtspositie van docenten kwam onder druk te staan.

Conclusie
De minister lijkt hier niet te willen leren van het verleden. Zij toont daarmee aan geen ezel te zijn … die stoot zich immers geen twee keer aan dezelfde steen.

Samenwerken is meer … gedeelde visie (1)

Samenwerken is mensenwerk. Bij een van onze samenwerkingspartners spreken we niet meer over studenten, cursisten, leerlingen of zo, maar over medewerkers in opleiding. Dat zegt iets over je visie op de positie van deze mensen in het bedrijf. Het zegt overigens ook iets over je visie op opleiden, maar daarover een andere keer.
Omdat het bij de samenwerking tussen school en bedrijf altijd gaat over opleiden van mensen, moet je op een aantal wezenlijke elementen een gedeelde visie hebben. Hoe je mensen opleidt/op wilt leiden wordt voor een belangrijk deel bepaald door de visie die je hebt op die mensen zelf. In schooltermen: is de leerling iemand die probeert met zo min mogelijk inspanning een diploma te halen of is het iemand die echt beter wil worden in een vak of op een gebied dat hem aanspreekt.
Uitgaan van het eerste is volgens mij het bankroet van het onderwijs. Als het waar is dat de leerling het “slechts” doet voor “het papiertje” dan is het niet meer nodig om bevlogen docenten te hebben en doordachte aanpakken. Nee, dan moeten we hem wegwijs maken op internet en introduceren in de trucs die nodig zijn om op het juiste moment te scoren. Dat is wat we al enigszins zien bij de manier waarop basisschoolleerlingen voorbereid worden op de CITO-toest. Het gaat dan alleen nog maar om een goed resultaat, niet om een resultaat waar je wat aan hebt.

Wat mij betreft baseren we onderwijs op het uitgangspunt dat de jongeren die we in de scholen hebben willen groeien, als vakman en/of als mens. Als je dat écht denkt, dan kan het niet zo zijn dat dat stopt op het moment dat deze jongeren de school verlaten en als medewerker in dienst treden bij een werkgever.
Het gaat dus nooit om je visie op leerlingen, maar om je visie op mensen. Daarover hieronder een aantal gedachten. Deze zijn voor een belangrijk deel ontleend aan de uitgangspunten die bij ons op school gehanteerd worden in de zogenaamde Sprint2-methodiek. Oorspronkelijk ontwikkeld voor effectief NT2-onderwijs, maar inmiddels ook uitgewerkt voor andere onderwerpen, blijkt dit een aanpak te zijn die zeer motiverend werkt voor studenten én docenten. Wat mij betreft met de kanttekening dat het een aanpak is die gebaseerd is op een aantal belangrijke uitgangspunten. Wie die niet onderschrijft, loopt het risico dat de methodiek een kunstje wordt. Zoals eerder gesteld: ik pleit voor kunst niet voor kunstjes!
Voor meer informatie over Sprint2 verwijs ik naar het weblog van de geestelijk vader: http://www.jandeutekom.nl

Terug naar de visie op mensen, het mensbeeld dat wat mij betreft ten grondslag ligt aan samenwerking tussen school en bedrijf. Of het nou gaat om initieel opleiden, om na- en bijscholing, of om ontwikkeling van medewerkers op welke andere manier dan ook, het gaat er hier om dat mensen groeien. Ze worden beter in wat ze doen of ze leren om ook andere dingen te doen.
Om dat te faciliteren ga ik uit van een aantal zaken:

  1. mensen groeien als ze verantwoordelijkheid (moeten) dragen
  2. mensen groeien niet als je ze laat doen wat ze (al lang) kunnen
  3. groeien doe je samen
  4. mensen groeien als er hoge verwachtingen van hen bestaan
  5. mensen ontwikkelen zich als er een bepaalde noodzaak bestaat
  6. in navolging van Daniel Pink denk ik dat mensen gemotiveerd worden door:
  • voldoende autonomie (zoals eerder gezegd: geef hen verantwoordelijkheid; laat hen zelf mee bepalen hoe ze een taak aanpakken)
  • een helder doel (zie ook het belang van noodzaak: je moet weten waarom je iets doet)
  • het verlangen om beter te worden in wat ze doen (maar dat verlangen vraagt ook dat we dat van hen blijven verwachten)

Meer hierover in de prachtige animatie van RSAnimate: http://www.youtube.com/watch?v=u6XAPnuFjJc

Samenwerken is meer …

Vakantietijd is natuurlijk ook nadenktijd. Iets meer rust dan gebruikelijk geeft je de kans om eens te bedenken hoe het beter zou kunnen. Voor mij blijft dat draaien om de zoektocht naar modern beroepsonderwijs.

Ik heb daar een aantal globale gedachten over die ik in de komende weken probeer uit te werken. of het een consistent en steekhoudend verhaal wordt, kan ik niet voorspellen. Hopelijk zijn er wat mensen die ondanks (of dankzij) de vakantie wat tijd nemen om te lezen en te reageren. Daar wordt het alleen maar sterken van.

Modern beroepsonderwijs vereist een verregaande samenwerking tussen scholen en bedrijven of andere organisaties waar de afgestudeerde vakmensen aan het werk willen/moeten kunnen komen. Alleen échte samenwerking voorkomt dat we naar elkaar kijken en denken dat de ánder het verkeerd aanpakt. Dat is immers het kenmerk van alle (volgens mij goeddeels mislukte) aansluitingsprojecten die we de afgelopen twintig jaar gezien hebben.

Maar echt samenwerken doe je niet zomaar! Dan moet je echt wat met elkaar willen delen. Ik heb het nu in drie delen benoemd:

  • gedeelde visie
  • gedeelde ambitie
  • verregaande integratie

Een korte uitwerking per onderdeel:

Gedeelde visie
Samenwerken is ook gewoon “werken”. En je manier van werken ontstaat niet zomaar. Die kun je ook niet zomaar even aanpassen, want dan wordt de kunst van het werken een “kunstje”.
In organisaties wordt op een bepaalde manier gewerkt. Die werkwijze wordt bepaald door de visie die men heeft op relevante aspecten. In het kader van beroepsonderwijs en samenwerking tussen school en bedrijven denk ik daarbij aan:

  • de visie op mensen (vanuit welk mensbeeld geef je het werk van de organisatie vorm)
  • de visie op bestuur en management (hoe geef je je organisatie vorm, welke functies zet je daarbij in en welke stijl van leidinggeven hanteer je?)
  • de visie op leren en werken (hoe leren mensen, hoe werken mensen in een bepaalde bedrijfstak, hoe verwacht men dat leren en werken zich in de toekomst ontwikkelen?)

Gedeelde ambitie
Samenwerken doe je niet zo maar. Je doet het (hopelijk) wel mét plezier, maar niet vóór je plezier. Je doet het om iets te bereiken en in die ambitie moet iets gemeenschappelijks zitten.
Dat vraagt om een gemeenschappelijke beantwoording van vragen als:

  • wat voor organisatie willen we zijn?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties onderling?
  • hoe zien we de relatie tussen de betrokken organisaties en hun omgeving?
  • wat willen we betekenen? en voor wie?

Verregaande integratie
Samenwerken lijkt wel wat op samengaan. Met andere woorden, als je echt met elkaar aan het werk gaat, kun je maar beter een paar zaken met elkaar laten versmelten:

  • opleiding, na- en bijscholing
  • backoffice
  • HRM
  • huisvesting

Hoe dit er precies uit kan zien probeer ik nader onder woorden te brengen in volgende blogposts. Of het allemaal kan, moeten we meemaken door het te proberen. Wat mij betreft is het in elk geval een uitdaging die de moeite waard is. Voor onze studenten en natuurlijk voor de bedrijven en instellingen waar zij aan het werk gaan.

Geef de tijd en doe er iets goeds mee

Efficiencydenken

Het is een groot goed in ons onderwijs dat jongeren die om wat voor reden dan ook pas op latere leeftijd doorgroeien, in staat zijn om hun schoolloopbaan op een hoger niveau voort te zetten.
Door middel van een wijziging in de bekostigingswetgeving dreigen deze mogelijkheden nu beperkt te worden. Dit gebeurt met name door het zogenaamde “cascademodel” waarbij de bekostiging vanaf het vierde verblijfsjaar sterk terugloopt. Feitelijk worden deelnemers na 3,5 jaar niet meer bekostigd.
Ik schets hier graag enkele situaties waarin deze voorstellen een onterecht negatief effect op schoolloopbanen hebben:

Ik merk dat het in sommige gebieden/milieu’s vaak voorkomt dat jongeren, soms daartoe gestimuleerd door hun omgeving, bij het kiezen van een vervolgopleiding “laag insteken”. Zonder in te gaan op oorzaken (en mogelijke oplossingen) van deze situatie constateer ik dat deze jongeren in de loop van hun opleiding kunnen ontdekken dat ze een hoger niveau aankunnen en ambiëren. Aangezien wij als samenleving dringend behoefte hebben aan verhoging van het opleidingsniveau is het heel onverstandig om jongeren deze kansen op deze manier te ontnemen.

Een andere groep deelnemers komt na enige tijd tot de ontdekking dat ze op hun 16e een verkeerde keuze gemaakt hebben bij het kiezen van een vervolgopleiding. Na 1 of 2 jaar verliezen zij hun motivatie en willen kiezen voor een andere opleiding. Voor die andere opleiding zijn ze wél gemotiveerd. Het is nagenoeg onontkoombaar dat dit in bepaalde situaties leidt tot studievertraging. Scholen worden nu, vanwege de beperking in bekostiging, gedwongen om deze overstap te belemmeren. Een belemmering die voorkomt dat zij gemotiveerd doorgaan met hun studie in een richting en op een niveau die bij hen passen.

Uit eerste verkenningen in onze school komen we tot de conclusie dat bij ruim de helft van degenen die langer dan de nominale studieduur op school verblijven, sprake is van een van deze redenen. Daarnaast is er soms sprake van sociale problematiek die vertraging tot gevolg heeft, maar waarbij uiteindelijk wel weer de weg naar een diploma ingeslagen en volbracht wordt.

Extra aandacht hierbij vraag ik voor deelnemers in BBL-trajecten. Het doorgaan van een niveau 2 diploma naar niveau 3 middels een eenjarig traject, zoals de nieuwe regelgeving impliciet nastreeft, is met name in dergelijke trajecten onhaalbaar. Werkgevers, met name in de technische branches, hebben ons in de afgelopen periode duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om dergelijke trajecten in zo’n korte tijd te voltooien. Dit naast het feit dat het toch al een schier onmogelijke taak is om deze, vaak iets oudere deelnemers, ook nog eens in de beperkte onderwijstijd op de gewenste niveaus van Nederlands en Rekenen te krijgen. Zeker als we niet willen dat dit ten koste gaat van het aanleren van beroepsvaardigheden en daaraan gekoppelde vakkennis.

Het is terecht dat we nadenken over versteviging, intensivering en verkorting van schoolloopbanen waar dat mogelijk is. De vraag is ten koste waarvan we dat willen realiseren. Het dreigt nu ten koste van grote groepen jongeren te gaan. Jongeren die de arbeidsmarkt opkomen met een diploma op een lager niveau dan zij aankunnen. Daarmee komen ze ook op de arbeidsmarkt met minder kansen op duurzame arbeid, we weten allen dat eisen op dit gebied alleen maar hoger worden.

Waar we denken dat we op deze manier zuiniger met overheidsmiddelen omgaan, geldt dit alleen voor de middelen van OC&W. Over enige tijd zal het leiden tot een hoger beroep op de middelen van andere departementen …

Keep the dream alive

Ooit bezocht ik enkele Community Colleges in Birmingham. Samen met Nederlandse collega’s bekeek ik hoe daar aan alle leden van de gemeenschap opleidingen en cursussen gegeven werden. Ik zag hoe met die omgeving bekeken werd aan welk aanbod behoefte bestond, vanuit de mensen én vanuit bedrijven en instellingen.
Dat beeld heeft me nooit losgelaten en was voor mij een drijfveer om bij een ROC te gaan werken. Daar bestaat immers de ruimte om dit beeld ook hier te realiseren.
Als ik naar ons ROC kijk, vind ik dat we een aantal aspecten van deze “droom” aardig benaderen:

  • We gaan ervoor om goed aanbod voor ALLE doelgroepen te ontwikkelen.
  • We gaan ervoor om een intense samenwerking te ontwikkelen met de omgeving: gemeenten, bedrijven, instellingen

Tegelijk erken ik dat er nog veel moet gebeuren:

  • Onze organisatie verbetert, maar daar zijn we nog niet klaar mee.
  • Ons rendement gaat omhoog, maar onze ambitie van 85% is nog een hele weg.
  • We hebben veel tevreden cursisten en medewerkers, maar het moeten er nog meer worden.
  • We krijgen niet giga veel klachten, maar iedere klacht is er één te veel
  • … zo kan ik nog even doorgaan

Reden genoeg, zou je zeggen, voor al die kritiek die de afgelopen periode steeds weer over ROC’s wordt heengestort. Reden genoeg dus ook om de schouders er heel stevig onder te zetten, om te luisteren naar cursisten, medewerkers, omgeving, zodat we met elkaar doorgaan met beter worden.

Maar, in plaats van met elkaar bedenken hoe het beter kan, wordt er steeds meer gedacht hoe het minder kan. De breedte van ROC’s dreigt vervangen te worden door de smalheid van vakcolleges, werkscholen, bedrijfsopleidingen, etcetera. Een goed voorbeeld van “met het kind het badwater weggooien” als je bedenkt dat:

  • Wij op de laagste niveaus in veel opleidingen inmiddels resultaten van zo’n 70% halen en deze stijgen nog steeds.
  • Wij, in overleg met andere MBO-aanbieders, inmiddels een succesvolle reboundvoorziening voor MBO-deelnemers draaien.
  • Het VSV-percentage, zoals in een convenant afgesproken, sinds drie jaar jaarlijks zo’n 10% (of meer) daalt.
  • Jongeren die van opleiding willen veranderen inmiddels op het moment dat het past steeds beter begeleid de overstap kunnen maken, zonder naar een geheel andere instelling te hoeven.
  • Jongeren die (nog) niet goed weten wat ze willen, toch hun opleiding kunnen starten en oriëntatie en opleiding prima kunnen combineren.

Zoals gezegd, er is nog veel te verbeteren, maar toch … laten we onze ogen niet sluiten voor wat bereikt is


Mijn laatste tweets

Oeps: Twitter reageert niet. Wacht svp een paar minuten en ververs deze pagina.

Archief

Categorieën